Brief regering : Ontwikkelingen in het kader van het hoofdlijnenakkoord ouderenzorg (HLO)
29 389 Vergrijzing en het integrale ouderenbeleid
Nr. 166
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2026
In 2025 is het hoofdlijnenakkoord ouderenzorg (HLO) gesloten om de ouderenzorg meer
toekomstbestendig te maken (Kamerstuk 29 389, nr. 157). Daarin werken organisaties die betrokken zijn bij de ondersteuning en zorg voor
ouderen samen vanuit een gezamenlijke missie die gaat over kwaliteit van leven van
ouderen, zelfstandigheid behouden, samenleven in wijken en buurten en met toegankelijke
zorg als dat nodig is.
We weten dat het aantal ouderen de komende jaren sterk zal toenemen, terwijl het aantal
zorgverleners niet evenredig kan toenemen. Ook zijn de oplopende kosten uiteindelijk
niet houdbaar. In het hoofdlijnenakkoord ouderenzorg zijn afspraken gemaakt om de
trend te keren. Hier wil ik met de partijen de komende periode graag uitvoering aan
geven.
Het coalitieakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36 848, nr. 31) van dit kabinet sluit aan bij de richting die is gekozen en de afspraken die zijn
gemaakt, maar vraagt ook de inspanningen te intensiveren. Ik wil de beweging naar
de voorkant doorzetten, waarbij sprake is van liefdevolle ondersteuning en zorg in
een zorgzame samenleving. Hierbij is passende zorg de norm en wordt waar mogelijk
de uitvoering van ondersteuning en zorg vereenvoudigd. Daarbij moeten we aansluiten
op de veranderende voorkeuren van ouderen. Ouderen willen hun zelfstandigheid behouden
en regie blijven voeren over hun eigen leven. Dat doen ze het liefst samen met hun
naasten en hun netwerk in hun eigen vertrouwde omgeving. Zorg en ondersteuning en
de inzet van (digitale) hulpmiddelen ondersteunen bij hun zelfstandigheid.
In de praktijk gebeurt het al. Steeds meer organisaties werken vanuit de gedachte
van «reablement» waarin mensen worden geholpen hun zelfstandigheid te behouden of
terug te krijgen. Zorgverleners werken meer samen met familie en vrijwilligers om
de kwaliteit van leven te borgen en ouderen een prettige dag te bezorgen. Er komen
nieuwe woonvormen waar mensen zich thuis voelen. Met een beetje hulp ontwikkelt zich
daar een gemeenschap waar mensen met en zonder zorgvraag elkaar helpen. Ook in de
wijk helpen mensen elkaar. Zo zijn voorzorgcirkels niet meer weg te denken uit onze
samenleving.
Deze ontwikkelingen dragen bij aan kwaliteit van leven van ouderen omdat zij aansluiten
bij wat ouderen zelf belangrijk vinden. De vraag naar professionele intramurale zorg
daalt en dat zien we al enigszins terug in de vraag naar verpleeghuisplekken. Ook
zijn er daardoor minder zorgverleners nodig en wordt de groei van de uitgaven aan
zorg afgeremd. Of deze ontwikkeling duurzaam is en welke oorzaken daar precies aan
ten grondslag liggen, is onderwerp van onderzoek dat nu door het RIVM wordt uitgevoerd
en waarvan de resultaten in september worden verwacht.
Een belangrijk aandachtspunt bij deze ontwikkeling is de positie van mantelzorgers.
Ik heb grote waardering voor de toewijding waarmee mantelzorgers dag in dag uit klaarstaan
voor hun naasten. Hun liefdevolle inzet is van onschatbare waarde. Er zijn veel mensen,
die deze taak op zich willen nemen, maar dat moeten we wel mogelijk maken. Daarom
zijn in het HLO ook afspraken gemaakt om te komen tot een gelijkgericht aanbod van
mantelzorgondersteuning in gemeenten. En afspraken over een regionaal passend, domeinoverstijgend
aanbod aan respijt- en logeerzorg. Onlangs is ook het advies verschenen van de SER
over «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» (februari 2026). In het verlengde
van de HLO-afspraken ben ik bezig met de invulling van het brede mantelzorgplan (motie
Struijs1) in samenhang met de kabinetsreactie op het SER-advies «Mantelzorg en Werk».
