Brief regering : Minimum vermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen
32 140 Herziening Belastingstelsel
Nr. 290
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 maart 2026
Tijdens het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
op 19 januari jl. heeft het lid Stultiens (GL-PvdA) aan mijn ambtsvoorganger gevraagd
hoeveel het voorstel van de Franse econoom Gabriel Zucman voor een wereldwijde minimumbelasting
van zeer vermogenden voor Nederland zou kunnen opleveren, of dat juridisch haalbaar
is en wanneer dit uitvoerbaar is. Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd voorafgaand
aan het Commissiedebat Fiscaliteit uw Kamer hierover een brief te sturen. Met deze
brief geef ik invulling aan deze toezegging.
Het voorstel van Zucman houdt in dat huishoudens met een vermogen van € 100 miljoen
of meer1, jaarlijks een minimumbedrag aan belasting2 zouden moeten betalen dat overeenkomt met 2% van de totale nettowaarde van hun bezittingen.
Als de betaalde belasting in een bepaald jaar lager uitkomt, dan dient het verschil
te worden aangevuld. Zucman stelt idealiter een wereldwijde minimum vermogensbelasting
voor zeer vermogende personen voor3, maar zolang dat niet lukt dan kunnen landen ook unilateraal een minimumbelasting
in te voeren. Om te voorkomen dat zeer vermogende personen gaan emigreren en er een
kapitaalvlucht ontstaat, kan dan tevens een verlengde belastingplicht worden ingevoerd
voor zeer vermogende personen die een aantal decennia in een land met de minimum vermogensbelasting
hebben gewoond en emigreren naar een land zonder een dergelijke minimumbelasting of
een ander voordeliger belastingregime.
Een rechtvaardig belastingstelsel heft naar draagkracht. Dat impliceert dat mensen
met meer inkomen of vermogen, ook meer belasting betalen. Het voorstel van Zucman
is op papier een logische manier om ervoor te zorgen dat mensen met veel vermogen
jaarlijks tenminste minimumpercentage van hun vermogen aan belasting betalen. Vertaald
naar de Nederlandse situatie wordt dan gekeken wat personen in een jaar aan loon-
en inkomstenbelasting (inclusief premies sociale verzekeringen) hebben betaald en
als dat minder is dan 2% van iemands totale (netto) vermogen, wordt het verschil bij
geheven. Het is wel een heel andere manier van belasting heffen dan we in Nederland
gewend zijn en brengt uitdagingen met zich mee. Dat geldt ook voor het daarnaast invoeren
van een verlengde minimumbelastingplicht voor een aantal jaren (bijvoorbeeld 5 of
10 jaar) voor zeer vermogende personen die emigreren. Daar ga ik in deze brief graag
nader op in.
Schattingen over de potentiële opbrengst van zo’n minimum vermogensbelasting zijn
op dit moment niet goed mogelijk. De uitdagingen die het voorstel van Zucman met zich
meebrengen, zijn grotendeels dezelfde als die bij een voorstel voor een generieke
brede vermogensbelasting. Voor een serieuze raming van de mogelijke opbrengst van
zowel Zucmans voorstel als een generieke brede vermogensbelasting moeten de nodige
keuzes over de vormgeving worden gemaakt en daarnaast veronderstellingen over gedragseffecten.
Het vergt daarbij informatie die niet voorhanden of makkelijk te krijgen is, zoals
kennis over alle soorten vermogens van deze huishoudens inclusief het buitenlands
vermogen en in welke landen dit vermogen zich bevindt, de nettowaarde ervan, en hoe
de grondslag van de vermogensbelasting er uiteindelijk uit komt te zien. Ook de juridische
houdbaarheid en uitvoerbaarheid hangen af van de vormgeving. Om goed antwoord te kunnen
geven op de vragen van de heer Stultiens zou een wetgevingstraject nodig zijn. Dat
licht ik in deze brief graag toe.
Graag wil ik ook benadrukken dat Nederland zich de afgelopen jaren actief heeft ingezet
op het tegengaan van de mogelijkheden voor multinationale ondernemingen om hun effectieve
belastingdruk te verlagen en in navolging daarvan zich ook actief inzet op internationale
samenwerking in de aanpak van belastingontwijking door zeer vermogenden. Dit om een
zo breed mogelijk internationaal draagvlak voor de aanpak en een gelijk internationaal
speelveld te creëren en wat de ontwikkelingen en Nederlandse inspanningen daarin zijn.
