Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 904 Wijziging van de Huisvestingswet 2014 en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1028 over het verzamelen en delen van gegevens met betrekking tot diensten voor kortetermijnverhuur
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 april 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de vaste commissie voor
Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening over dit wetsvoorstel heeft uitgebracht.
Ik dank de leden van de fracties voor de gestelde vragen, die ik in deze nota naar
aanleiding van het verslag beantwoord.
In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in
cursieve tekst en mijn beantwoording daarvan in niet-cursieve tekst. De volgorde van
de vragen in het verslag is aangehouden. De vragen zijn door mij genummerd. Mijn beantwoording
vindt u direct onder de desbetreffende vraag. In deze nota zijn vragen van gelijke
strekking waar mogelijk op één plek beantwoord of wordt verwezen naar het antwoord
op een vraag van gelijke strekking.
I. Algemeen
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van
de Huisvestingswet 2014 en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU)
2024/1028 over het verzamelen en delen van gegevens met betrekking tot diensten voor
kortetermijnverhuur en hebben geen verdere vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse het wetsvoorstel gelezen.
Deze leden zijn in beginsel positief over de verordening en over de Nederlandse uitvoeringswet.
Door de opkomst van de platformeconomie en toeristisch verhuur van woningen, nemen
in vooral grote steden de opties voor langdurige verhuur af, en stijgen de huur- en
huizenprijzen. Het is goed dat er nu regelgeving is die platformen dwingt om data
te delen met gemeenten, zodat er effectieve handhaving kan plaatsvinden en steden
grip kunnen krijgen op het sterk gegroeide toeristisch gebruik van woningen.
Wel hebben zij hierbij nog enkele vragen en opmerkingen over de handhavingscapaciteit
van gemeenten en toezichthouders.
De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel tot
wijziging van de Huisvestingswet 2014 en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening
(EU) 2024/1028 over het verzamelen en delen van gegevens met betrekking tot diensten
voor kortetermijnverhuur en hebben nog een aantal vragen voor de regering.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van
de Huisvestingswet 2014 en enkele andere wetten ter uitvoering van Verordening (EU)
2024/1028 over het verzamelen en delen van gegevens met betrekking tot diensten voor
kortetermijnverhuur. Deze leden merken op dat kortetermijnverhuur in Nederland in
toenemende mate onderdeel is geworden van het bredere debat over de woningmarkt, de
leefbaarheid van wijken en de rol van toerisme en economische ontwikkeling in steden
en dorpen. Voor de leden van de CDA-fractie staat voorop dat kortetermijnverhuur zowel
kansen als risico’s met zich meebrengt. Aan de ene kant kan het bijdragen aan toerisme,
lokale economische ontwikkeling en het benutten van bestaande woonruimte. Aan de andere
kant kan intensieve kortetermijnverhuur leiden tot druk op de woningvoorraad en tot
leefbaarheidsproblemen in wijken wanneer woningen structureel worden gebruikt voor
toeristische verhuur.
Deze leden benadrukken dat gemeenten in Nederland een centrale rol hebben bij het
reguleren van kortetermijnverhuur en het beschermen van woonwijken en woonruimte.
Gemeenten moeten kunnen sturen op de balans tussen wonen, toerisme en leefbaarheid,
passend bij de lokale situatie. Zij begrijpen dat het wetsvoorstel vooral beoogt gemeenten
beter inzicht te geven in kortetermijnverhuur via platforms door middel van een nationale
datastructuur. Tegelijkertijd vinden de leden van de CDA-fractie het van belang dat
gemeenten niet alleen inzicht krijgen, maar ook daadwerkelijk de mogelijkheid behouden
om lokaal beleid te voeren en daarop te handhaven. Inzicht alleen is niet voldoende.
Data is pas waardevol als gemeenten daar in de praktijk ook daadwerkelijk mee kunnen
sturen. Dat roept bij deze leden de vraag op in hoeverre het systeem gemeenten daadwerkelijk
voldoende handelingsperspectief biedt om ontwikkelingen rond kortetermijnverhuur te
beïnvloeden. Zij hebben hierover diverse vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel en hebben nog
enkele aanvullende vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden hebben op dit moment geen vragen.
2. Aanleiding
(1) De leden van de PVV-fractie willen aan de regering vragen hoeveel procent van alle
Nederlandse gemeenten momenteel een registratieplicht, vergunningplicht en nachtencriterium
hebben ingesteld.
Ongeveer 30 tot 35 gemeenten maken momenteel gebruik van de mogelijkheden die de Wet
toeristische verhuur van woonruimte (hierna: Wet toeristische verhuur) biedt.1 Een overzicht hiervan wordt momenteel bijgehouden op www.toeristischeverhuur.nl. Het verschilt per gemeente welke instrumenten er worden ingezet. De gemeenten Amsterdam,
Den Haag en Utrecht maken gebruik van alle instrumenten uit de genoemde wet.2
2.1. Context en achtergrond van nationale wet- en regelgeving op het gebied van toeristische
verhuur
(2) De leden van de BBB-fractie lezen dat online platforms gegevens zoals het aantal
verblijvende gasten en de verblijfsplaats van huurders moeten delen met het centraal
digitaal toegangspunt. Kan de regering nader onderbouwen waarom het noodzakelijk is
dat online platforms deze gegevens moeten verzamelen? (3) Hoe weegt de regering dit fundamentele recht op privacy van burgers af tegen het
doel van handhaving, aangezien er zelfs erkent wordt dat dit inzicht geeft in het
privéleven van bewoners en gasten?
Het is voor gemeenten van belang dat zij weten hoeveel gasten er zijn verbleven in
een bepaalde woning. Met de data die de platforms leveren over het aantal verbleven
gasten, kunnen gemeenten controleren of aan de voorwaarden die op grond van de Omgevingswet
gesteld zijn aan bijvoorbeeld brandveiligheid, is voldaan. Voor wat betreft het land
waar elke gast zijn verblijfplaats heeft, heeft de Europese Commissie aangegeven dat
zij dit wenselijk vindt voor statistische doeleinden. Omdat de Europese verordening
op dit punt de lidstaten geen beleidsruimte biedt, kan hier in onderhavig wetsvoorstel
niet van worden afgeweken.