Met de samenwerkende HLO-partijen wil ik me de komende tijd richten op de uitvoering
van het HLO en daar met het coalitieakkoord ook op voortbouwen. De komende periode
ga ik met HLO-partijen verkennen hoe we met aanvullende afspraken de ingezette beweging
kunnen verbreden, bestendigen en versnellen. Het mag niet alleen iets zijn van een
– weliswaar groeiende – groep koplopers die het zorgaanbod aanpast aan de veranderende
voorkeur van ouderen en de beschikbaarheid van personeel.
Passende zorg heeft ook voor de ouderenzorg de belofte in zich dat er goede zorg en
ondersteuning aan ouderen kan worden geboden gericht op de kwaliteit van bestaan.
In de richtlijnen van de beroepsorganisaties is de best beschikbare kennis vastgelegd.
De afspraken in het HLO bieden hiervoor een goede basis om aan de richtlijnontwikkeling
verder te werken.
Ook de ambities op het realiseren van voldoende woonvormen voor ouderen zijn hoog.
Samen met VRO werk ik aan 290.000 geschikte woningen voor ouderen in de periode tot
en met 2030. Onder andere om deze reden heb ik mij ook bij de ministeriële taskforce
«Versnelling woningbouw» aangesloten. Zo geef ik ook invulling aan de motie van de
Kamerleden Marijnissen en Heerma2 om per regio concrete voorstellen te ontwikkelen om de bouw van kleinschalige woonvoorzieningen,
versneld van de grond te krijgen. Voor het zomerreces zal uw Kamer via een voortgangsrapportage
worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van
het aantal woningen voor ouderen. Om de gewenste beweging naar de voorkant te maken
werk ik ook aan concretisering van gemeenschapsvorming in geclusterde woonvormen.
Met de sector bepalen we welke afspraken we moeten toevoegen aan het HLO. Uitgangspunt
bij deze afspraken is de inhoud en de verandering die nodig is om de kwaliteit van
ondersteuning en zorg te kunnen blijven bieden. Daarbij zullen ook de financiële kaders
een belangrijke rol spelen. Tegelijkertijd willen we het groeiend tekort aan zorgverleners
en de groei van de uitgaven aan ouderenzorg afremmen zoals afgesproken in het coalitieakkoord.
In de bijlage wordt geïllustreerd dat zonder nadere afspraken de totale Wlz-uitgaven
aan zorg in natura binnen de contracteerruimte en persoonsgebonden budgetten per saldo
met € 6,2 miljard toenemen van € 40,0 miljard in 2026 tot een niveau van € 46,23 miljard in 2031. Een toename van ruim 15%. Dit betreft niet alleen de ouderenzorg,
maar ook de gehandicaptenzorg en de langdurige ggz. En deze toename is ook exclusief
de reguliere jaarlijkse bijstelling voor loon- en prijsontwikkeling. Inzet van het
kabinet is deze groei te beperken tot € 5,2 miljard tot een niveau van € 45,2 miljard
in 2031. Het kabinet heeft ervoor gekozen om dit in overleg met de sector, via akkoorden,
verder uit te werken. Tenslotte kunnen (vertegenwoordigers van) ouderen, zorgaanbieders,
professionals, zorginkopers en de overheid samen het beste bepalen wat nodig is.
Door de beweging die nu is ingezet verwacht ik dat het, met het beschikbare budget,
mogelijk is ouderen met een Wlz-indicatie passende ondersteuning en zorg te bieden.
Onnodige bezuinigingen opleggen aan zorgaanbieders in de ouderenzorg (motie Dobbe4) is daarmee mijns inziens niet aan de orde.
Zoals eerder met uw Kamer gecommuniceerd ten aanzien van de gehandicaptenzorg5 zal ik ook bij de uitwerking in de ouderenzorg niet over één nacht ijs gaan. Ik streef
ernaar om met de sector en uw Kamer tot een zorgvuldige afweging te komen. Daarbij
staat de inhoud van de afspraken voorop en zijn de financiële kaders randvoorwaardelijk.