Constructief deelnemen in internationale samenwerking is ook waar het coalitieakkoord
toe oproept. Ook is internationaal verband veel belangstelling voor het vele onderzoek
dat in Nederland is gedaan naar het belasten van vermogen en vermogende personen en
maatregelen ter verbetering van het herstel in het evenwicht in het belasten van arbeid
en vermogen. Nederland deelt deze onderzoeksresultaten en aanpak actief in met name
OESO-verband. Daarnaast bevat de Voorjaarsnota sinds 2023 een bijlage met relevante
figuren en cijfers over de vermogensverdeling. Inzicht in de vermogensverdeling kan
immers bijdragen aan het verder verrijken van de informatie die het kabinet, de coalitie
en de oppositie heeft bij belangrijke besluitvormingsmomenten. Het CBS zorgt voor
actualisatie van deze informatie, zo ook dit jaar. Daarnaast onderschrijft het kabinet
het belang van de ontwikkeling van goede data over vermogens. Hoewel de vermogensstatistieken
van het CBS ook internationaal bezien van hoge kwaliteit zijn, blijkt het niet altijd
goed mogelijk om alle vormen van vermogen goed waar te nemen. Dat heeft alles te maken
met de wijze waarop (inkomen uit) vermogen wordt belast in Nederland zoals in deze
brief wordt toegelicht. Ik ondersteun daarom ook een voortdurende verbetering van
de al hoge kwaliteit van de vermogensstatistiek.
Ik ga hierna achtereenvolgens in op wat het voorstel van Zucman behelst, hoe dat voorstel
zich verhoudt tot het Nederlandse belastingstelsel, wat mogelijke alternatieven zijn,
hoe het huidige kabinet de belastingdruk van zeer vermogenden beziet en wat de Nederlandse
inspanningen zijn op dit onderwerp in de internationale samenwerking.
Zucman-tax
Zucmans voorstel houdt in dat mensen met minstens € 100 miljoen aan netto vermogen
jaarlijks een bedrag aan individuele belasting betalen dat minimaal 2% van hun vermogen
bedraagt. Als de betaalde inkomstenbelasting lager is dan 2%, dan dient een bedrag
bijgeheven te worden zodat de betaalde belasting alsnog uitkomt op 2% van het totale
vermogen. Als deze huishoudens wel minstens 2% van hun vermogen aan inkomstenbelasting
betalen dan volgt er geen bijheffing.
De gedachte achter Zucmans voorstel is dat juist de allerrijksten de (progressieve)
inkomstenbelasting in bestaande belastingstelsels waaronder die in Nederland, grotendeels
kunnen ontlopen. Dit komt omdat het inkomen van de allerrijksten grotendeels uit inkomen
uit aandelenbezit bestaat, terwijl dat voor 99% van de mensen inkomen uit arbeid betreft.
Zucman kijkt naar alle directe belastingen die personen in een jaar hebben betaald,
en als dat lager is dan de genoemde 2% dan moeten deze personen het verschil bijbetalen
om de drempel van 2% te bereiken.
Idealiter stelt Zucman een wereldwijde minimum vermogensbelasting voor de allerrijksten
voor. Zolang dat niet lukt, kunnen landen volgens hem ook unilateraal overgaan tot
invoering van een minimumbelasting. Om te voorkomen dat zeer vermogenden de minimale
belasting van 2% ontlopen door naar landen te verhuizen die niet meedoen aan de minimumbelasting,
stelt Zucman voor om deze vermogende personen na emigratie nog enkele jaren (bijvoorbeeld
5 of 10 jaar) te blijven belasten alsof ze nog ingezetenen zijn van het land waaruit
zij emigreren. Dit kan omschreven worden als een «trailing tax» op het vermogen.4 De trailing tax zou alleen gelden voor vermogende personen die al lange tijd (een
aantal decennia of meer) in een land van waaruit ze emigreren hebben gewoond; nationaliteit
zou in dit systeem irrelevant zijn.