(4) Deze leden lezen dat de aanleiding voor deze verordening de bezorgdheid over de afnemende
beschikbaarheid van woningen en stijgende huurprijzen door platformverhuur is. Kan
de regering toelichten in hoeverre dit probleem daadwerkelijk speelt in krimpregio’s
en agrarische gebieden, waar toeristische verhuur (zoals kleinschalige B&B’s op boerderijen)
juist een essentiële nevenactiviteit is voor het economisch voortbestaan van het platteland.
Kan de regering concreet toelichten op welke wijze deze regelgeving daadwerkelijk
bijdraagt aan het verminderen van het woningtekort? (5) Welke meetbare effecten verwacht de regering op de beschikbaarheid van woningen voor
langdurige bewoning, en op welke termijn zouden deze effecten zichtbaar moeten zijn?
Uit de huidige Wet toeristische verhuur volgt3 dat gemeenten naast het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten
van schaarste aan woonruimte het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving als
overweging kunnen gebruiken om tot regulering van toeristische verhuur over te gaan.
Deze grondslag is noodzakelijk zodat ook gemeenten in bijvoorbeeld krimpregio’s of
kustgebieden waar weinig schaarste aan woonruimte bestaat, maar mogelijk wel leefbaarheidsproblemen
bestaan door overmatige verhuur van woningen aan toeristen, daar waar dat noodzakelijk
is tot regulering kunnen overgaan. De effecten op de beschikbaarheid van woningen
zullen worden meegenomen bij de evaluatie van de Wet toeristische verhuur en onderhavig
wetsvoorstel. Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen zal ik deze evaluatie vóór
1 januari 2028 dienen uit te voeren.4 Daarbij zal ik ook aandacht hebben voor de effecten van de wet op buitengebieden.
(6) Zij lezen dat de verzamelde verhuurdata door gemeenten mag worden gebruikt voor toezicht
op de Omgevingswet, specifiek op het gebied van veiligheid en gezondheid. Kan de regering
uitsluiten dat deze data-uitwisseling als een «achterdeur» wordt gebruikt om de permanente
bewoning van recreatiewoningen op te sporen en te handhaven, in plaats van het bestrijden
van overlast door toeristen?
De Wet toeristische verhuur geeft gemeenten de instrumenten om toeristische verhuur
van woonruimte te reguleren. Of gemeenten dit instrumentarium kunnen inzetten ten aanzien van recreatiewoningen
hangt daarmee af van de vraag of een individuele recreatiewoning een woonruimte is.5 Het moet dan gaan om een 1) een besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een
of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden of
2) een standplaats. Het ligt daarmee aan de lokale feiten en omstandigheden of een
individuele recreatiewoning voldoet aan het begrip woonruimte. Daarbij dient zowel
de bestemming als het feitelijk gebruik worden beoordeeld. Mocht een recreatiewoning
worden aangemerkt als woonruimte, dan is het vervolgens aan de individuele gemeenteraden
om te besluiten of ze toeristische verhuur in de recreatiewoning willen reguleren.
De individuele gemeenteraad kan hier maatwerk op toepassen. Wel merk ik op dat zolang
een recreatiewoning niet wordt verhuurd aan toeristen, er vanuit het centraal digitaal
toegangspunt over deze recreatiewoning geen data wordt verstrekt.
2.2. De Europese verordening kortetermijnverhuur
(7) De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de Europese verordening voorschrijft dat
lidstaten een nationaal digitaal toegangspunt inrichten voor gegevensuitwisseling
met platforms. Deze leden vragen hoe bij de nationale inrichting van dit systeem wordt
geborgd dat gemeenten – die verantwoordelijk zijn voor het lokale beleid en de handhaving
rond kortetermijnverhuur – daadwerkelijk beschikken over de gegevens die zij nodig
hebben om te sturen op hun lokale situatie.
Gemeenten die hierom vragen krijgen de data uit het centraal digitaal toegangspunt
verstrekt. Dit volgt uit de verordening kortetermijnverhuur. Met deze data kunnen
gemeenten ervoor kiezen om bij overtreding van de lokale regels over toeristische
verhuur uit de huisvestingsverordening handhavend op te treden. Hoe dit in de praktijk
vorm krijgt, licht ik toe in de beantwoording van de vragen 25 en 26.
(8) De leden van de BBB-fractie lezen dat de Nederlandse Huisvestingswet 2014 spreekt
over «woonruimte», terwijl de Europese verordening het bredere begrip «eenheden» hanteert.
Kan de regering garanderen dat kleinschalige recreatieve objecten op het platteland,
zoals omgebouwde stallen, pipowagens of B&B-kamers op boerderijen, niet onbedoeld
onder het regime van de Huisvestingswet 2014 vallen als zij strikt genomen geen zelfstandige
«woonruimte» zijn?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 van de BBB-fractie kan ik aangeven dat eenheden die niet kwalificeren als woonruimte als bedoeld in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 niet onderworpen kunnen worden
aan de regels in de lokale huisvestingsverordening over toeristische verhuur van woonruimte.
Ik kan in generieke zin niet voor elke omgebouwde stal, pipowagen of B&B-kamer op
boerderijen aangeven of er sprake is van woonruimte. Dit is afhankelijk van de concrete
omstandigheden en ter beoordeling van de gemeente waar deze eenheden zich bevinden.
Hierbij zijn zowel de publiekrechtelijke bestemming vanuit ruimtelijke ordening als
de beoordeling of de eenheid geschikt is voor bewoning door een huishouden relevant.
(9) Hoe wordt voorkomen dat gemeenten deze wet gebruiken om de toeristische sector in
het buitengebied te frustreren?
Ik deel uw mening dat toerisme in het buitengebied van belang is. De Wet toeristische
verhuur geeft gemeenten enkel instrumentarium om toeristische verhuur van woonruimte
te reguleren. Andere vormen van toerisme blijven buiten het toepassingsbereik van
die wet. Het is vervolgens aan de individuele gemeenteraden om in de lokale huisvestingsverordening
te bepalen of, en op welke wijze, toeristische verhuur wordt gereguleerd. Daarbij
kan ervoor worden gekozen om bepaalde (geografische) gebieden expliciet aan te wijzen
of juist uit te zonderen wat betreft het toepassingsbereik van de regels.