Het is mijn inzet om helderheid te geven over het financiële kader voor de zomer en
in september de inhoudelijke elementen voor afspraken in beeld te hebben gebracht,
waarna de consultatie van de achterban door de HLO-partijen kan worden gestart. Uitgaande
van dit proces is het mogelijk om uw Kamer voor het einde van 2026 over de aanvullende
afspraken te informeren. Daarbij vind ik het belangrijk dat de richting die we nu
hebben ingeslagen met de HLO-afspraken breed gesteund wordt. Zoals onder meer blijkt
uit de brief van de HLO-partijen aan uw Kamer van 16 juni 2025.
Overige informatie
Met het oog op het Kamerdebat over de ouderenzorg (inclusief huisvesting) op 4 juni
a.s., treft u ter informatie een aantal rapporten aan dat recent is verschenen en
de actuele stand met betrekking tot een aantal specifieke onderwerpen.
1: Onderwerp reablement
Onlangs is een tweetal rapporten verschenen over reablement (NZa: «Reablement», april
2026 en Zorginstituut: «Reablement in de Zvw en Wlz», maart 2026). Deze rapporten
treft u bijgaand aan. Met de betrokken HLO partijen blijf ik in gesprek over de aanbevelingen
uit deze rapporten en de bredere ontwikkelingen.
2: Sociale benadering dementie (SBD)
Bijgevoegd vindt u een interne monitoring en evaluatie binnen de pilotgemeenten, geïntegreerd
in de werkwijze van de regionale pilots en uitgevoerd onder begeleiding van PricewaterhouseCoopers
(PwC) en Tao of Care. Deze interne evaluatie was enerzijds bedoeld om de interventie
door te ontwikkelen en per gemeente gaandeweg het project te kunnen bijsturen en anderzijds
om overkoepelend analyses uit te voeren.
De tweede evaluatie is een onafhankelijk, centraal evaluatief onderzoek naar de SBD,
gestart in 2021. In deze externe evaluatie is gebruik gemaakt van zowel reeds verzamelde
kwantitatieve data uit de interne evaluatie, CBS en Vektis als van kwalitatieve methoden.
Daarnaast vindt u bijgevoegd een reflectie van de programmacommissie op beide evaluaties.
In de voortgangsbrief over de nationale dementiestrategie die na de zomer wordt verstuurd,
geef ik een inhoudelijke reactie op de uitgevoerde evaluaties.
3: Projecten domeinoverstijgende samenwerking (DOS)
De Vrije Universiteit Amsterdam heeft de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar de
projecten domeinoverstijgende samenwerking (DOS) en in april 2026 een rapport over
opgeleverd. DOS betreft structurele samenwerking tussen gemeenten, zorgverzekeraars,
zorgkantoren, zorgaanbieders, welzijnsorganisaties en burgerinitiatieven, met als
doel om kwetsbare mensen langer zelfstandig thuis te laten wonen. Uit het onderzoek
komt naar voren dat domeinoverstijgende samenwerking samenhangt met langer thuis wonen,
een betere kwaliteit van leven en kostenbesparing op lange termijn. Komende jaren
wordt het onderzoek naar deze deelnemers voortgezet.
4: Onderzoek impact informele hulp
Het Ministerie van VWS heeft samen met het Ministerie van Financiën de Erasmus Universiteit,
in het kader van het HLO, gevraagd onderzoek te verrichten naar de impact van informele
hulp (mantelzorg en vrijwilligerswerk) op verlener en ontvanger van informele hulp
én op de hoeveelheid ontvangen formele hulp. Het onderzoek laat zien dat het aantal
uur mantelzorg en het aantal vrijwilligers en mantelzorgers steeg tussen 2012 en 2016,
maar tussen 2016 en 2024 vrijwel gelijk is gebleven. Daarbij zagen de onderzoekers
een verschuiving van de informele hulpverleners: 70-plussers waren in 2024 bijvoorbeeld
vaker mantelzorger of vrijwilliger dan in 2016. Op basis van de demografische ontwikkeling
en de trend in het verlenen van hulp verwachten de onderzoekers dat de hoeveelheid
informele hulp tot 2040 maar beperkt zal toenemen. Die stijging zal volgens de onderzoekers
geconcentreerd zijn binnen twee leeftijdsgroepen: 35- tot 50-jarigen en 70-plussers.