Zucman stelt dat een minimumbelasting vanaf een bepaalde omvang van vermogen (waarbij
hij de vermogensgrens bewust heel hoog legt zoals € 100 miljoen) garandeert dat er
dan veel vermogen aanwezig is om bij te dragen aan een jaarlijkse minimum aan «personal
taxes». Of dat vermogen nu liquide is of niet, is volgens Zucman niet iets om rekening
mee te houden met een dermate groot vermogen. Het anders behandelen van illiquide
vermogen lokt immers belastingarbitrage uit en zeer vermogenden zijn prima instaat
om desnoods een deel van hun vermogen liquide te maken om de verschuldigde belasting
van 2% te betalen. Een anticumulatiebepaling met de betaalde inkomstenbelasting of
een koppeling met de hoogte van het daadwerkelijk inkomen dat een persoon in een jaar
heeft genoten is in zijn ogen daarom niet nodig. Ook zijn voor zo’n minimumbelasting
geen vrijstellingen, uitzonderingen, plafonds of aftrekposten nodig zoals meestal
wordt beargumenteerd voor een generieke brede vermogensbelasting. Op die manier blijven
de mogelijkheden voor belastingarbitrage beperkt.5 Zucman stelt daarmee anders gezegd dat bij een dergelijk groot vermogen een minimum
vermogensbelasting geen inbreuk vormt op iemands eigendom, ook niet als er meer belasting
wordt betaald dan er fiscaal gezien aan inkomen genoten is. Dat laatste wijkt af van
de wijze waarop in Nederland belasting op inkomen en winst van natuurlijke personen
wordt geheven.
Netto bezittingen
Tot het totale netto vermogen van huishoudens in Nederland behoren de netto waarde
van de eigen woning, ander particulier vastgoed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk
belang-aandelen, private beleggingen, portfolio-aandelen en spaartegoeden zowel in
Nederland als in het buitenland van huishoudens die in Nederland belastingplichtig
zijn voor de inkomstenbelasting. Het collectief opgebouwde pensioenvermogen van Nederlandse
huishoudens kan ook tot de bezittingen van huishoudens worden gerekend, ook al zitten
deze vermogens vast in pensioenfondsen en zijn deze niet opeisbaar en vrij te besteden.6 Het inkomen uit al deze vermogens wordt op dit moment belast in een van de drie boxen
van de Nederlandse inkomstenbelasting (Wet IB 2001). Ik verwijs voor beschrijving
van de wijze waarop het inkomen uit de verschillend vermogenssoorten in Nederland
wordt belast, graag naar verschillende relevante rapporten waarin uitgebreid op het
belasten van inkomen en vermogen wordt ingegaan.7
Niet-gerealiseerd inkomen en beleggingsverlies en verlies van een onderneming.
Met het recent door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement
box 3 wordt het werkelijke rendement belast over het particuliere vermogen uit sparen
en beleggen, waarbij een vermogensaanwasbelasting geldt voor particuliere spaar- en
beleggingsvermogens en een vermogenswinstbelasting voor particulier beleggingsvastgoed
en aandelen in start-ups. Bij een vermogensaanwasbelasting wordt de waardeontwikkeling
van het vermogen jaarlijks belast. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardeontwikkeling
belast bij realisatie, zoals bij verkoop. In beide gevallen worden daarnaast de directe
inkomsten, zoals dividend, huurinkomsten en rente, jaarlijks belast.
Verder betaalt in Nederland een ondernemer (rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid
zoals een eenmanszaak, vennootschap onder firma of maatschap) belasting over zijn
winst uit onderneming in box 1. Een onderneming die wordt gedreven door middel van
een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid (zoals een besloten vennootschap, hierna
gemakshalve een bv genoemd) betaalt vennootschapsbelasting over de winst die de bv
maakt. Op het moment dat winst uit een bv wordt uitgekeerd aan de aanmerkelijkbelanghouder
(ab-houder) wordt die winst belast in box 2 bij de ab-houder. Als een onderneming
(fiscaal) verlies lijdt in enig jaar is er ook geen winstbelasting (hetzij winstbelasting
in box 1 dan wel vennootschapsbelasting in geval van een bv) in dat jaar verschuldigd.
Vanwege het gebruik van een vermogenswinstbelasting en het feit dat winsten van ondernemingen
nogal kunnen variëren en ondernemingen ook verlies kunnen leiden8, kan de betaalde vennootschapsbelasting door ondernemingen en de betaalde inkomstenbelasting
door huishoudens van jaar tot jaar ook nogal variëren. Als een vermogend persoon in
een bepaald jaar lagere inkomsten geniet en daardoor minder belasting betaalt, kan
dat een logisch gevolg zijn van de wijze waarop Nederland inkomens van huishoudens
en winsten van ondernemers en ondernemingen belast en niet het gevolg van belastingontwijkend
gedrag van personen. Zucman is zich daarvan bewust, maar vindt het niet nodig om met
deze schommelingen rekening te houden omdat het grootste deel van het vermogen de
meest vermogende personen juist uit het bezit van aandelen bestaat waarvan ingeval
van een vermogenswinstbelasting (zoals in box 2 van de Nederlandse inkomstenbelasting)
belastingbetaling langdurig kan worden uitgesteld. Zucman stelt dat het grootste deel
van de winsten van de allerrijkste aandeelhouders nooit als dividend zal worden uitgekeerd
en belast als inkomsten omdat ze hun aandelen aanhouden in een holding en hun vermogen
daarin onder hebben gebracht. Ze worden door winstinhouding niet belemmerd in hun
uitgaven omdat zij al zoveel vermogen hebben en ze kunnen ook lenen van de eigen bv.