3. Inhoud van het wetsvoorstel
3.1. Algemeen
(10) De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt gewaarborgd dat de voorgestelde verplichtingen
niet leiden tot een onevenredige toename van administratieve lasten.
Ik begrijp de zorg dat nieuwe verplichtingen kunnen leiden tot extra administratieve
lasten. Tegelijkertijd is het uitgangspunt van de verordening kortetermijnverhuur
júist om bestaande versnippering en uiteenlopende nationale verplichtingen binnen
de Europese Unie te vervangen tot een geharmoniseerd en gestandaardiseerd systeem.
Uit de regeldrukanalyse van de Europese Commissie blijkt dat de huidige situatie leidt
tot aanzienlijke kosten voor online platforms door uiteenlopende dataverzoeken. Door
standaardisatie en het centraal digitaal toegangspunt wordt beoogd deze lasten te
verminderen. Daarnaast geldt dat ook voor gemeenten sprake is van lastenverlichting.
In de huidige situatie hebben gemeenten vaak moeite om betrouwbare en volledige data
te verkrijgen en zijn zij aangewezen op arbeidsintensieve en kostbare methoden. Denk
hierbij aan het handmatig verzamelen en verifiëren van gegevens. De verordening voorziet
in het oprichten van een centraal digitaal toegangspunt en gestandaardiseerde datadeling.
Hierdoor krijgen gemeenten op een efficiëntere wijze toegang tot de benodigde gegevens
voor toezicht en handhaving. Dit draagt bij aan een effectievere uitvoering van lokaal
beleid met minder uitvoeringslasten.
(11) De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat gemeenten straks
wel beschikken over meer gegevens over kortetermijnverhuur, maar in de praktijk slechts
beperkt handelingsperspectief hebben om op basis van deze gegevens daadwerkelijk te
sturen. Kan de regering toelichten hoe bij de inrichting en werking van het systeem
wordt geborgd dat de beschikbaarheid van gegevens ook daadwerkelijk leidt tot effectievere
mogelijkheden voor gemeenten om in te grijpen wanneer woningen structureel worden
onttrokken aan de woonfunctie of wanneer leefbaarheidsproblemen ontstaan in wijken?
De data die online platforms voor toeristische verhuur moeten leveren aan het centraal
digitaal toegangspunt is behulpzaam bij handhaving. Zo moeten de platforms het daadwerkelijk
aantal verhuurde nachten per adres doorgeven. Hiermee kan een gemeenten nagaan of
een verhuurder zich aan het in die gemeente gestelde maximumaantal verhuringen of
de meldplicht heeft gehouden. Indien op grond van de geleverde data blijkt dat een
verhuurder de lokale regels heeft overtreden kan de gemeente richting die verhuurder
optreden. Als gevolg van het wetsvoorstel ontstaat dus juist een goed handelingsperspectief
voor gemeenten om doelmatig het toezicht en de handhaving vorm te geven.
(12) Deze leden vragen op welke wijze de regering wil volgen of het systeem daadwerkelijk
bijdraagt aan het beschermen van woonwijken en de woningvoorraad. Hoe wordt gemonitord
of gemeenten de ontvangen gegevens daadwerkelijk kunnen benutten voor toezicht, handhaving
en beleidssturing?
De effecten op de beschikbaarheid van woningen zullen worden meegenomen bij de evaluatie
van de huidige Wet toeristische verhuur en dit wetsvoorstel. Daarbij zal ik ook aandacht
hebben voor de effecten van de wet op de leefbaarheid en in welke mate de ontvangen
data een bijdrage heeft geleverd voor het toezicht en de handhaving.
(13) De leden van de BBB-fractie lezen dat het wetsvoorstel verhuurders verplicht om bij
de aanvraag van een registratienummer extra gegevens aan te leveren, zoals het telefoonnummer
en het aantal bedden. Hoe verhoudt deze extra administratieve last zich tot de belofte
van deze regering om de regeldruk voor ondernemers te verminderen?
Ik begrijp de vraag naar de verhouding tussen de aanvullende informatieverplichtingen
en de ambitie om de regeldruk te beperken. De aanvullende gegevens, zoals het telefoonnummer
en het aantal bedden, vloeien rechtstreeks voort uit de Europese verordening. De verordening
geeft de lidstaten op dit punt geen ruimte om hiervan af te wijken. Het betreft hier
verder een minimale handeling voor de aanvrager om in te vullen. Deze gegevens zijn
bedoeld zodat gemeenten het toezicht en de handhaving effectiever in kunnen regelen
en gemeenten beter inzicht te bieden in het gebruik van woonruimten.
3.2. Verplichtingen voor aanbieders, onlineplatforms en overheidsinstanties
3.2.1. Verplichtingen voor aanbieders van toeristische verhuur (verhuurders)
(14) De leden van de VVD-fractie vragen waarom aanvullende gegevens zoals een telefoonnummer
en het aantal bedden noodzakelijk is.
Zie het antwoord op vraag 13 van de BBB-fractie.
(15) Ook vragen deze leden hoe kan worden voorkomen dat kleine verhuurders disproportioneel
worden geraakt, o.a. ook door extra lasten en administratie. Daarbij vragen zij of
er onderscheid wordt gemaakt tussen commerciële en incidentele verhuurders, en of
schaalgrootte wordt meegenomen.
Voor verhuurders doet het niet ter zake of ze vaak of incidenteel verhuren. Een registratienummer
hoeft een verhuurder maar één keer aan te vragen en staat dus los van het aantal verhuringen
aan toeristen. Het enige wat hieraan wordt toegevoegd is dat verhuurders een telefoonnummer
en het aantal bedden moeten opgeven bij de eenmalige registratieverplichting. Enig
onderscheid tussen commerciële en incidentele verhuurders doet in die context niet
ter zake.
3.2.2. Verplichtingen voor online platforms
(16) De leden van de BBB-fractie lezen dat verhuurders worden verplicht hun gegevens te
actualiseren bij elke «wezenlijke verandering». Kan de regering garanderen dat dit
niet leidt tot onnodige bureaucratie en handhavingsverzoeken voor ondernemers die
bijvoorbeeld incidenteel een extra bed bijplaatsen voor gasten?