Ook wordt in het onderzoek ingegaan op mogelijke beleidsopties vanuit de overheid
om de verdeling van informele hulp te beïnvloeden. Het rapport is bij deze brief gevoegd.
De aanbevelingen voor beleid, zullen worden betrokken bij het brede mantelzorgplan,
dat naar verwachting rond de zomer naar de Tweede Kamer zal worden verstuurd.
5: Opendeurenbeleid
Tijdens het commissiedebat Verward/ onbegrepen gedrag d.d. 9 april 2026 heb ik een
toezegging gedaan om de vraag van het lid Ten Hove over het opendeuren-beleid schriftelijk
te beantwoorden. Het opendeurenbeleid geldt voor de Wet zorg en dwang (Wzd) en daarmee
voor mensen met een psychogeriatrische of verstandelijke beperking. Het uitgangspunt
van de Wzd is dat cliënten niet beperkt worden in hun vrijheid, tenzij dat echt niet
anders kan. En in dat geval alleen als dat gebeurt met inachtneming van de eisen die
de Wzd stelt, zoals een afweging van de individuele vrijheid van een cliënt tegenover
de potentiële gevaren die daarbij kunnen optreden. Als gevaarlijke situaties voorstelbaar
zijn bij een cliënt, zoals onbegrepen gedrag dat een gevaar vormt voor de cliënt zelf
of zijn omgeving, kan de zorgaanbieder de afweging maken dat deze cliënt niet alleen
naar buiten gaat.
Met betrekking tot de ondersteuning van zorgaanbieders, zorgprofessionals en naasten
verwijs ik u naar de beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden Tijmstra6 en Maeijer.7 Met deze brief doe ik de toezegging uit dit commissie-debat gestand.
6: ICT-systeem CIZ
Het CIZ stapt in juni over op een nieuw ICT-systeem, wat een aantal weken lagere productiviteit
veroorzaakt door tijdelijke systeemonderbrekingen, training en gewenning. Om te voorkomen
dat wettelijke termijnen in gevaar komen en wachttijden oplopen, neemt het CIZ vooraf
maatregelen. Daarbij stuurt het CIZ vooral op het beperken van de werkvoorraad, omdat
achterstanden lastig in te halen zijn. Deze maatregelen, waarbij een beperkt aantal
indicatieaanvragen verkort worden afgehandeld, zijn een aantal jaar geleden ook ingezet
toen de werkvoorraad moest worden teruggedrongen om de doorlooptijden te kunnen behalen.8 Het CIZ monitort wekelijks of de ingezette maatregelen nodig blijven en of de risico’s
voldoende beheerst worden.
7: Op nul zetten stimuleringsregeling wonen en zorg in 2026
U heeft gevraagd om een reactie op het artikel «Minister Sterk stopt met subsidieregeling
voor totstandkoming hofjes» in Zorgvisie. De stimuleringsregeling wonen en zorg is
bedoeld om de haalbaarheid te onderzoeken van woonvormen van bewonersinitiatieven
en sociale ondernemers. In 2025 was bijna 0,7 mln. euro aan deze regeling besteed.
Als gevolg van de taakstellingen voor de verschillende departementen van het vorige
kabinet, hebben we keuzes moeten maken en is het budget voor de stimuleringsregeling
wonen en zorg voor 2026 op nul gezet. Dit jaar bekijk ik of ik voor volgend jaar middelen
kan vinden voor deze regeling. Tegelijkertijd stimuleer ik op verschillende manieren
de bouw van ouderenhuisvesting. Ook met regelingen die ten goede komen aan sociale
ondernemers en bewonersinitiatieven. Per 18 mei zijn de stimuleringsregelingen ontmoetingsruimten
voor ouderenhuisvesting en de stimuleringsregeling zorggeschikte woningen weer opengesteld.