Een generieke brede vermogensbelasting
Als het maatschappelijk wenselijk wordt gevonden dat huishoudens met een vermogen
van minstens € 100 miljoen extra worden belast dan zou dat mogelijk gerealiseerd kunnen
worden via een generieke vermogensbelasting die voor alle huishoudens vanaf dat vermogen
geldt. Voor een ruwe schatting van de opbrengst van een potentiële vermogensbelasting
verwijs ik graag naar «Keuzes in Kaart 2027–2030» van het CPB.9 Diverse politieke partijen hebben een vermogensbelasting (met verschillende contouren)
opgenomen in hun verkiezingsprogramma en laten doorrekenen door het CPB, waaronder
GroenLinks-PvdA. Over elk variant van een brede vermogensbelasting geeft CPB aan dat
deze maatregelen juridische en uitvoeringstechnische risico’s met zich meebrengen.10 Juridische risico’s zijn er met name als er geen anticumulatiebepaling met de hoogte
van het genoten inkomen of betaalde inkomstenbelasting geldt. Hierboven gaf ik al
aan dat een wetgevingstraject nodig is om een raming van de opbrengsten van een brede
vermogensbelasting te maken en om deze juridisch aanvaardbaar en uitvoerbaar te laten
zijn.
Ik verwijs in dit verband ook graag naar eerdere brieven en beantwoording van vragen
uit de Tweede Kamer die ingaan op een brede vermogensbelasting en die mijn voorganger
Van Oostenbruggen naar uw Kamer heeft gestuurd. Hierin wordt naast de budgettaire
en uitvoeringstechnische aspecten ook aandacht besteed aan de juridische risico’s
van een dergelijke belasting. Zoals de brief van 18 december 2024 met de stand van
zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 311, de antwoorden op schriftelijke vragen van uw Kamer op de brief van 18 december 202412 en de antwoorden op openstaande vragen uit de eerste termijn van de Kamer van het
Commissiedebat over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 op 20 februari
2025.13 Wat bij grote vermogens in het bijzonder speelt, is het kunnen vaststellen van de
waarde in het economisch verkeer van het vermogen dat in vennootschappen zit. Voor
aanmerkelijk belangvermogen – dat verreweg het grootste aandeel in het vermogen van
de zeer vermogende personen vormt – waarvan de aandelen niet op de beurs worden verhandeld,
zal doorgaans geen marktwaardering voorhanden zijn. Deze aandelen dienen echter wel
jaarlijks te worden gewaardeerd ten behoeve van de belastingheffing. Hier zouden regels
voor opgesteld moeten worden. Ook dient het vermogen van vennootschappen toegerekend
te worden aan achterliggende aandeelhouders om de waarde van hun aanmerkelijk belang
te kunnen bepalen. Deze vermogens worden nu niet geadministreerd. De Belastingdienst
kan bij de controle daarom niet steunen op contra-informatie. Het UBO-register kan
worden beschouwd als een eerste stap, maar dat geldt voor aandelenbezit van 25% en
hoger en daarin wordt nog niet de waarde van het aandelenbezit geregistreerd. Ik verwijs
hiervoor graag ook naar uitgewerkte maatregelen die zijn opgenomen in de fichebundel
van het IBO Vermogensverdeling.14
Met name ook de waardering van vermogensbestanddelen en inzicht in (de netto waarde
van) het buitenlands vermogen van personen zal voor de uitvoering een uitdaging zijn.
Wat betreft het buitenlandse vermogen van belastingplichtigen is uitgebreide wereldwijde
automatische informatie-uitwisseling van voldoende kwaliteit over alle soorten vermogens
nodig. Daar zijn in internationaal verband belangrijke stappen mee gemaakt, bijvoorbeeld
met bankrekeningen en crypto’s, maar gegevens van veel andere soorten activa, met
name buiten de Europese Unie, worden niet op automatische basis uitgewisseld. Het
gaat om langdurige trajecten en dit vraagt om goede internationale samenwerking en
internationaal duidelijke politieke wil. Nederland stelt zich internationaal constructief
op in discussies over het uitwisselen van informatie over vermogen en de uitbreiding
daarvan.