Het wetsvoorstel gaat niet (meer) uit van een actualiseringsplicht bij elke «wezenlijke
verandering». Dit is naar aanleiding van het advies van het Adviescollege Toetsing
Regeldruk gewijzigd. De actualiseringsplicht geldt nu enkel in de gevallen waarin
de Europese verordening actualisering verplicht stelt in artikel 5, vierde lid. Het
gaat hier bijvoorbeeld om een wijziging van het adres, het type woonruimte of het
aantal bedden. Het is logisch dat deze wijziging moet worden doorgegeven aan de gemeente
omdat dit belangrijke informatie is over de activiteit van toeristische verhuur. Onderhavig
wetsvoorstel bevat overigens de uitvoering van de Europese verordening in de Nederlandse
wetgeving. Van deze verordening kan niet worden afgeweken omdat die directe werking
heeft en de verordening de lidstaten op dit onderwerp geen beleidsruimte biedt om
eigenstandige keuzes te maken.
3.2.3. Verplichtingen voor de Rijksoverheid
(17) De leden van de VVD-fractie lezen dat er een centraal digitaal toegangspunt zal worden
ingericht. Daartoe hebben deze leden nog enkele vragen. Zo vragen zij wat de risico’s
zijn van vertraging of kostenoverschrijding bij de ontwikkeling van dit toegangspunt
en welke fallback-optie er bestaat indien het systeem niet tijdig operationeel is.
(18) Daarbij vragen de leden van de VVD-fractie ook hoe cybersecurity en databeveiliging
worden geborgd.
De bouw van het centraal digitaal toegangspunt loopt op schema. Sinds december 2025
is het gereed voor de belangrijkste taak: het ontvangen van activiteitsgegevens die
online verhuurplatforms vanaf de ingangsdatum van de wet zullen moeten verstrekken.
Daarbij was geen sprake van kostenoverschrijding. Ook bij de doorontwikkeling die
momenteel plaatsvindt is op dit moment geen sprake van kostenoverschrijding. Bij het
ontwerp en de bouw is vanaf het begin rekening gehouden met aspecten van toegangsbeveiliging
en databeveiliging. De code is open source beschikbaar gesteld en voor iedereen in te zien. De Europese Commissie heeft de code
en ontwerp van het Nederlandse centraal digitaal toegangspunt in januari 2026 bestempeld
als referentiesysteem voor alle EU-lidstaten. De code wordt sindsdien door diverse
landen en online verhuurplatforms actief gereviewd. Een aantal lidstaten gebruikt delen of de gehele code voor hun eigen landelijke
implementatie.
(19) De leden van de VVD-fractie vragen welke privacyrisico’s samenhangen met het genereren
van openbare lijsten.
Op het centraal digitaal toegangspunt zullen twee soorten lijsten worden gepubliceerd.
Ten eerste een lijst van gebieden binnen gemeenten waar een registratieprocedure voor
toeristische verhuur van toepassing is. Ten tweede een lijst van gebieden waarvoor
gemeenten gegevens hebben opgevraagd bij het centraal digitaal toegangspunt. Beide
lijsten bevatten geen tot een persoon herleidbare gegevens. Van persoonsgegevens is
daarmee geen sprake. Verder zal een openbaar register worden bijgehouden met alle
registratienummers. Het registratienummer is echter zo vormgegeven dat het nummer
alleen voor de gemeente herleidbaar is naar de aanvrager en het adres van de woonruimte
die voor toeristische verhuur wordt aangeboden. Dit is nodig voor toezicht en handhaving.
Voor derden is dit niet herleidbaar. Dit is zo vastgelegd in het Besluit registratie
toeristische verhuur van woonruimte. Hiermee wordt de privacy van verhuurders beschermd.
(20) De leden van de BBB-fractie lezen dat kleine- en micro-onlineplatforms verhuurdata handmatig moeten delen, wat wordt geschat op € 600 per kwartaal.
Erkent de regering dat deze kosten vaak worden doorberekend aan de verhuurders, waardoor
de concurrentiepositie van kleinschalige, regionale boekingssites die specifiek gericht
zijn op plattelandstoerisme onder druk komt te staan?
Ik zie hier geen risico dat dergelijke platforms onder druk komen te staan. Dit vanwege
het geringe bedrag dat door de Europese Commissie is ingeschat aan kosten per kwartaal
(600 euro) en omdat er een laagdrempelige tool wordt ontwikkeld voor kleine of micro-platforms6 die handmatig de data willen aanleveren aan het centraal digitaal toegangspunt.
4. Gevolgen
4.1. Algemeen
(21) De leden van de BBB-fractie lezen dat hoewel de verordening spreekt over «vrijstellingen»
voor kleine platforms, de verplichtingen voor de individuele verhuurder (zoals de
boer met een kleine camping) onverminderd groot blijven. Waarom heeft de regering
niet gezocht naar een drempelwaarde voor kleinschalige ondernemers (bijvoorbeeld een
maximaal aantal nachten per jaar), zodat zij niet worden opgezadeld met dezelfde registratie-
en actualiseringsplichten als grote commerciële beleggers in steden?
De introductie van een drempelwaarde zou ingaan tegen de Europese verordening en is
daarom niet toegestaan. Gemeenten kunnen de instrumenten uit de Wet toeristische verhuur
inzetten om toeristische verhuur te reguleren met het oog op het behoud of de samenstelling
van de woonruimtevoorraad of het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving. Als
daar lokaal noodzaak toe is kan de gemeenteraad kiezen om toeristische verhuur te
reguleren. Gelet hierop maakt het weinig uit of een woonruimte wordt verhuurd door
een kleinschalige of een grootschalige ondernemer. Het aantal woonruimten dat binnen
een gebied voor toeristische verhuur wordt verhuurd is meer relevant. Indien onderhavig
wetsvoorstel wordt aangenomen, zal ik bij de evaluatie bezien of de uitvoeringslasten
voor individuele verhuurders nog passend zijn.
4.2. Gevolgen voor onlineplatforms
(22) De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij de inrichting van het systeem wordt voorkomen
dat de administratieve lasten voor platforms onnodig toenemen.
De verordening ziet op een op Europees niveau geharmoniseerde en gestandaardiseerde
eenmalige registratieverplichting. In de huidige situatie zijn er binnen de Europese
Unie versnipperde en uiteenlopende nationale en lokale verplichtingen. Het doel van
de verordening is om dit te harmoniseren om onder andere te voorkomen dat online platforms
moeten werken met verschillende formats, frequenties en procedures. Nieuw daarbij
is de verplichting dat platforms verhuurdata moeten delen. Deze gegevens zullen via
het centraal digitaal toegangspunt op een uniforme en grotendeels geautomatiseerde
wijze worden gedeeld. Hiermee wordt beoogd dat de verplichtingen voor platforms proportioneel
en uitvoerbaar blijven. Tegelijkertijd wordt voorzien in de benodigde data voor toezicht
en handhaving door gemeenten.
4.3. Gevolgen voor burgers
(23) De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre dit wetsvoorstel bijdraagt aan de
betaalbaarheid van woningen, en of het risico bestaat dat aanvullende regulering juist
leidt tot een afname van het beschikbare aanbod.
De betaalbaarheid van woningen is van veel factoren afhankelijk en het effect van
deze regels is daarmee niet goed inzichtelijk te maken. De beschikbaarheid van woningen,
met andere woorden of er woningen als gevolg van dit wetsvoorstel zijn toegevoegd
aan de reguliere voorraad, is daarentegen eenvoudiger te onderzoeken. In de evaluatie
zal ik aandacht geven welke gevolgen het wetsvoorstel heeft voor de beschikbaarheid
van woningen. Van de gemeente Amsterdam heb ik al wel begrepen dat het aanbod van
advertenties significant is gedaald na de invoering van de Wet toeristische verhuur
en dat grootschalige illegale verhuur aan toeristen is ingeperkt. Hoewel exacte cijfers
ontbreken, ligt het in de rede dat dergelijke woningen weer aan de woningvoorraad
zijn toegevoegd. Ik zal hier aandacht aan besteden in de genoemde evaluatie.
(24) Voorts vragen deze leden in hoeverre de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben
voor arbeidsmigranten, die veelal afhankelijk zijn van tijdelijke en flexibele huisvesting,
en of het risico bestaat dat deze groep hierdoor moeilijker woonruimte kan vinden.
Gemeenten die toeristische verhuur reguleren kunnen naast de eenmalige registratieverplichting
ervoor kiezen het aantal nachten dat een woonruimte aan toeristen mag worden verhuurd
te beperken. De gemeente moet dit onderbouwen vanuit het perspectief van schaarste
of leefbaarheid. Dit kan een legitieme beperking zijn op hoe vaak een woning beschikbaar
is voor toeristen. Dit volgt uit de Wet toeristische verhuur die sinds 1 januari 2021
in werking is getreden. De Europese verordening en voorliggend wetsvoorstel brengen
hier geen verandering in.
4.4. Gevolgen voor het Rijk en decentrale overheden
(25) De leden van de CDA-fractie vragen hoe het proces er in de praktijk uit zal zien
wanneer een gemeente signalen uit de data ontvangt die mogelijk duiden op overtreding
van lokale regels rond kortetermijnverhuur. (26) Welke stappen kan een gemeente vervolgens zetten en welke bevoegdheden kan zij daarbij
inzetten?
Het college van B&W van een gemeente die in de lokale huisvestingsverordening regels
heeft gesteld om toeristische verhuur van woonruimte te reguleren, kan het centraal
digitaal toegangspunt verzoeken om gegevens uit het centraal digitaal toegangspunt
te ontvangen. Via deze gegevensdeling ontvangt het college onder andere het aantal
nachten waarvoor een eenheid wordt gehuurd en het aantal gasten waaraan de eenheid
per nacht is verhuurd. Met deze data kan het college vervolgens nagaan of een verhuur
blijft binnen de lokale regels over het aantal nachten dat per jaar mag worden verhuurd.
Hetzelfde geldt voor de naleving van de meldplicht. Indien dit niet het geval is,
kan de gemeente ervoor kiezen om te handhaven op deze lokale regels. Dit kan in de
vorm van een last onder dwangsom, een last onder bestuursdwang of een bestuurlijke
boete. Het is aan de individuele gemeente om haar eigen handhavingsbeleid vorm te
geven.
5. Uitvoering, toezicht en handhaving
5.1. Toezicht en handhaving door gemeenten
(27) Hoewel de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie positief zijn dat gemeenten extra
handvatten krijgen om te handhaven op illegaal gebruik van woningen, vragen deze leden
zich wel af of gemeenten genoeg capaciteit hebben om de extra taken uit te voeren
die zij krijgen. Is geïnventariseerd of gemeenten genoeg capaciteit hebben om toezicht
te houden op de naleving van deze verordening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam
er uit deze inventarisatie?
Met het wetsvoorstel kan een gemeente het toezicht en de handhaving juist efficiënter
inrichten om excessen te bestrijden. Zie ook het antwoord op vraag 11. Daarnaast krijgt de gemeente de bevoegdheid een registratienummer op te schorten
indien de aanbieder op verzoek van de gemeente geen aanvullende informatie verstrekt
indien dat noodzakelijk blijkt. Met het wetsvoorstel kan een meer sluitend systeem
in de handhaving worden toegepast waarmee een betere balans tussen wonen en toerisme
kan worden bewerkstelligd enerzijds en anderzijds kan het gevolg hiervan zijn dat
een gemeente hiervoor meer capaciteit vrij zou moeten maken. Het is aan de gemeente
om een afweging te maken tussen de inzet van ambtelijke capaciteit en de genoemde
balans tussen wonen en toerisme.
(28) Voorts merken zij op dat de kosten voor gemeenten die nog geen registratiesysteem
hebben en willen aansluiten bij het centraal digitaal toegangspunt, worden geschat
op € 30.000, en de jaarlijkse onderhoudskosten op € 36.000. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
hebben gelezen dat het Rijk deze verbindingskosten op het datadeelsysteem niet voor
de gemeenten vergoedt. Deze leden vragen de regering waarom het Rijk niet bereid is
hiertoe, gezien de enorme bezuinigingen op gemeenten en oplopende tekorten bij gemeenten.
Gemeenten kunnen gebruik maken van de instrumenten uit de Wet toeristische verhuur
maar dit is geen verplichting. Het is aan de gemeente om afhankelijk van de lokale
omstandigheden te bepalen of toeristische verhuur in woningen moet worden gereguleerd.
Hierbij maakt de gemeente een afweging tussen kosten en capaciteit enerzijds en het
reguleren en daarvan te verwachten effect anderzijds.
(29) De leden van de CDA-fractie vragen hoe de verhouding wordt ingericht tussen het nationale
digitale toegangspunt en de registratiesystemen die gemeenten zelf hanteren. Hoe verhouden
deze systemen zich technisch en organisatorisch tot elkaar?
In de Wet toeristische verhuur is de verantwoordelijkheid voor de registratiesystemen
waarin verhuurders een registratienummer kunnen aanvragen bij de gemeenten neergelegd.
In het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld de verantwoordelijkheid voor het
nieuw op te richten centraal digitaal toegangspunt bij mijn ministerie neer te leggen.
Daarmee zijn het centraal digitaal toegangspunt en de registratiesystemen organisatorisch
van elkaar gescheiden. Technisch gesproken functioneren het nationale centraal digitaal
toegangspunt en de registratiesystemen onafhankelijk van elkaar. Het centraal digitaal
toegangspunt krijgt een automatische koppeling (een zogeheten API) met de lokale registratiesystemen.
(30) Deze leden vragen voor welke concrete doeleinden gemeenten de gegevens uit het nationale
datapunt mogen gebruiken. In hoeverre mogen gemeenten deze gegevens inzetten voor
toezicht en handhaving op lokale regels rond kortetermijnverhuur, zoals vergunningplicht
of maximumaantallen verhuurdagen? (31) Zij vragen of gemeenten de ontvangen gegevens mogen koppelen aan andere gemeentelijke
gegevensbestanden, bijvoorbeeld registratiesystemen of vergunningadministraties, voor
zover dit nodig is voor toezicht en handhaving.
Gemeenten mogen de data uit het centraal digitaal toegangspunt gebruiken voor 1) het
toezicht op de naleving van de registratieplicht, het nachtencriterium en de meldplicht
en het vergunningsstelsel, 2) het toezicht op de naleving van de krachtens artikel
4.3 van de Omgevingswet gegeven voorschriften vanuit het oogpunt van veiligheid, gezondheid
en bruikbaarheid van de woonruimte en 3) de heffing en invordering van de toeristenbelasting.
Mits gemeenten binnen deze drie doeleinden blijven, mogen zij de data gebruiken op
een wijze die hen het meest doelmatig voorkomt.
(32) De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze gemeenten de gegevens uit het systeem
kunnen gebruiken om te sturen op druk op de woningvoorraad. In hoeverre biedt het
systeem gemeenten inzicht in de mate waarin woningen structureel aan de woningvoorraad
worden onttrokken door toeristische verhuur? (33) Deze leden vragen hoe gemeenten de gegevens uit het systeem kunnen gebruiken bij
het aanpakken van leefbaarheidsproblemen in wijken waar veel kortetermijnverhuur plaatsvindt.
Hoe ziet de regering voor zich dat gemeenten met behulp van deze gegevens daadwerkelijk
kunnen sturen op ontwikkelingen in wijken waar de druk op de leefbaarheid toeneemt?
(34) Zij vragen welke beperkingen gelden voor gemeenten bij het gebruik van deze gegevens
voor toezicht en handhaving.
Gemeenten kunnen uit het centraal digitaal toegangspunt data ontvangen over welke
woonruimte, wanneer en voor hoeveel nachten is verhuurd. Dit geeft gemeenten inzicht
in de mate waarin woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken. Dit is een grote
meerwaarde ten opzichte van de huidige wetgeving waarin gemeenten alleen de meldingen
die verhuurders zelf hebben gedaan ontvangen. Die meldingen zijn meer fraudegevoelig
dan de data afkomstig uit het centraal digitaal toegangspunt die immers wordt aangeleverd
door de platforms. De doelen waarvoor deze data mag worden gebruikt zijn vanwege de
proportionaliteit expliciet opgenomen in de wet. Zie hiervoor verder de beantwoording
van de vragen 30 en 31.
(35) De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij de verdere inrichting van het systeem
wordt geborgd dat gemeenten voldoende betrokken blijven bij de ontwikkeling van de
dataverzameling en gegevensuitwisseling.
Ik ben doorlopend in gesprek met gemeenten die zijn aangesloten op het huidige registratiesysteem
en neem hen mee in de verdere ontwikkelingen van het centraal digitaal toegangspunt
en op welke wijze zij daar technisch bij kunnen aansluiten. Voor gemeenten die mogelijk
interesse hebben en gemeenten die reeds zijn aangesloten worden er daarnaast voorlichtingssessies
georganiseerd. Daarnaast kunnen de gemeenten de code en documentatie van het centraal
digitaal toegangspunt indien gewenst zelf inzien.
5.2. Toezicht en handhaving door de ACM en ILT
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het toezicht op de verplichtingen
voor online platforms wordt belegd bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de
Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Deze leden vragen zich af wat dit betekent
voor de uitvoeringspraktijk. Zij lezen dat bij de ACM nu 1 fte wordt vrijgemaakt,
bij de ILT 2 fte en bij het Ministerie van Volkshuisvesting en ruimtelijke Ordening
(VRO) 1 fte voor de nieuwe toezichthoudende werkzaamheden. (36) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om uit te leggen waarom
wordt verwacht dat enkele personen deze toezichthoudende taken kunnen vervullen.
De reden dat het toezicht- en handhaving naar verwachting met een beperkt aantal fte’s
kan worden uitgevoerd is dat het hier gaat om bepalingen die zien op de (technische)
inrichting van platforms en de uitwisseling van gegevens tussen platforms, het centraal
digitaal toegangspunt en gemeenten. Het toezicht hierop kan grotendeels technisch
worden ingeregeld. Indien een platform niet voldoet aan het delen van data met het
centraal digitaal toegangspunt zullen de gemeenten deze data niet ontvangen. Dit kan
gemeld worden waarna de ILT vervolgens kan verifiëren of er inderdaad geen data is
geleverd door platforms met behulp van het centraal digitaal toegangspunt en bezien
of handhavend opgetreden zal moeten worden. In zoverre is sprake van reactief gestuurd
toezicht. Verder is het toezicht grotendeels binair; er is data gedeeld of niet. Er
is in die zin dan ook weinig beoordelingsruimte. Dit betekent dat toezicht beperkte
inzet van mensen met zich brengt, hetgeen het beperkte aantal fte’s verklaart. Daarnaast
heeft de Europese Commissie in de verordening de keuze gemaakt het toezicht op de
uitvoering van artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van de verordening kortetermijnverhuur
te laten lopen via de bestaande kaders van het toezicht op de digitale dienstenverordening
(DSA). Het gaat hier – kort gezegd – om 1) het toezicht op de verplichting voor platforms
om de online interface zodanig in te richten dat verhuurders voorafgaand aan het aanbieden
van woonruimte verklaren of een registratieplicht geldt en, indien dat het geval is,
een registratienummer te verstrekken en te vermelden in de advertentie alvorens kan
worden overgegaan tot verhuur en hierop steekproefsgewijze controles uit te voeren
en 2) het toezicht op de verplichting voor platforms om alles in het werk te stellen
om te beoordelen of eigen verklaringen van verhuurders volledig zijn, op voorwaarde
dat de beoordeling hiervan op evenredige wijze kan worden uitgevoerd met behulp van
het instrumenten die het centraal digitaal toegangspunt biedt. Dit toezicht is reeds
bij de ACM belegd. In zoverre betekent dit dat er geen uitbreiding van toezichthoudende
taken ontstaat.
(37) Deze leden merken op dat gemeenten die ervaring hebben met het handhaven op deze
platforms, aangeven dat er een groot risico is dat platforms weigeren mee te werken
of dat platforms proberen onder hun datadeelplicht uit te komen. (38) Zij vragen de regering of met dit feit rekening is gehouden bij het in kaart brengen
van de uitvoeringspraktijk, en of er voldoende capaciteit wordt vrijgemaakt om niet
meewerkende platforms tot meewerken te bewegen. Is de aanvullende uitvoeringstoets
al uitgevoerd en afgerond? Zo nee, wanneer wordt deze verwacht? Zo ja, wat waren de
resultaten?
Zoals in paragraaf 6.4.1 van de memorie van toelichting op het wetsvoorstel reeds
is aangekondigd, heeft de ACM een nieuwe uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets
(UHT) uitgevoerd. Deze zend ik uw Kamer gezamenlijk met deze nota naar aanleiding
van het verslag toe. Op 11 maart 2026 heeft de ACM mij haar bevindingen doen toekomen.
Ik neem de opmerkingen van de ACM ter harte en ik ga hier opvolging aan geven in de
inrichting van het verdere implementatieproces. Onderdeel daarvan is het gesprek met
de ACM over welke capaciteit uiteindelijk noodzakelijk is voor de ACM om haar toezichtstaken
afdoende uit te kunnen voeren. Tot slot hecht ik waarde op te merken dat de bezwaren
die de ACM in de nieuwe UHT onder paragraaf 3.3 aanstipt reeds zijn verholpen in onderhavig
wetsvoorstel. In artikel II is namelijk geregeld dat het toezicht en sanctionering
van artikel 7, eerste en tweede lid, van de verordening dat de ACM op zich neemt loopt
via de Uitvoeringswet DSA. Het gaat hier – kort gezegd – om het toezicht op de verplichting
voor platforms om de online interface zodanig in te richten dat verhuurders voorafgaand
aan het aanbieden van woonruimte verklaren of een registratieplicht geldt en, indien
dat het geval is, een registratienummer te verstrekken en te vermelden in de advertentie
alvorens kan worden overgegaan tot verhuur en hierop steekproefsgewijze controles
uit te voeren.
(39) De leden van de BBB-fractie leden lezen dat de Afdeling kritiek uit op de versnippering
van het toezicht tussen de ACM, de ILT en gemeenten. Kan de regering garanderen dat
deze opdeling niet leidt tot een ondoorzichtige bureaucratische warboel voor verhuurders
en platforms?
Mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State
ben ik nader in gesprek gegaan en is de ACM bereid gevonden het toezicht op artikel
7, tweede lid, van de verordening op zich te nemen. Dit is een wijziging ten opzichte
van het wetsvoorstel zoals dat ter advisering is aangeboden en heeft een vermindering
van versnipperd toezicht tot gevolg. Wel blijft het zo dat naast de ACM ook de ILT
een gedeelte van het toezicht en de handhaving (in mandaat) op zich zal nemen. Nadelige
bureaucratische gevolgen zullen worden voorkomen door het maken van heldere werkafspraken
tussen mijn ministerie, de ACM en de ILT. Daarnaast bevat het wetsvoorstel expliciete
bepalingen waaruit volgt welke instantie toeziet op welke bepalingen. Hiermee wordt
overlap in toezichtstaken uitgesloten.
(40) Hoe wordt voorkomen dat verschillende toezichthouders overlappende sancties opleggen
voor hetzelfde feit?
De ACM en de ILT houden het toezicht op verschillende wettelijke bepalingen. Overlap
in opgelegde sancties is hiermee uitgesloten nu eventuele sancties altijd zullen zien
op verschillende verplichtingen.
5.3. Uitvoerbaarheid- en handhaafbaarheidstoets (UHT) ACM
(41) De leden van de PVV-fractie willen aan de regering vragen hoe de gesprekken op Europees
niveau verlopen over een uniforme ontwikkeling van het centraal digitaal toegangspunt
en de invulling van de open norm van «redelijke inspanningen om regelmatig de verklaringen
van de verhuurders steekproefsgewijs te controleren». Daarnaast willen deze leden
aan de regering een toelichting vragen inzake welke belangrijke functionaliteiten
Nederland een koploperspositie heeft ingenomen.
De Europese Commissie heeft in een eerder stadium een prototype voor een centraal
digitaal toegangspunt laten ontwikkelen. Nederland heeft dit prototype als uitgangspunt
gehanteerd en doorontwikkeld naar een productierijpe versie. Nederland was een van
de eerste lidstaten met een functionerend, zij het nog incompleet, centraal digitaal
toegangspunt. De ontwerpkeuzes hierbij werden (en worden) telkens besproken met de
Europese Commissie en Europese lidstaten. Dit gebeurt zowel in technische overleggen
als in de digitale ontwikkelomgeving. Nederland heeft daarbij heel bewust gekozen
voor volledige transparantie door de code en discussiepunten online inzichtelijk te
maken. Mede om bovenstaande redenen heeft de Europese Commissie de Nederlandse code
als referentiecode bestempeld. Dit is de in uw vraag genoemde «koploperpositie». Ten
aanzien van de invulling van de open norm van «redelijke inspanningen» lopen de gesprekken
met de Europese Commissie, de Europese lidstaten en de online platforms nog. Mocht
daar op korte termijn geen duidelijkheid over ontstaan vanuit de Europese Commissie,
dan zal ik met de ACM als toezichthoudende partij op de steekproefsgewijze controles
het handelingsperspectief bespreken wat betreft toezicht en handhaving op deze wat
open geformuleerde norm.
6. Consultatie
Adviescollege toetsing regeldruk
(42) De leden van de BBB-fractie lezen dat het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)
opmerkte dat de verplichting in het wetsvoorstel om informatie bij te werken strenger
geformuleerd is dan de Europese verordening, die spreekt over bijwerken bij een «wezenlijke
verandering». Kan de regering garanderen dat er geen sprake is van nationale koppen
die de regeldruk onnodig verhogen?
Er is geen sprake van nationale koppen die de regeldruk onnodig verhogen. Overigens
heb ik dit advies van de ATR ter harte genomen met als gevolg dat ik artikel 23a,
vierde lid, van het wetsvoorstel heb gewijzigd ten opzichte van het wetsvoorstel dat
aan de ATR is gezonden voor advies. Door deze wijziging wordt in het wetsvoorstel
nu direct verwezen naar de Europese verordening zodat van een nationale kop geen sprake
kan zijn.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(43) De leden van de PVV-fractie willen aan de regering vragen in hoeverre al duidelijk
is wat de invulling wordt om het toezicht op de betreffende bepaling zo efficiënt
en effectief mogelijk in te richten, zodat gemeenten de data van platforms ontvangen.
Ik verwijs hiervoor naar mijn beantwoording van de vragen 39 en 40.
HomeExchange
(44) De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdelijke huizenruil voor vakantie via puntensystemen
onder de definitie van «tegen betaling» gaat vallen en daarmee valt onder de registratieplicht
Waarom is de regering van mening dat dit nodig is? (45) Is de regering niet bang dat dit type gastvrijheid zonder winstoogmerk onnodig wordt
ontmoedigd door administratieve lasten die eigenlijk bedoeld zijn voor commerciële
vakantieverhuur? (46) Deelt de regering de mening dat dit een ongepaste inbreuk is op het recht van burgers
om hun eigen eigendom op basis van wederkerigheid en gastvrijheid te delen, zonder
dat de overheid hier direct met een digitale registratieplicht bovenop zit?
Naar mijn oordeel wordt huizenruil met dit wetsvoorstel in de praktijk niet direct
uitgesloten. Of huizenruil onder de reikwijdte van het begrip toeristische verhuur
valt, hangt af van de vraag of er sprake is van het tegen betaling aanbieden van verblijf.
Bij huizenruil, bijvoorbeeld via een puntensysteem, kan daarvan sprake zijn indien
die ruil op geld waardeerbaar is. Het blijft het aan de individuele gemeenteraad om
te besluiten of en op welke wijze een dergelijke vorm van toeristische verhuur lokaal
wordt gereguleerd. Amsterdam heeft bijvoorbeeld in de lokale huisvestingsverordening
opgenomen dat de regels voor vakantieverhuur gelden wanneer de aanbieder geld of iets
extra’s zoals punten krijgt voor het aanbieden van een woning aan een toerist. Huizenruil
waar de aanbieder geen geld of punten voor krijgt valt niet onder de regels.
Nota van wijziging
Tot slot bied ik uw Kamer een nota van wijziging aan. Met deze nota van wijziging
wordt – op hoofdlijnen – een drietal onderwerpen geregeld.
Ten eerste wordt geregeld dat het CBS de data uit het centraal digitaal toegangspunt
deelt met Eurostat. Hiermee wordt aangesloten bij de standaardpraktijk in de samenwerking
tussen Eurostat en de nationale statistiekbureaus van de lidstaten. In het oorspronkelijke
wetsvoorstel was echter opgenomen dat het centraal digitaal toegangspunt de data parallel
verstrekt aan het CBS als Eurostat. Dit wordt zowel door het CBS als door Eurostat
onwenselijk geacht.
Ten tweede wordt mogelijk gemaakt dat dat de inwerkingtreding van de verschillende
artikelen, of onderdelen daarvan, van het wetsvoorstel op verschillende datums kunnen
worden vastgesteld. Deze wijziging biedt de mogelijkheid om onderdelen van het wetsvoorstel
met terugwerkende kracht in werking te laten treden. De reden hiervoor is dat het
voorstelbaar is dat het wetsvoorstel niet vóór de inwerkingtreding van de verordening
kortetermijnverhuur op 20 mei 2026 in werking kan treden. Vanaf 20 mei 2026 dienen
online platforms voor toeristische verhuur data te leveren aan het centraal digitaal
toegangspunt. De technische inrichting van het centraal digitaal toegangspunt is naar
verwachting op die datum ook gereed. Juridisch gezien kan de datadeling echter pas
plaatsvinden vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet. Het zou zeer onwenselijk
zijn als de data die vanaf 20 mei 2026 tot het moment van inwerkingtreding van het
wetsvoorstel zou moeten worden geleverd niet gebruikt zou kunnen worden. Gemeenten
kunnen dan immers minder doelmatig het toezicht en de handhaving op de regels over
toeristische verhuur uitvoeren. Dit probleem zou kunnen worden opgelost door de artikelen
die zien op de oprichting van het centraal digitaal toegangspunt met terugwerkende
kracht in werking te laten treden bij koninklijk besluit. Dit houdt in dat alvast
aan de slag kan worden gegaan met de oprichting van het centraal digitaal toegangspunt.
Deze wijziging maakt dit mogelijk.
Ten derde worden fouten in de wetstechnische verwijzingen hersteld.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O’Sullivan
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.