Voor deze regelingen zal bij elkaar ca. 120 mln. beschikbaar worden gesteld. Ook zal
dit jaar het Fonds Coöperatief Wonen worden opengesteld bij het Stimuleringsfonds
Volkshuisvesting (SVn). Bewonersinitiatieven en sociale ondernemers kunnen hier een
aanvraag doen voor een lening voor de planontwikkelingsfase en de bouwfase van een
project. Ik zal bij de verkenning naar middelen voor 2027 onder andere kijken naar
de besteding van middelen bij andere stimuleringsregelingen en naar aansluiting bij
het Fonds Coöperatief Wonen van het Ministerie van BZK.
8: Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie
Enkele fracties van uw Kamer hebben schriftelijk vragen gesteld over de beleidsreactie
over het advies van de Gezondheidsraad «Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie»
9 Deze vragen zijn helaas blijven liggen en niet tijdig in behandeling genomen. Ik
behandel deze vragen op dit moment en stuur de antwoorden in juni aan uw Kamer.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Bijlage Groei Wlz-uitgaven en Wlz-maatregel coalitieakkoord «Aan de slag»
In het coalitieakkoord «Aan de slag» is afgesproken dat wordt ingezet op het afremmen
van de groei van de uitgaven voor alle sectoren in de Wlz. Grafiek 1 brengt de ontwikkeling
van de Wlz-uitgaven in beeld voor de periode 2026–203110, aansluitend bij de Voorjaarsnota. De VWS-begroting is bij de Voorjaarsnota geactualiseerd
op grond van de februaribrief van de NZa. De groei van de Wz-uitgaven komt in 2026
naar verwachting € 0,6 miljard lager uit dan waarmee in de ontwerpbegroting rekening
is gehouden (een groei tot € 40,0 miljard in plaats van € 40,6 miljard).
Om tot een goede verdeling van de groeiruimte over de verschillende Wlz-sectoren te
komen wil ik rekening houden met een aantal aspecten die ik eerder heb toegelicht.11 Rekening houdend met bovenstaande inzichten ben ik voornemens om in de voorlopige
kaderbrief met een verdeling van de groeiruimte te komen.
De Wlz-uitgaven nemen jaarlijks toe en het kabinet stelt daarvoor jaarlijks budgettaire
groeiruimte beschikbaar. Hiermee kunnen onder meer demografische ontwikkelingen, zorgverzwaring
van cliënten en ontwikkelingen in de stand van wetenschap, technologie en praktijk
binnen het Wlz-kader worden opgevangen. De raming van de groeiruimte wordt bepaald
op basis van de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB). De definitieve groeiruimte
over deze kabinetsperiode is inmiddels vastgesteld op basis van de CEP/MLT-raming12.
Grafiek 1: Ontwikkeling Wlz-uitgaven 2026–2031; basispad Voorjaarsnota 2026 en groeiruimte
voor en na coalitieakkoord(CA), bedragen in miljarden euro, prijspeil 2026
De blauwe staafjes in grafiek 1 maken de ontwikkeling van de Wlz-uitgaven inzichtelijk
volgens het basispad van de Voorjaarsnota exclusief groeiruimte. Het afremmen van
de verwachte uitgavengroei in dit basispad van € 40,0 miljard naar € 39,0 miljard
is het saldo van reeds doorgevoerde maatregelen van vorige kabinetten om de groei
van de Wlz-uitgaven af te remmen en het slechts gedeeltelijk doortrekken van de meevaller
over het jaar 2026.
De oranje staafjes in grafiek 1 laten de groeiruimte bij ongewijzigd beleid zien.
Het afremmen van de groei heb ik in grafiek 1 inzichtelijk gemaakt via gele staafjes
en laat zien welke groeiruimte beschikbaar is vanuit het coalitieakkoord. Per saldo
is er in 2031 een groeiruimte beschikbaar van afgerond € 6,2 miljard (ten opzichte
€ 7,2 miljard op basis van de MLT). De Wlz-uitgaven groeien op basis hiervan van € 40,0
miljard in 2026 tot € € 45,2 miljard in 2031.
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport