Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 872 Wijziging van de Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie (REDIII, vergunnen)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 23 april 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het door de vaste commissie voor Klimaat
en Groene Groei uitgebrachte verslag over het voorstel van wet tot wijziging van de
Omgevingswet, Algemene wet bestuursrecht en de Wet windenergie op zee ter implementatie
van onderdelen van de met Richtlijn 2023/2413 gewijzigde richtlijn hernieuwbare energie
(REDIII, vergunnen). Ik ben de leden van de verschillende fracties erkentelijk voor
hun inbreng.
In deze nota naar aanleiding van het verslag ga ik in op de vragen en opmerkingen
in het verslag. In lijn met het Draaiboek voor de regelgeving (aanwijzing 58) en de
Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 7.18) volgt deze nota naar aanleiding
van verslag de indeling van het verslag en is ervoor gekozen de tekst van het verslag
integraal over te nemen en daar de puntsgewijze beantwoording van de vragen tussen
te plaatsen. Om goed onderscheid te maken tussen de tekst uit het verslag en de reactie
van mij als bewindspersoon, is voor de weergave van het verslag de cursieve opmaak gebruikt en voor de reactie de niet-cursieve opmaak. Tevens is gebruik gemaakt van
het advies in de Aanwijzingen voor de regelgeving om de vragen in het verslag te nummeren;
dit maakt ook het verwijzen binnen het document eenvoudiger.
I. Algemeen deel
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de ambitie om de uitrol van hernieuwbare energie
te versnellen, maar hebben nog enkele vragen over het voorliggende voorstel.
(1)
De leden van de D66-fractie constateren dat de herziene richtlijn hernieuwbare energie
(RED III) uiterlijk op 21 mei 2025 geïmplementeerd had moeten zijn. Deze leden vernemen
dat de Europese Commissie Nederland inmiddels in gebreke heeft gesteld. Voor deze
leden staat voorop dat klimaat- en energiebeleid de grootste urgentie dient te hebben.
Zij vragen de regering waarom zij dit wetsvoorstel pas zo laat implementeert. Daarnaast
vragen deze leden of de regering kan toezeggen dat zij, specifiek voor thema’s aangaande
klimaatverandering en energietransitie, gezien de urgentie, kan toezeggen dat zij
deze kabinetsperiode zorg zal dragen voor tijdige implementatie van EU-regelgeving.
De regering is het ermee eens dat het klimaat- en energiebeleid grote urgentie heeft.
Daarom streeft zij naar een zo snel mogelijke implementatie van EU-regelgeving. De
termijn die in de herziene richtlijn gesteld is voor implementatie (18 maanden en
– specifiek voor de richtlijnartikelen die betrekking hebben op versnelling van vergunningprocedures
– 6 maanden), is echter te krap gelet op de duur van wetgevingstrajecten in Nederland.
Een wetsvoorstel doorloopt vaste procedurestappen (voorbereiding en opstellen van
de ontwerptekst, toetsing en advisering, advisering Raad van State, behandeling Tweede
Kamer, behandeling Eerste Kamer, bekrachtiging en publicatie), die afhankelijk van
de complexiteit, de werklast van betrokken instanties en politieke urgentie, zeer
snel optellen tot meer dan 18 maanden. Het overschrijden van de implementatietermijn
is ook met de Kamer gedeeld in de Kamerbrief van 7 juni 20241. Ook andere lidstaten lopen hier tegenaan.
(2)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering concreet van plan is
de doelstelling van 39% hernieuwbare energie in 2030 te halen.
Op Europees niveau is voor 2030 een ambitieus doel afgesproken voor hernieuwbare energie,
waar Nederland net zoals andere lidstaten een nationale bijdrage aan levert. Op nationaal
niveau stimuleert Nederland de groei van hernieuwbare energie met de SDE++, SCE en
het recent door het kabinet aangekondigde Tijdelijk Ondersteuningsmechanisme voor
Windenergie op Zee (TOWOZ)2. Via de Actieagenda Elektrificatie zet het kabinet zich in om het aanzienlijke potentieel
voor de elektrificatie van de industrie te benutten. Daarnaast zet het kabinet zich
in voor de opschaling van waterstof en groen gas. Om de markt voor hernieuwbare brandstoffen
van niet-biologische oorsprong (RFNBO’s) op gang te brengen, zet het kabinet gelijktijdig
in op drie samenhangende interventies: het realiseren van de infrastructuur die vraag
en aanbod fysiek bijeenbrengt, het creëren van vraag via verplichtingen, het stimuleren
van aanbod via elektrolyse en importketens. Voor de opschaling van groen gas productie
en -consumptie zet het kabinet zich onder andere in middels de geplande bijmengverplichting
groen gas en de DEI+-regeling voor de innovatieve techniek vergassing.
Ook vraagt Nederland in Europees verband aandacht voor problemen rondom de uitvoering
van hernieuwbare energieprojecten, zoals belemmeringen op het terrein van netcongestie,
vergunningverlening en hoge netwerktarieven.
(3)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om kwantitatief te onderbouwen welke
versnelling dit wetsvoorstel in Nederland nog daadwerkelijk oplevert, nu de regering
zelf aangeeft dat het Nederlandse stelsel al grotendeels aan de maximale termijnen
uit REDIII voldoet en dat de bijdrage van REDIII aan versnelling beperkt is.
De regering deelt de analyse dat de meerwaarde van REDIII (onderdeel vergunnen) voor
Nederland beperkt is. Dit is toegelicht in de Kamerbrief van 6 oktober 20253. In grote lijnen is de belangrijkste meerwaarde van de implementatie van dit onderdeel
van REDIII in Nederland:
– Hernieuwbare-energieprojecten worden geacht van hoger openbaar belang te zijn. Dit
maakt het doorlopen van de ADC-toets4 iets gemakkelijker, omdat hiermee de «dwingende reden» is ingevuld. De andere onderdelen
van de ADC-toets blijven ongewijzigd gelden.
– De vergunningverlening voor hernieuwbare-energieprojecten wordt iets soepeler als
er mogelijk beschermde soorten gedood of verstoord worden.
– Het wordt mogelijk natuurschade van hernieuwbare-energieprojecten te compenseren door
het bevoegd gezag, op kosten van de initiatiefnemer. Hier zijn echter zoveel voorwaarden
aan verbonden, dat dit in de praktijk naar verwachting slechts zelden toepasbaar is.
– Met «beroep in eerste en enige aanleg bij de Raad van State» wordt een tussenstap
in de rechtsgang vermeden.
De daadwerkelijke versnelling die REDIII biedt zal in de praktijk moeten blijken en
is voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regelgeving niet kwantitatief te onderbouwen.
Ook als deze zeer beperkt is, is het van belang elke mogelijkheid te benutten om de
vergunningverlening van energieprojecten te versnellen. Daarnaast dient rekening te
worden gehouden met de verplichting van Nederland om de EU-richtlijn te implementeren.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.
[geen vragen ontvangen]
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1 Aanleiding, doelstellingen en noodzaak
De leden van de D66-fractie ondersteunen de doelstellingen van de RED III, die voorziet
in een ruime verdubbeling van het aandeel hernieuwbare energie in de aankomende zes
jaar, van 19,8% in 2024 naar 42,5% in 2030. Zij achten een voortvarende aanpak van
deze transitie van groot belang voor het behalen van de klimaatdoelen.
(4)
De leden van de D66-fractie vragen in navolging van de Commissie voor de milieueffectrapportage
(mer) en de Nederlandse Vereniging van Duurzame Energie in hoeverre de voorgestelde
wijzigingen daadwerkelijk tijdswinst zullen opleveren. Dat vragen zij met het oog
op het feit dat er extra stappen in het proces komen voordat een project kan beginnen
en ook nieuwe beroepsmogelijkheden ontstaan. Zij vragen welke concrete veranderingen
ten opzichte van de reguliere planvorming de regering een versnelling verwacht, zodat
overheden, projectontwikkelaars en andere belanghebbenden hun verwachtingen daarop
kunnen aanpassen? Daarnaast vragen deze leden hoeveel maanden versnelling de regering
concreet per project verwacht. Tot slot vragen deze leden hoe regering voorkomt dat
vrijstelling van project-MER’s en natuurtoetsen leidt tot grotere juridische risico’s
en daarmee tot vertraging.
De regering heeft inderdaad moeten constateren dat de daadwerkelijke tijdwinst van
de voorgestelde wijzigingen uiterst beperkt is. Dit komt doordat de huidige Nederlandse
beslistermijnen voor vergunningen grotendeels al in lijn zijn met REDIII.
Daarnaast wordt de tijdswinst die de EU-richtlijn beoogt in door de lidstaat aan te
wijzen versnellingsgebieden ingeschat als beperkt. Ten opzichte van de reguliere planvorming
biedt de EU-richtlijn de mogelijkheid om bestaande onderzoeksverplichtingen (mer-(beoordeling),
passende beoordeling en soortenbeschermingstoets) op projectniveau te vervangen door
een lichtere screening, waarbij ook een deel van de bewijslast naar het bevoegd gezag
wordt verplaatst. Hierin kan mogelijk tijdswinst ontstaan. Tegelijkertijd geldt dat
in het voortraject op planniveau voor versnellingsgebieden een veel uitvoeriger toetsing
nodig is om (conform de bedoeling van de richtlijn) zoveel mogelijk zekerheid te bieden
dat bij latere screening van de effecten op projectniveau onverhoopt toch aanzienlijke
effecten voor milieu of natuur blijken en alsnog op projectniveau aanvullende maatregelen
of een projecttoets nodig zijn. Dit kan juist vertragend werken.
Grotere juridische risico’s worden niet verwacht, maar het bevoegd gezag moet wel
zorgvuldig de afweging maken of een dergelijk gedetailleerde plan-mer behulpzaam is
voor de doelen. Nieuwe beroepsmogelijkheden ontstaan niet (zie voor een nadere toelichting
de paragraaf «gevolgen voor de rechtsbescherming» in de memorie van toelichting).
Eventuele versnelling is vooraf niet te kwantificeren en zal in de praktijk moeten
blijken.
(5)
De leden van de D66-fractie vragen of dit wetsvoorstel de vergunningssystematiek wel
daadwerkelijk versimpelt. Deze leden constateren namelijk dat in plaats van de project-MER
een screening zal worden gedaan. Ook constateren deze leden dat deze screening een
nieuw instrument is binnen de Omgevingswet. Deze leden vragen de regering waarom zij
hiervoor kiest, terwijl de Omgevingswet bedoeld is om procedures te versimpelen. Daarnaast
vragen deze leden waarom de regering kiest voor een verschillende beoordelingstermijnen
voor verschillende projecten. Is dit verschil volgens de regering strikt noodzakelijk,
gezien de ambitie van dit kabinet om regels te versimpelen?
Waar de richtlijn gevolgen heeft voor diverse onderwerpen die nu al in het stelsel
van de Omgevingswet zijn geregeld, zoals de project-MER en de natuurtoetsen, is het
onontkoombaar dat die wetgeving wordt aangepast. Daarbij wordt, in lijn met het vaste
kabinetsbeleid, uitgegaan van zuivere implementatie van de richtlijn en dus zoveel
mogelijk aangesloten bij de figuren van de richtlijn. Tegelijk worden deze ingepast
op een wijze, die het bestaande nationale stelsel zoveel mogelijk intact laat. Dat
is niet mogelijk bij het instrument van screening.
Het instrument van screening staat in de EU-richtlijn los van het bestaande instrument
van de mer-beoordeling. In contacten met de Europese Commissie is dit bevestigd. Desgevraagd
is namens de Europese Commissie aangegeven dat de screening moet worden uitgevoerd
zoals is beschreven in de artikelen 15sexies, derde lid, en 16bis, vierde lid, van
de richtlijn en dat dit dus een andere procedure is dan de mer-beoordeling als bedoeld
in de mer-richtlijn.
Bij de screening wordt gekeken of een project geen aanzienlijke effecten heeft, gelet
op de mitigerende maatregelen die in het plan voor het versnellingsgebied zijn opgenomen.
Die beoordeling wordt geïntegreerd in het bestaande beoordelingskader voor bijvoorbeeld
de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of de omgevingsvergunning voor
een flora- en fauna-activiteit. Na de screening kan de vergunning direct verleend
worden.
Met de verschillende beoordelingstermijnen sluit de regering aan bij de termijnen
die in de richtlijn gesteld worden en wordt de richtlijn zuiver geïmplementeerd.
(6)
De leden van de VVD-fractie lezen dat de maximale termijnen voor vergunningverlening
van specifieke bodemenergiesystemen en zonnepanelen beperkt korter worden door de
implementatie van REDIII. Kan de regering concreet toelichten op welke manier deze
maximale termijnen korter worden door de implementatie?
De richtlijn stelt termijnen voor besluiten over vergunningaanvragen voor hernieuwbare-energieprojecten.
In de meeste gevallen voldoet de bestaande regelgeving uit de Algemene wet bestuursrecht
en de Omgevingswet hieraan. Voor sommige activiteiten, zoals zonnepanelen en warmtepompen,
geldt doorgaans geen vergunningplicht.
Voor twee situaties is aanpassing nodig. Bij zonnepanelen op kunstmatige constructies
kan soms toch een vergunning nodig zijn. Hiervoor geldt nu een beslistermijn van acht
weken (of twaalf weken met instemming), met mogelijke verlenging van zes weken. Dit
is langer dan de richtlijntermijn van drie maanden. Hetzelfde geldt voor het aanleggen
en het gebruiken van bodemenergiesystemen met een warmtepomp tot 50 MW. Daarom wordt
voor deze projecten een uitzondering gemaakt op de beslistermijn, zoals geregeld in
artikel 16.64 van de Omgevingswet.
(7)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering welke concrete knelpunten in de Nederlandse
vergunningpraktijk met dit wetsvoorstel worden opgelost. Kan de regering per type
project (wind, zon, net- en opslaginfrastructuur; op land en op zee) aangeven welke
stap in de keten nu tijd kost en hoe de voorgestelde wijzigingen die stap verkorten?
Zoals hierboven aangegeven in antwoord op vraag 3 van de leden van de JA21 fractie,
zal de daadwerkelijke tijdwinst van de voorgestelde wijzigingen uiterst beperkt zijn.
Dit komt doordat de huidige Nederlandse beslistermijnen voor vergunningen grotendeels
al in lijn zijn met REDIII. Met dit wetsvoorstel worden de maximale termijnen voor
vergunningverlening van specifieke bodemenergiesystemen en zonnepanelen beperkt korter.
In de beantwoording van vraag 6 is hierop nader ingegaan.
In het antwoord op vraag 4 is ten aanzien van versnellingsgebieden toegelicht dat
mogelijk op projectniveau enige versnelling kan worden bereikt waar bestaande toetsen
worden vervangen door een lichtere screening met bovendien een verplaatsing van een
deel van de bewijslast naar het bevoegd gezag. Daar staat tegenover dat in het voortraject
op planniveau bij de versnellingsgebieden een veel uitvoeriger toetsing zal moeten
plaatsvinden, wat weer complicerend en vertragend werkt. De praktijk zal moeten uitwijzen
hoeveel versnelling er daadwerkelijk behaald kan worden.
2.2 Strekking van het voorstel
(8)
De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met het stroomlijnen van de vergunningsprocedures
en verkorten van de beroepsprocedure. De regering geeft aan te verwachten dat er geen
veranderingen zullen optreden in het aantal rechtszaken dat tegen besluiten op aanvragen
voor hernieuwbare-energieprojecten. Waarop is deze verwachting gebaseerd? De Afdeling
advisering van de Raad van State geeft aan dat de gevolgen voor de werkbelasting van
de Afdeling bestuursrechtspraak op voorhand niet zijn in te schatten.
De regering verwacht geen stijging van het aantal hernieuwbare-energieprojecten als
gevolg van de implementatie van dit onderdeel van REDIII. Verder verwacht de regering
geen grote stijging van procedures vanwege de aanwijzing van versnellingsgebieden
en de geboden vrijstellingen voor projecten in die gebieden. Uit inventarisatie en
onderzoek dat de Minister in 2025 heeft uitgevoerd samen met medeoverheden en initiatiefnemers
komt naar voren dat de meerwaarde van REDIII beperkt lijkt te zijn. Daarmee zijn de
gevolgen van dit wetsvoorstel voor de rechtspraak ook beperkt.
De regering verwacht eveneens geen betekenisvolle toename in de werklast van de Afdeling
bestuursrechtspraak vanwege de centralisatie van beroep. De hiertoe in het wetsvoorstel
opgenomen wijziging heeft slechts effect op een beperkt deel van de hernieuwbare-energieprojecten.
Voor een aanzienlijk deel van de hernieuwbare-energieprojecten staat immers al beroep
in eerste en enige aanleg open bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Het gaat om kavelbesluiten,
besluiten op grond van de Mijnbouwwet, projectbesluiten en besluiten ter uitvoering
van een projectbesluit. Op grond van de Energiewet is het projectbesluit het aangewezen
instrument voor de aanleg of uitbreiding van een windpark met een capaciteit van ten
minste 15 MW en de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking
van duurzame elektriciteit met behulp van zonne-energie met een capaciteit van ten
minste 50 MW. Daar brengt dit wetsvoorstel geen verandering in.
Naast een eventuele toename van beroepszaken zal de keuze voor beroep in eerste en
enige aanleg bij de Afdeling ook voor een afname van zaken zorgen, namelijk de hoger
beroepszaken die op dit moment door de Afdeling worden afgedaan. Op dit moment is
immers hoger beroep bij de Afdeling mogelijk, maar met het wetsvoorstel wordt voorgesteld
beroep in de genoemde gevallen in eerste en enige aanleg bij de Afdeling te beleggen.
(9)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering zal garanderen dat
alternatieve locaties met minder natuur- en milieu-impact steeds gekozen worden om
de infrastructuur te plaatsen. Onder welke voorwaarden denkt de regering toch afwijkingen
toe te staan, waarbij locaties of projecten met meer natuur- of milieu-impact aangewezen
worden ondanks de mogelijkheid van een minder vervuilend of milieubelastend alternatief?
De richtlijn vereist dat bij het aanwijzen van infrastructuurgebieden voor versnelde
uitrol van hernieuwbare energie, Natura 2000-gebieden en gebieden die zijn aangewezen
uit hoofde van nationale beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud
(Natuurnetwerk Nederland, bijzondere nationale natuurgebieden of als natuur aangewezen
in het omgevingsplan) worden vermeden. Daarop bestaat alleen een uitzondering als
er geen evenredige alternatieven zijn voor de uitrol ervan, rekening houdend met de
doelstellingen van het gebied. De uitwerking van artikel 15sexies, eerste lid, onder
a, van de richtlijn en daarmee de eventuele voorwaarden om afwijkingen toe te staan,
gebeurt bij amvb. De uitwerking van deze regels zal onder andere worden opgenomen
in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het voornemen is om de richtlijn zuiver te
implementeren en dus in de lagere regelgeving aan te sluiten bij de zeer beperkte
mogelijkheid tot uitzondering die door de richtlijn wordt geboden.
Gezien de verwachte geringe meerwaarde van het aanwijzen van een gebied is de verwachting
dat ook van de door de richtlijn geboden uitzonderingsmogelijkheid geen tot nauwelijks
gebruik zal worden gemaakt.
(10)
De leden van de PVV-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel primair
draait om het versnellen – oftewel doordrukken – van nieuwe hernieuwbare-energieprojecten
en het belang van omwonenden daarin geen plaats heeft gekregen. Deze leden lezen dat
termen als «afstand», «normen», «afstandsnormen», «tiphoogte» en dergelijke in de
memorie van toelichting noch in het wetsvoorstel voorkomen en er aldus met geen woord
wordt gerept over de noodzakelijke, deugdelijke afstandsnormen tussen windturbines
en omwonenden. Zij vragen de regering te erkennen dat windturbines omwonenden letterlijk
ziek kunnen maken en waar die afstandsnormen blijven (bij voorkeur een afstand van
pakweg tien kilometer).
Het wetsvoorstel streeft naar zuivere implementatie van de herziene richtlijn voor
hernieuwbare energie, onderdeel vergunningen. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande
instrumenten in het stelsel van de Omgevingswet, waarbij ook het meewegen van de belangen
van de omwonenden onderdeel is van de procedure. Met het oog op die belangen zijn
er diverse eisen voor windmolens en windparken, zoals afstandsnormen en tiphoogtes.
Aan die eisen doet dit wetsvoorstel niets af. Dat zou ook niet passen bij een zuivere
implementatie – deze richtlijn zegt immers niets over deze eisen voor de locatiekeuze
van windturbines.
(11)
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om scherp af te bakenen welke besluiten
en vergunningen onder de voorgestelde «stroomlijning» vallen. Kan de regering aangeven
welke activiteiten precies worden bedoeld met «energie-infrastructuur voor hernieuwbare
energie» en hoe dit zich verhoudt tot bijvoorbeeld netverzwaringen, converterstations,
batterijopslag en andere systeemcomponenten? De leden van de JA21-fractie vragen de
regering hoe de rol van de Minister van Klimaat en Groene Groei bij het vaststellen
van een projectbesluit (in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties) wordt begrensd, en hoe wordt geborgd dat decentrale afwegingen
in het kader van de fysieke leefomgeving voldoende worden meegewogen.
In de richtlijn is hernieuwbare energie gedefinieerd als: energie uit hernieuwbare
niet-fossiele bronnen, namelijk windenergie, zonne-energie (thermische zonne-energie
en fotovoltaïsche energie) en geothermische energie, osmose-energie, omgevingsenergie,
getijdenenergie, golfslagenergie en andere energie uit de oceanen, waterkracht, en
energie uit biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogas. De
richtlijn heeft betrekking op installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie,
waaronder hernieuwbare waterstof, en alles wat nodig is voor de aansluiting op het
net en voor de opslag van de opgewekte energie. Onder gerelateerde infrastructuur
wordt op grond van de richtlijn verstaan: elektriciteits-, gas-, en warmtenetten of
opslag die nodig zijn om hernieuwbare energie in het energiesysteem te integreren.
Hernieuwbare waterstof valt onder definitie van hernieuwbare energie, zoals door de
Europese Commissie uiteen is gezet in aanbeveling (EU) 2024/13435.
Verzwaringen van het net, inclusief netonderdelen als converterstations, vallen dus
onder REDIII voor zover deze nodig zijn om hernieuwbare energie in het net te integreren.
In antwoord op de vragen over de begrenzing van de rol van de Minister van Klimaat
en Groene Groei en de borging van decentrale belangen het volgende. Voor projectbesluiten
die de Minister van Klimaat en Groene Groei bevoegd is om – in overeenstemming met
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – vast te stellen, gelden
de algemene regels, zoals opgenomen in het stelsel van de Omgevingswet, over de inhoud
van het projectbesluit en het toe te passen beoordelingskader. Op grond van artikel
2.1, eerste lid, van de Omgevingswet oefent een bestuursorgaan de in die wet voorziene
taken en bevoegdheden uit met het oog op de doelen van de wet. Artikel 2.1, tweede
lid, van de Omgevingswet voegt daaraan toe dat het bevoegd gezag bij het vaststellen
van een projectbesluit rekening moet houden met de samenhang van de relevante onderdelen
en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.
Uit artikel 5.53, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat een projectbesluit de
evenwichtige toedeling van functies aan locaties verzekerd, als het projectbesluit
het omgevingsplan wijzigt of afwijkt van het omgevingsplan. Daarnaast is ook in de
lagere regelgeving onder de Omgevingswet, bijvoorbeeld in hoofdstuk 9 van het Besluit
kwaliteit leefomgeving, geregeld welke regels in acht moeten worden genomen bij het
vaststellen van een projectbesluit. Onderhavig wetsvoorstel wijzigt niets aan het
beoordelingskader of de inhoudelijke eisen aan het projectbesluit.
(12)
De leden van de SGP-fractie constateren dat het voorliggende voorstel nog geen concreet
perspectief biedt voor het stikstofvraagstuk bij duurzame energie en energie infrastructuurprojecten.
De regering heeft eerder aangegeven dat gewerkt wordt aan een ADC-toets voor deze
projecten (Kamerstukken 29 826 nr. 217 en 30 196 nr. 849). Deze leden horen graag wat de stand van zaken is.
De leden van de SGP-fractie constateren dat een ADC-toets binnen de huidige nationale
regelgeving niet toegepast kan worden op programmaniveau, omdat het Besluit activiteiten
leefomgeving (Bal) alleen ruimte geeft voor een passende beoordeling6. Is de veronderstelling juist dat de Habitatrichtlijn, inclusief de Europese interpretatie
daarvan, wel ruimte geeft voor een ADC-toets op programmaniveau? Is de regering bereid
de Omgevingswet en het Bal indien nodig zo aan te passen dat ruimte gegeven wordt
voor een ADC-toets op het niveau van een programma, zoals het voorgestelde versnellingsgebiedsplan?
In de brief over netcongestie die begin april naar de Kamer verstuurd is7 geeft het Kabinet een toelichting op de verkenning naar potentiële juridisch haalbare
nationale routes, waaronder de ADC-toets, voor stikstofvergunningverlening voor energie-infrastructuurprojecten
en verduurzaming van industrie.
De veronderstelling dat de ADC-toets niet voor programma’s kan worden toegepast, is
onjuist. De artikelen 11.18 en 11.21, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit
activiteiten leefomgeving voorzien in de mogelijkheid om in een programma toestemming
te verlenen voor projecten, door deze aan te wijzen als vergunningvrije Natura 2000-activiteiten.
Daarbij kan de aanwijzing van vergunningvrije gevallen worden gebaseerd op een ADC-toets.
De instructieregel van artikel 4.30, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving
over programma’s sluit daarop aan.
2.3 Gebieden voor versnelde uitrol van hernieuwbare energie
(13)
De leden van de D66-fractie constateren dat de regering ervoor kiest om de versnelde
uitrol mogelijk te maken voor projecten in gebieden waar deze projecten geen aanzienlijke
milieueffecten zullen hebben. Zij onderschrijven dat kunstmatige en bebouwde oppervlakken
voorkeursposities zijn en dat Natura 2000-gebieden en gebieden die onder nationale
beschermingsregelingen voor natuur- en biodiversiteitsbehoud vallen, worden vermeden.
Om een goede inschatting te maken van de effecten van dit uitgangspunt, vragen deze
leden de regering een inschatting te maken van hoeveel projecten dit wetsvoorstel
eigenlijk gaat. Ook vragen deze leden de regering een inschatting te maken hoeveel
projecten er niet binnen de scope van het wetsvoorstel passen doordat zij binnen Natura-2000
gebieden vallen.
Zoals toegelicht in de antwoorden op de vragen 3 en 4 heeft de regering moeten constateren
dat in Nederland waarschijnlijk niet, of slechts beperkt, gebruik zal worden gemaakt
van de versnellingsopties in versnellingsgebieden. Uit inventarisatie en onderzoek
dat de Minister in 2025 heeft uitgevoerd samen met medeoverheden en initiatiefnemers
komt naar voren dat de meerwaarde van REDIII (onderdeel vergunnen) beperkt lijkt te
zijn. Op dit moment is de verwachting van de regering dat er geen projecten gebruik
van zullen maken.
(14)
De leden van de D66-fractie constateren dat de implementatie van REDIII en de Natuurherstelwet
niet synchroon lopen. Daarom vragen deze leden hoe de regering gaat voorkomen dat
versnellingsgebieden gaan conflicteren met gebiedsaanwijzingen onder de Natuurherstelwet?
Is de regering bereid om de aanwijzing van versnellingsgebieden af te stemmen op de
planning van het Nationaal Natuurherstelplan, zodat overlap en juridische risico’s
kunnen worden voorkomen? Ook vragen deze leden de regering of zij heeft overwogen
naast Natura-2000 gebieden ook KRM-, NNN-gebieden en primaire trekroutes voor vogels en zeezoogdieren uit te sluiten als versnellingsgebied.
Conflicten tussen REDIII-versnellingsgebieden en gebiedsaanwijzingen onder de Natuurherstelverordening
(NHV) zijn niet waarschijnlijk. De inzet van het kabinet is erop gericht om de opgave
van de NHV zoveel mogelijk binnen de bestaande natuurgebieden met een beschermingsstatus
te realiseren. Daarbij wordt primair gekeken naar de bestaande Natura 2000-gebieden
en daarnaast naar de bestaande KRM- en NNN-gebieden. Deze gebieden zijn bekend en
moeten overeenkomstig de artikel 15quater en 15sexies van de richtlijn bij de aanwijzing
van de REDIII-versnellingsgebieden zoveel mogelijk worden vermeden, evenals belangrijke trekroutes van vogels
en zeezoogdieren worden vermeden. Deze richtlijnvereisten zullen worden geïmplementeerd
in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor zover er relevante natuurwaarden buiten
deze gebieden zijn gelegen die voor de NHV relevant kunnen zijn, bieden de plan-MER
en de kaders van de Omgevingswet over een evenwichtige toedeling van functies aanvullende
waarborgen.
(15)
De leden van de D66-fractie constateren dat de wet ruimte geeft voor versnelling van
de ontwikkeling van netwerk- en opslaginfrastructuur. Deze leden constateren dat hiervoor
aanzienlijk minder eisen gelden dan voor projecten voor hernieuwbare energie. Zij
vragen de regering duidelijker toe te lichten welke precieze milieu eisen en processtappen
er wel overeind blijven voor dergelijke projecten. Betekent dit dat er voor deze infrastructuur
geen plan MER, beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden of soortenbeschermingstoets
plaats gaat vinden? Ook verzoeken zij de regering concreet aan te geven over hoeveel
projecten het hier naar verwachting gaat.
Versnellingsgebieden voor netwerk- en opslaginfrastructuur kunnen aangewezen worden
als er een synergie is met een versnellingsgebied voor opwekking van hernieuwbare-energie.
In dat geval moeten overheden plannen vaststellen, waarin de relevante energie-infrastructuurprojecten
worden beschreven, zoals netuitbreidingen. Plannen voor elektriciteitsnetten moeten
Natura 2000-gebieden en nationaal aangewezen natuurgebieden (zoals Natuur Netwerk
Nederland en nationale parken) vermijden, tenzij geen evenredige alternatieven bestaan.
Elektriciteitsopslag moet buiten deze gebieden worden gesitueerd.
Bij de voorbereiding van het plan wordt een plan-MER en, indien nodig, een passende
beoordeling uitgevoerd. Daarbij worden de milieueffecten van de projecten beoordeeld.
Indien negatieve effecten kunnen optreden, moeten passende en evenredige regels en
mitigerende maatregelen in het plan worden opgenomen om deze te voorkomen of te beperken.
Projecten die zijn opgenomen in een plan voor een infrastructuurgebied en voldoen
aan de daarin opgenomen regels en mitigerende maatregelen, worden vermoed geen aanzienlijke
gevolgen voor milieu en natuur te hebben. Daarom zijn zij vrijgesteld van:
– een project-MER of project-MER-beoordeling;
– een passende beoordeling (artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn);
– soortenbeschermingsbeoordelingen op grond van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn.
Deze vrijstellingen gelden niet bij vermoedelijke aanzienlijke grensoverschrijdende
milieueffecten.
Wel moet het bevoegd gezag een screening uitvoeren bij de besluitvorming over het
project. Deze screening beperkt zich tot de vraag of sprake is van aanzienlijke onvoorziene
negatieve effecten die niet al in het plan-MER of de passende beoordeling zijn onderzocht
en wordt binnen 30 dagen afgerond.
Als uit de screening blijkt dat dergelijke effecten kunnen optreden, moeten passende
en evenredige mitigerende maatregelen worden getroffen. Indien mitigatie voor natuureffecten
niet mogelijk is, moet de exploitant compenserende maatregelen treffen, zo nodig in
de vorm van financiële compensatie voor soortenbeschermingsprogramma’s.
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 13 is de verwachting van de regering dat
niet, of slechts beperkt, gebruik zal worden gemaakt van de aanwijzing van versnellingsgebieden.
Op dit moment is de verwachting van de regering dat er geen projecten gebruik van
zullen maken.
(16)
De leden van de D66-fractie constateren dat de richtlijn het mogelijk maakt om financiële
compensatie voor natuureffecten te bieden. Deze leden vragen de regering hoe zij ervoor
gaat zorgen dat compensatie in kwetsbare natuurgebieden tijdig en volledig gaat realiseren.
Een belangrijk uitgangspunt bij toepassing van de in de richtlijn geboden mogelijkheid
tot financiële compensatie voor natuureffecten is dat deze compensatie niet vrijblijvend
is en niet in de plaats komt van mitigatie, maar uitsluitend wordt ingezet wanneer
negatieve effecten niet volledig binnen het project zelf kunnen worden voorkomen of
beperkt. Toepassing vindt plaats binnen de kaders van de Europese natuurregelgeving
en het nationale natuurbeschermingsrecht, waarbij vooraf moet worden vastgesteld dat
aan de voorwaarden is voldaan en dat de compensatiemaatregelen effectief zijn. Indien
compensatie niet binnen het projectgebied kan plaatsvinden, kan het bevoegd gezag
de uitvoering elders organiseren, waarbij de initiatiefnemer financieel verantwoordelijk
blijft. Tot slot geldt dat toepassing van compensatie plaatsvindt binnen een bredere
systematiek waarin op planniveau al een uitgebreide milieubeoordeling wordt uitgevoerd.
Hierdoor wordt vooraf inzichtelijk welke effecten te verwachten zijn en welke maatregelen
nodig zijn om negatieve gevolgen voor kwetsbare natuurgebieden te voorkomen of te
beperken. Dat verkleint het risico dat compensatie pas in een laat stadium moet worden
georganiseerd.
(17)
De leden van de VVD-fractie lezen dat door het samenspel van de regels voor vergunningverlening
binnen het versnellingsgebied met de milieuwetgeving het risico bestaat op vertraging.
Voor deze leden is het essentieel dat de implementatie niet leidt tot vertraging.
Kan de regering toelichten of er mogelijkheden zijn onderzocht om dit risico op vertraging
weg te nemen?
De regering geeft aan dat het aan het bevoegd gezag is om te bepalen of het aanwijzen
van een versnellingsgebied toegevoegde waarde heeft. Het is dus ook aan het bevoegd
gezag om af te wegen of zij het risico op vertraging nemen. De regering geeft aan
hierover praktische informatie ter beschikking te stellen op de website van Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland (RVO). Acht de regering die mitigerende maatregel als afdoende?
De regering onderkent dat een risico op vertraging kan ontstaan. Dit risico is inherent
aan de gekozen systematiek van de richtlijn. Het risico op vertraging hangt met name
samen met het feit dat voorafgaand aan aanwijzing van een versnellingsgebied een uitvoeriger
toetsing op planniveau moet plaatsvinden, waaronder een plan-MER en – indien aan de
orde – een passende beoordeling en soortenbeschermingstoets. Deze toetsing moet voldoende
gedetailleerd zijn om latere vrijstellingen op projectniveau te kunnen rechtvaardigen.
Uitgebreider onderzoek in een vroeg stadium, waarbij mogelijk nog veel onzekerheden
zijn (planfase) kan meer tijd vergen dan onderzoek als bijvoorbeeld verschillende
varianten van het project al zijn afgevallen. Daardoor kan de voorbereiding van versnellingsgebieden
meer tijd vergen dan reguliere planvorming. Aan de andere kant geldt dat eventuele
vertraging in het voortraject op planniveau kan worden terugverdiend in latere fasen
van de vergunningverlening, doordat op projectniveau in beginsel kan worden volstaan
met een lichtere screening in plaats van een volledige project-MER en natuurtoets.
Het is aan het bevoegd gezag om deze afweging integraal te maken. Het aanwijzen van
gebieden is geen verplichting voor bevoegde gezagen. Om bevoegde gezagen bij deze
afweging te ondersteunen stelt de regering praktische informatie beschikbaar via de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).8 Deze informatie is erop gericht om inzicht te bieden in de voorwaarden, toepassingsmogelijkheden
en mogelijke gevolgen van het aanwijzen van versnellingsgebieden, inclusief de procedurele
consequenties. De regering acht het passend om de keuze voor het aanwijzen van versnellingsgebieden
bij het bevoegd gezag te laten en verwacht dat met de beschikbare ondersteuning via
RVO voldoende handvatten worden geboden om het risico op vertraging zorgvuldig te
wegen en waar mogelijk te beperken.
(18)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de vrijstellingen van de project-MER-(beoordelings)plicht
en natuurtoetsen niet gelden als het gaat om projecten die vermoedelijk aanzienlijke
grensoverschrijdende milieueffecten hebben en dat het aan het bevoegd gezag is om
op basis van de door de initiatiefnemers verstrekte gegevens vast te stellen of daarvan
sprake is. Zij vragen hoe het bevoegd gezag zal garanderen dat de door initiatiefnemers
verstrekte gegevens volledig zijn. Zal het bevoegd gezag ook andere relevante gegevens,
die niet door de initiatiefnemers zijn aangeleverd, in overweging nemen?
Het bevoegd gezag heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid om te beoordelen of
sprake kan zijn van vermoedelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten.
Het bevoegd gezag heeft de taak om de screening uit te voeren. Daarbij is het bevoegd
gezag niet uitsluitend afhankelijk van de gegevens die door initiatiefnemers worden
aangeleverd. De initiatiefnemer moet informatie verstrekken over de kenmerken van
het project en de verwachte milieueffecten, maar het bevoegd gezag kan aanvullende
beschikbare informatie opvragen indien dat nodig is voor een zorgvuldige beoordeling.
Daarnaast wordt de screening op projectniveau niet alleen gebaseerd op de door de
initiatiefnemer verstrekte gegevens, maar ook op de informatie die reeds beschikbaar
is uit de milieubeoordelingen op planniveau, zoals de plan-MER en (indien aan de orde)
de passende beoordeling en soortenbeschermingstoets die voorafgaand aan aanwijzing
van een versnellingsgebied zijn uitgevoerd.
Verder kan het bevoegd gezag gebruikmaken van andere beschikbare bronnen, zoals bestaande
milieugegevens, informatie van andere bestuursorganen en gegevens uit eventuele eerdere
beoordelingen van vergelijkbare projecten.
(19)
De leden van de PVV-fractie lezen het volgende: «Een versnellingsgebied kan alleen
worden aangewezen, wanneer het onderdeel is van de gecoördineerde inventarisatie van
potentiële versnellingsgebieden, ook wel «mapping» genoemd. [...] Er is voor gekozen
de inventarisatie breed op te zetten, om het risico te verkleinen dat er potentiële
versnellingsgebieden gemist worden die dan later niet als versnellingsgebied kunnen
worden aangewezen.» Deze leden constateren dat de in het «Overzicht mapping REDIII»
genoemde gebieden/regio’s zo’n beetje heel Nederland beslaan en vragen of dit betekent
dat in de praktijk vrijwel het hele land als versnellingsgebied kan worden aangewezen.
Aangezien de regering maximaal gebruik wil maken van de mogelijkheden die REDIII biedt,
is de «mapping» breed opgezet. Inderdaad zijn veel gebieden in Nederland onderdeel
van de «mapping». Deze «mapping» is ook via internet ter consultatie gebracht.9 Dit betekent niet dat deze gebieden ook zullen worden aangewezen als versnellingsgebied.
Zoals toegelicht in de antwoorden op de vragen 3 en 4 heeft de regering moeten constateren
dat in Nederland waarschijnlijk niet, of slechts beperkt, gebruik zal worden gemaakt
van de versnellingsopties in versnellingsgebieden. Uit inventarisatie en onderzoek
dat de Minister in 2025 heeft uitgevoerd samen met medeoverheden en initiatiefnemers
komt naar voren dat de meerwaarde van dit onderdeel van REDIII beperkt lijkt te zijn.
Op dit moment is de verwachting van de regering dat er geen projecten gebruik van
zullen maken.
(20)
De leden van de PVV-fractie lezen dat voorrang wordt gegeven aan kunstmatige en bebouwde
oppervlakken. Deze leden vragen de regering hoe «kunstmatige oppervlakken» en «bebouwde
oppervlakken» worden gedefinieerd. Zij vragen of onder «bebouwde oppervlakken» bewoonde
gebieden/woonwijken worden verstaan – en, zo ja, hoe omwonenden door middel van dit
wetsvoorstel tegen de gezondheidsschadelijke effecten van windturbineparken worden
beschermd, temeer omdat «voorrang aan bebouwde oppervlakken» wordt gegeven.
De begrippen kunstmatige oppervlakken en bebouwde oppervlakken zijn ontleend aan de
REDIII-richtlijn en zien op gebieden die al een door mensen ingerichte of intensief
gebruikte functie hebben, zoals bedrijventerreinen, infrastructuurcorridors, parkeerterreinen,
daken, stortplaatsen, industrieterreinen en andere reeds verstoorde of verharde gronden.
Het uitgangspunt van de richtlijn is dat bij de aanwijzing van versnellingsgebieden
zoveel mogelijk wordt aangesloten bij locaties waar de ruimtelijke en ecologische
impact naar verwachting beperkter is dan in natuur- of landbouwgebieden.
Onder bebouwde oppervlakken kunnen in brede zin ook stedelijke gebieden vallen. Dat
betekent echter niet dat woonwijken als zodanig worden aangewezen voor grootschalige
energieprojecten zoals windturbineparken. Het aanwijzen van versnellingsgebieden blijft
een bevoegdheid van het bevoegd gezag, dat daarbij een integrale ruimtelijke afweging
maakt waarin onder meer gezondheid, leefomgeving en draagvlak een rol spelen.
Overigens laten de richtlijn en dit wetsvoorstel de bestaande regels in de paragrafen
4.30, 430a en 4.30b van het Besluit activiteiten leefomgeving over windturbines en
het geluid en de slagschaduw en lichtschitteringen die samenhangen met het opwekken
van elektriciteit met een windturbine onverlet. De bestaande waarborgen voor bescherming
van omwonenden blijven dus onverkort van toepassing.
2.4 Stroomlijnen vergunningsprocedures
(21)
De leden van de D66-fractie spreken hun waardering uit voor het feit dat Nederland
voldoet aan de gestelde maximumtermijnen voor vergunningverlening. Deze leden vragen
de regering in hoeverre het bevoegd gezag zich op dit moment houdt aan bestaande maximale
termijnen.
Deze leden constateren dat de regering voorstelt om voor hernieuwbare-energieprojecten
als eerste en enige instantie beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State voorstelt. Zij vragen of de regering de uitvoeringskracht bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoende acht om deze taakverzwaring op
te vangen en zo niet wat de regering daaraan gaat doen.
De regering beschikt niet over een landelijk uniform en volledig beeld van de mate
waarin in alle individuele gevallen door bevoegde gezagen binnen de maximale beslistermijnen
wordt beslist. Of in individuele gevallen steeds binnen deze maximale termijnen wordt
beslist, hangt mede samen met de aard en complexiteit van het project, de volledigheid
van de aanvraag en de noodzaak om aanvullende onderzoeken uit te voeren. In de praktijk
geldt dat bevoegde gezagen zich in het algemeen inspannen om binnen de wettelijke
termijnen te beslissen.
Daarnaast moet worden opgemerkt dat de totale doorlooptijd van projecten niet uitsluitend
wordt bepaald door de formele beslistermijn voor vergunningverlening. Ook de voorbereiding
van besluiten, de uitvoering van milieubeoordelingen en eventuele beroepsprocedures
maken onderdeel uit van het totale proces. Deze fasen vallen niet altijd binnen de
wettelijke beslistermijnen, maar zijn wel bepalend voor de feitelijke realisatietijd
van projecten.
Ten aanzien van de vraag over de uitvoeringskracht van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State wordt verwezen naar de beantwoording van vraag (8).
(22)
Ook constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister van Klimaat en Groene
Groei het contactpunt is voor projecten die onder de rijksprojectprocedure vallen.
Zij vragen de regering of de Minister van Klimaat en Groene Groei ook in het nieuwe
kabinet aangewezen blijft als het centrale aanspreekpunt voor deze hernieuwbare-energieprojecten.
De Minister van Klimaat en Groene Groei blijft ook in het nieuwe kabinet het contactpunt
dat op verzoek van degene die een hernieuwbare-energieproject uitvoert, de procedure
begeleidt. Hierbij zijn twee voorwaarden van belang, dit geldt namelijk alleen wanneer
op het hernieuwbare-energieproject de projectprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet
van toepassing is en wanneer de Minister van Klimaat en Groene Groei bevoegd is om
het projectbesluit in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties vast te stellen.
3. Verhouding tot hoger recht
(23)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om te onderbouwen hoe artikel 16.53c,
derde lid, Omgevingswet (afzien van passende beoordeling) precies binnen de kaders
van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn en de afwijkingsmogelijkheden die REDIII
biedt, blijft. Kan de regering toelichten welke waarborgen in lagere regelgeving worden
opgenomen om strijd met Europees recht te voorkomen?
Artikel 16.53c, derde lid, van de Omgevingswet moet worden bezien in samenhang met
de specifieke regeling die de REDIII-richtlijn introduceert voor projecten voor hernieuwbare
energie binnen zogenoemde versnellingsgebieden. Deze regeling maakt het mogelijk om
op projectniveau af te zien van een afzonderlijke passende beoordeling, mits op planniveau
reeds een passende beoordeling is uitgevoerd en op projectniveau door middel van een
screening wordt vastgesteld dat geen sprake is van aanzienlijke onvoorziene effecten
op Natura 2000-gebieden. Indien die zekerheid op projectniveau niet kan worden verkregen,
blijft een passende beoordeling verplicht.
Daarmee wordt niet afgeweken van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, maar
wordt gebruik gemaakt van de ruimte die de Europese wetgever met REDIII expliciet
heeft gecreëerd om de beoordeling van effecten op Natura 2000-gebieden gedeeltelijk
naar het planniveau te verplaatsen. Het uitgangspunt van artikel 6, derde lid, blijft
daarbij onverkort gelden, namelijk dat toestemming voor een project alleen kan worden
verleend indien op basis van objectieve gegevens zekerheid is verkregen dat het project
de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In het Besluit
kwaliteit leefomgeving wordt deze systematiek nader uitgewerkt door beoordelingsregels
aan een Natura 2000-activiteit voor een hernieuwbaar-energieproject te stellen.
(24)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat grensoverschrijdende
milieueffecten (Verdrag van Espoo) niet buiten beeld raken bij toepassing van de screening,
mede gelet op artikel 16.53d, derde lid, Omgevingswet.
In het verdrag van Espoo is geregeld dat bij een project-mer of plan-mer van een project
met mogelijk aanzienlijke milieugevolgen in een ander land, het publiek en de autoriteiten
in dat andere land op gelijkwaardige wijze kunnen deelnemen aan de mer-procedure als
de burgers en organisaties in het land waar het project plaatsvindt.
De grensoverschrijdende milieueffecten raken bij een screening niet uit beeld. Dit
wordt gewaarborgd door het voorgestelde artikel 16.53d, derde lid, van de Omgevingswet
dat regelt dat projecten die mogelijk grensoverschrijdende milieueffecten hebben,
niet mogen worden vrijgesteld van de mer-(beoordelings)plicht. Bij de screening op
projectniveau wordt vervolgens gecontroleerd of er niet toch grensoverschrijdende
milieueffecten zijn waarvan bij de beoordeling op planniveau niet is gebleken.
Ieder land dat partij is bij het Verdrag van Espoo heeft een contactpunt aangesteld.
Dit zijn contactpersonen voor internationale kennisgevingen. In het geval van grensoverschrijdende
effecten zal de initiatiefnemer van het project de buurlanden hierover informeren.
4. Verhouding tot nationale regelgeving
4.1 Raakvlakken met bestaande wet- en regelgeving
(25)
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering verwacht dat de toevoeging van een
nieuw instrument niet tot een (aanzienlijke) versnelling zal leiden in de aanleg van
windparken. Kan de regering nader toelichting geven waardoor dit het geval is? Het
valt deze leden op dat de regering aangeeft dat bij projecten voor netwerk- en opslaginfrastructuur
er wel een versnelling zou kunnen worden verwacht. Waarin zit het verschil tussen
de aanleg van windparken en netwerk- en opslaginfrastructuur als het gaat om mogelijke
versnelling?
Het verschil in mogelijke versnelling zit erin dat de huidige praktijk voor de aanleg
van windparken op zee al zeer gestroomlijnd is. De meerwaarde van REDIII blijft echter
voor alle projecten zeer beperkt (zie ook antwoord op vraag (3) en (4)).
De regering verwacht geen (aanzienlijke) versnelling bij de aanleg van windparken
door de nieuwe instrumenten versnellingsgebieden en screening, omdat deze projecten
nu al via een uitgewerkt plan- en vergunningstelsel lopen (gebiedsaanwijzing, plan-MER
en kavelbesluiten) waarin veel van de mogelijke versnellingseffecten al zijn benut.
De tijdswinst van het vervallen van beoordelingsplichten op projectniveau lijkt beperkt,
omdat voor de realisatie van een windpark toch uitgebreide informatie nodig blijft
voor besluitvorming. De eventuele meerwaarde van de mogelijkheid van financiële compensatie
binnen versnellingsgebieden weegt voor windparken op zee niet op tegen de extra stappen
die met het aanwijzen van een versnellingsgebied geïntroduceerd worden. Bijvoorbeeld
een extra mogelijkheid voor beroep.
Voor netten op zee geldt het uitgewerkte plan- en vergunningstelsel met het kavelbesluit
niet. De beperkte meerwaarde die versnellingsgebieden bieden, zoals het vervallen
van de milieueffectrapportage op projectniveau en de mogelijkheid van financiële compensatie,
zou voor deze projecten dus wel kunnen gelden.
(26)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering waarom het wenselijk is een nieuw
instrument «screening hernieuwbare energie» te introduceren naast bestaande instrumenten
(MER-beoordeling, omgevingsplanregels, vergunningvoorschriften), mede gelet op het
streven van de Omgevingswet naar een beperkt aantal kerninstrumenten.
Het is gelet op een juiste omzetting van de EU-richtlijn niet mogelijk gebleken de
screening te integreren met bestaande instrumenten. De RED III plaatst deze figuur
bijvoorbeeld bewust naast de mer-beoordeling. Zie hiervoor ook de beantwoording op
vraag (5).
(27)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering of zij verwacht dat de verschuiving
van beroepszaken naar één instantie leidt tot kortere doorlooptijden of juist tot
zwaardere, complexere procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State. Kan de regering dit onderbouwen met scenario’s of ervaringscijfers uit vergelijkbare
stelsels?
Zie de beantwoording op vraag (8).
5. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen)
(28)
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering heeft gekozen voor een zuivere en
lastenluwe implementatie van de EU-richtlijn. De regering geeft aan dat de implementatie
de regeldruk voor initiatiefnemers van hernieuwbare-energieprojecten over het algemeen
niet zal veranderen en in specifieke gevallen juist zal verlagen. Kan de regering
nader toelichten in welke gevallen de regeldruk wordt verlaagd?
Voor projecten binnen versnellingsgebieden vervalt de projectmerplicht. Voorwaarde
is dan wel dat er voor het gebied een (uitgebreide) planmer is uitgevoerd. De planmer
wordt uitgevoerd door het bevoegd gezag. De initiatiefnemer hoeft geen projectmer
meer te doorlopen, en kan dus minder regeldruk worden ervaren. De verwachting is overigens
dat er in de praktijk geen gebruik gemaakt zal worden van versnellingsgebieden (zie
ook beantwoording van vraag (3) en (4)).
(29)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om de administratieve lasten voor
medeoverheden (planvorming, plan-MER, screening, motivering, monitoring) inzichtelijk
te maken en aan te geven hoe deze lasten zich verhouden tot de beoogde versnelling.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe initiatiefnemers
duidelijkheid krijgen over de eisen en doorlooptijden, en hoe wordt voorkomen dat
onzekerheid over (financiële) compensatie de investeringsbereidheid beperkt.
Samen met Vereniging Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg is getoetst
wat de effecten voor medeoverheden zijn. Gelet op de beperkte meerwaarde van REDIII
(zie beantwoording op vraag 3) en de verwachting dat er van de door de implementatie
van REDIII geboden mogelijkheden weinig tot geen gebruik zal worden gemaakt, is de
conclusie dat de implementatie van REDIII niet tot grotere lasten zal leiden. Deze
conclusie wordt opgenomen in de nota van toelichting bij de amvb.
Verder is de verwachting dat in de praktijk geen gebruik gemaakt zal worden van de
mogelijkheid natuurschade door het bevoegd gezag te laten compenseren (op kosten van
de initiatiefnemer) omdat hieraan te veel voorwaarden zijn verbonden. Zo kunnen bijvoorbeeld
alleen effecten gecompenseerd worden die bij het aanwijzen van het versnellingsgebied
nog niet bekend waren.
Initiatiefnemers kunnen op hun verzoek bij de procedure worden begeleid door een contactpunt
dat wordt uitgevoerd door de Minister van Klimaat en Groene Groei. Dit wanneer er
sprake is van een project waarop de projectprocedure van toepassing is en wanneer
de Minister van Klimaat en Groene Groei bevoegd is om het projectbesluit in overeenstemming
met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen. Het
contactpunt kan de initiatiefnemers op hun verzoek informeren over de eisen en doorlooptijden.
Initiatiefnemers waarvoor de projectprocedure niet van toepassing is op hun project
krijgen duidelijkheid over de eisen en doorlooptijden met het gebruikmaking van het
Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
6. Uitvoering
(30)
De leden van de VVD-fractie lezen dat de implementatie van REDIII zal zorgen voor
een verschuiving in de werklast van de Commissie mer. Welke gevolgen ziet de regering
voor de werklast van de Commissie mer door de uitgebreidere plan-MER? Ziet de regering
hier mogelijk knelpunten met de maximale beslistermijn? De leden van de VVD-fractie
lezen dat de uitvoering van de compensatie van de initiatiefnemer naar het bevoegd
gezag verschuift. Welke gevolgen zal deze verschuiving hebben voor de uitvoering van
een initiatiefvoorstel?
De verwachting is dat er geen versnellingsgebieden aangewezen zullen worden (zie beantwoording
vraag 13). De Commissie mer zal dus in de praktijk geen extra werklast ondervinden
als gevolg van dit wetsvoorstel. Overigens ziet de Commissie mer in de huidige praktijk
steeds vaker dat planmer en projectmer gecombineerd worden. In zekere zin is dit wat
REDIII beoogt – nog voordat REDIII geïmplementeerd is.
De verwachting is dat in de praktijk geen gebruik gemaakt zal worden van de (financiële)
compensatie door het bevoegd gezag, omdat hieraan te veel voorwaarden zijn verbonden.
(31)
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat de regering nog in gesprek is met
de decentrale overheden over de gevolgen van de implementatie. Op welke termijn worden
de gevolgen van de herziene richtlijn voor de decentrale overheden duidelijk? Wanneer
is het streven de algemene maatregel van bestuur (AMvB) met de Kamer te delen?
Samen met Vereniging Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg is getoetst
wat de effecten voor medeoverheden zijn. Gelet op de beperkte meerwaarde van REDIII
(zie beantwoording op vraag 3) en de verwachting dat er van de door de implementatie
van REDIII geboden mogelijkheden weinig tot geen gebruik zal worden gemaakt, is was
de conclusie dat de implementatie van REDIII niet tot grotere lasten zal leiden. Deze
conclusie wordt opgenomen in de nota van toelichting bij de amvb. Conform de gebruikelijke
procedure wordt de amvb bij de Tweede en Eerste Kamer voorgehangen zodra de delegatiegrondslagen
voor de amvb voldoende vast staan, namelijk nadat de Tweede Kamer akkoord is gegaan
met het wetsvoorstel. De concept amvb is in oktober 2025 ter internetconsultatie voorgelegd
en is te raadplegen via https://www.internetconsultatie.nl/rediii_vergunnen_amvb/b1.
(32)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering hoe het contactpunt hernieuwbare energie
organisatorisch wordt ingericht (mandaat, doorzettingsmacht, loketfunctie) en hoe
dit in de praktijk bijdraagt aan versnelling als het bevoegd gezag decentraal is.
De Minister van Klimaat en Groene Groei is het contactpunt voor projecten waarvoor
zij in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
bevoegd is om een projectbesluit vast te stellen. Voor overige projecten zijn decentrale
overheden het contactpunt, via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Hiermee wordt
aangesloten bij de bestaande loketfuncties, en wordt met dit wetsvoorstel geformaliseerd
(zie ook beantwoording op vraag (22).
7. Advies en consultatie
(33)
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering naar aanleiding van de internetconsultatie
de bevoegdheid voor het aanwijzen van versnellingsgebieden heeft uitgebreid met gemeenten.
Welke afweging heeft de regering gemaakt om de gemeenten te betrekken bij deze bevoegdheid
die eerst alleen bij het Rijk en de Provincies lag?
Het doorslaggevende argument was om hierin één van de uitgangspunten van de Omgevingswet
te volgen, namelijk het subsidiariteitsbeginsel. In artikel 2.3 van de Omgevingswet
is dit beginsel verankerd en het houdt in dat het bevoegd gezag zo decentraal mogelijk
belegd wordt. De regering heeft er met het wetsvoorstel voor gekozen om ook gemeenten
de bevoegdheid te geven versnellingsgebieden aan te wijzen en hiermee aan te sluiten
bij de systematiek en ontwerpkeuzes van de Omgevingswet.
(34)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering van mening is te voldoen
aan de adviezen van de Commissie mer om in de planfase voldoende (gedetailleerde en
brede) milieuonderzoeken uit te voeren, een afdoende toets te laten plaatsvinden of
het specifieke project past binnen de kaders van het plan en plan-milieueffectrapport
(MER) en vereiste mitigerende maatregelen te borgen? Ze vragen de regering om in een
helder overzicht aan te geven aan welke van deze aanbevelingen wel voldaan is en aan
welke niet, en in het laatste geval waarom niet?
De Commissie voor de milieueffectrapportage benadrukt in haar reactie het belang van
zorgvuldige besluitvorming waarbij het milieubelang volwaardig kan meewegen. Het vervallen
van de verplichting tot het doen van een mer voor projecten hoeft daar volgens de
Commissie niet aan in de weg te staan, mits in de planfase voldoende (gedetailleerde
en brede) milieuonderzoeken worden uitgevoerd, een afdoende toets plaatsvindt of het
specifieke project past binnen de kaders van het plan en plan-milieueffectrapport
(MER) en vereiste mitigerende maatregelen worden geborgd.
De regering onderkent het belang van een uitgebreid en gedetailleerd plan-milieueffectrapport.
Een project kan in een latere fase alleen door de screening komen als in de planfase
voldoende onderzoek gedaan is. Anders zal de screening immers uitwijzen dat er waarschijnlijk
toch nadelige effecten zijn en zal er alsnog een project-mer(beoordeling) gedaan moeten
worden. Dit volgt uit de wettelijke voorschriften. Het is aan het bevoegd gezag om
zorg te dragen dat de toetsing afdoende is, en om de mitigerende maatregelen in de
vergunning op te nemen en daarop te handhaven.
De Commissie twijfelt aan de versnelling die met dit wetsvoorstel behaald kan worden,
omdat zij meent dat het lastig zal zijn gebieden te vinden waar aanzienlijke milieueffecten
op planniveau kunnen worden uitgesloten. De regering deelt de mening van de Commissie
dat de implementatie van dit onderdeel van REDIII amper tot versnelling zal leiden
en verwacht dat er in de praktijk geen projecten gebruik zullen maken van de mogelijkheden
die de implementatie van REDIII versnellingsgebieden biedt (zie ook de beantwoording
van vraag (3), (4) en (13)).
Verder geeft de Commissie ter overweging dat de screening mogelijk erg lijkt op het
bestaande instrument van project-mer-beoordeling. Het is gelet op een juiste omzetting
van de EU-richtlijn niet mogelijk gebleken de screening te integreren met bestaande
instrumenten. De RED III plaatst deze figuur bewust naast de mer-beoordeling. In de
beantwoording op vraag (5) is hierop nader ingegaan.
(35)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voornemen is in een AMvB op
te nemen dat projecten na de screening een natuurvergunning krijgen, in plaats van
vergunningvrij door te mogen, op basis van de input van «diverse respondenten». Ze
vragen de regering een duidelijk overzicht te geven van wie deze respondenten precies
zijn.
Zowel initiatiefnemers die de zekerheid van een vergunning verlangen, als natuur-
en milieuorganisaties die een vergunningplicht wensen, als gemeenten, hebben in gesprekken
en bij de internetconsultatie aangegeven bezwaren te hebben als projecten na screening
vergunningvrij doorgang zouden kunnen vinden. Zie bijvoorbeeld de reactie van de Nederlandse
Vereniging Duurzame energie (NVDE) in het kader van de internetconsultatie, waarin
zij aangaf dat banken hernieuwbare-energieprojecten zonder vergunning niet financieren.10
(36)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of natuurverenigingen actief betrokken
waren bij het opstellen van de handreiking over financiële compensatie. Zo ja, welke
verenigingen?
Voor het opstellen van de handreiking voor financiële compensatie is onder andere
gesproken met Het Limburgs Landschap, de Vogelbescherming, Stichting de Noordzee en
Staatsbosbeheer. Zie voor een volledig overzicht van de betrokken instanties het achtergronddocument
bij de handreiking, bijlage 1.11
II Artikelsgewijze toelichting
Artikel I (Omgevingswet)
(37)
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat hoewel de richtlijn compensatie
onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag breder mogelijk maakt, namelijk voor
het compenseren van milieueffecten (waar natuureffecten deel van uitmaken), in dit
wetsvoorstel de toepassing beperkt wordt tot effecten op soorten en habitats. Zij
lezen dat de regering van mening is dat, anders dan milieueffecten, deze natuureffecten
zich goed lenen voor compensatie buiten het project. Deze leden vragen of de regering
hiermee bedoelt dat er bij dergelijke milieueffecten een project mogelijks niet kan
doorgaan doordat de mogelijkheid tot compensatie ontbreekt. Of bedoelt de regering
dat er wel met het project en de bijbehorende milieuschade wordt verdergegaan zonder
daar enige vorm van compensatie tegenover te zetten?
De regering bedoelt inderdaad dat een project met dergelijke milieueffecten niet kan
doorgaan, omdat de mogelijkheid tot compensatie ontbreekt.
Het idee van financiële compensatie volgens REDIII is dat nadelige effecten die niet
binnen het project zelf te vermijden, te mitigeren of te compenseren zijn, elders
gecompenseerd kunnen worden. Bij milieueffecten zoals bijvoorbeeld geluid is compensatie
elders niet mogelijk. Het project kan dan inderdaad niet doorgaan, omdat de mogelijkheid
tot compensatie ontbreekt.
De verwachting is dat er in de praktijk geen gebruik gemaakt zal worden van financiële
compensatie, omdat hier veel voorwaarden aan gebonden zijn. Bijvoorbeeld de voorwaarde
dat alleen effecten gecompenseerd kunnen worden die bij het aanwijzen van het versnellingsgebied
nog niet bekend waren. Het is echt een laatste redmiddel voor onvoorziene effecten.
(38)
De leden van de JA21-fractie-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe artikel
2.21b Omgevingswet zich verhoudt tot de taakverdeling uit artikel 2.3 Omgevingswet
en in welke gevallen het Rijk (via ministeriële regeling) een versnellingsgebied kan
aanwijzen dat normaliter tot de gemeentelijke of provinciale afwegingsruimte behoort.
In het antwoord op vraag (11) is reeds ingegaan op de taakverdeling en begrenzing
van de rol van de Minister van Klimaat en Groene Groei en de borging van decentrale
belangen. Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording op vraag (11).
Artikel III (Wet windenergie op zee)
(39)
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om toe te lichten hoe de screening
en de kostenheffing in de Wet windenergie op zee (artikel 12a) zich verhouden tot
de bestaande plan- en project-MER-systematiek voor het Programma Noordzee, kavelbesluiten
en netten op zee.
De screening en de grondslag om kosten daarvoor in rekening te brengen bij initiatiefnemers
zijn aanvullend op de bestaande plan- en besluitvorming voor windenergie op zee.
In de Wet windenergie op zee bestaat een gelaagde (milieubeoordelings)systematiek.
Op strategisch niveau wordt in het Programma Noordzee (onderdeel van het Nationaal
Waterprogramma) een plan-MER en passende beoordeling uitgevoerd bij de aanwijzing
van windenergiegebieden. Vervolgens wordt per windpark een kavelbesluit genomen, waarvoor
opnieuw een project-MER wordt opgesteld. Ook voor de infrastructuur (zoals netten
op zee en aanlanding op land) worden potentiële gebieden onderzocht op significante
effecten en mitigerende maatregelen.
Met dit wetsvoorstel wordt een instrument toegevoegd aan het huidige stelsel, namelijk
de mogelijkheid om versnellingsgebieden aan te wijzen binnen de gebieden die zijn
aangewezen als windenergiegebied. Binnen versnellingsgebieden vervangt de screening
in beginsel de project-MER-(beoordeling) en natuurtoets, mits effecten al op planniveau
zijn onderzocht. Bij windenergie op zee blijft echter een groot deel van de benodigde
milieu-informatie nodig voor het kavelbesluit. Daardoor kan de screening de bestaande
project-MER slechts beperkt vervangen. De procedure in de Wet windenergie op zee is
al sterk gestroomlijnd en bevat al overeenkomsten met de instrumenten uit de richtlijn.
De instrumenten «versnellingsgebied» en «screening» lijken daarom niet tot een (aanzienlijke)
versnelling te leiden voor windenergie op zee.
Artikelen IV en V
(40)
De leden van de JA21-fractie-fractie verzoeken de regering om te verduidelijken of
de samenloopbepalingen met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de
Wet versterking regie volkshuisvesting nog inhoudelijke effecten hebben op de uitvoering
van dit wetsvoorstel, of uitsluitend tekstueel van aard zijn.
De bepalingen die in de artikelen IV en V van het wetsvoorstel zijn opgenomen en die
de samenloop regelen tussen onderhavig wetsvoorstel, de Wet gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie en het wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting zijn uitsluitend
tekstueel van aard.
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
J. de Bat
Ondertekenaars
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.