Trailing tax
In het voorstel van Zucman gaat een minimumbelasting voor zeer vermogenden gepaard
met een verlengde belastingplicht na emigratie, een zogenoemde trailing tax. In de
Kamerbrief «Vervolgonderzoek trailing tax», naar aanleiding van aangenomen moties
en toezeggingen, is mijn voorganger ingegaan op de mogelijkheid van een verlengde
belastingplicht in de inkomstenbelasting voor rijke personen die uit Nederland emigreren
hierover.15 In deze brief wordt vermeld dat het effect van een verlengde belastingheffing van
de Nederlandse inkomstenbelasting beperkt zal zijn, gezien het uitgebreide belastingverdragennetwerk
van Nederland waardoor de heffing in veel landen niet kan worden geeffectueerd. Een
belangrijk deel van de belastingverdragen die Nederland heeft gesloten zien niet op
een vermogensbelasting, omdat Nederland nu geen vermogensbelasting kent. Met name
voor verouderde belastingverdragen geldt dat zij wel op het vermogen kunnen zien,
waardoor een trailing tax op basis van het vermogen richting die landen niet geëffectueerd
kan worden.
Een mogelijk alternatief voor een trailing tax zou een vorm van een exitheffing kunnen
zijn om het emigreren naar een laagbelastend land16 te ontmoedigen. Een voorbeeld daarvan is een regeling waarbij zeer vermogende personen
die emigreren naar een laagbelastend land aan een exitheffing worden onderworpen die
wordt berekend over het vermogen op het moment van vertrek. Een dergelijke exitheffing
zou in beginsel verenigbaar moeten zijn met belastingverdragen en kan daarmee effectiever
zijn. Wel is het belangrijk dat een dergelijke exitheffing in overeenstemming is met
het Europese recht, met name het vrije verkeer van vestiging. Verder spelen hier ook
vergelijkbare ontwijkingsmogelijkheden als bij een trailing tax, zoals de mogelijkheid
om eerst te verhuizen naar een land met een hogere belastingdruk. Nederland tracht
in huidige wetgeving belastingclaims op in Nederland op gebouwd vermogen (zoals aanmerkelijk
belang, pensioenen of lijfrenten) veilig te stellen met de conserverende aanslag bij
emigratie.17
Internationale samenwerking
Zeer vermogende personen hebben veelal ook vermogen in andere landen. Nederland heeft
zich de afgelopen jaren ingezet op het tegengaan van de mogelijkheden voor multinationale
ondernemingen om hun effectieve belastingdruk te verlagen. Ook zeer vermogende personen
hebben hiervoor mogelijkheden. Internationale samenwerking op het tegengaan van mogelijkheden
voor zeer vermogenden om belasting te ontwijken en daarmee hun effectieve belastingdruk
te verlagen, is daarom van groot belang. Daarnaast zorgt internationale samenwerking
voor een gelijk speelveld. Het succes van een wereldwijde vermogensbelasting en de
opbrengsten daarvan, vallen of staan met hoe de belasting er uit komt te zien en welke
landen zo’n belasting invoeren en welke afspraken er verder worden gemaakt. Vooralsnog
is er internationaal bepaald geen meerderheid te vinden voor een wereldwijde brede
vermogensbelasting of een belasting zoals Zucman die voorstelt.
Nederland is daarom van mening dat met oog op een effectieve aanpak van de effectieve
belastingdruk van zeer vermogenden het in de internationale samenwerking van belang
is om stap voor stap te werk te gaan en te beginnen met de vraag wat er nodig is om
de meest vermogenden in de wereld effectief te belasten. Nederland vindt het bijvoorbeeld
belangrijk om te kijken naar mogelijkheden om internationale transparantie over vermogensbezit
te vergroten en het waar nodig verbeteren van bestaande internationale informatie-uitwisseling.
Ook het adresseren van schadelijke belastingregimes is een belangrijke doelstelling
van Nederland. Dergelijke voorstellen zullen in OESO, EU of VN verband ook op meer
steun kunnen rekenen dan een roep om een wereldwijde vermogensbelasting. Nederland
zet actief in op constructieve internationale samenwerking.
Welke stappen heeft Nederland al gezet
Allereerst heeft Nederland er bij herhaling voor gepleit dat de OESO dit onderwerp
oppakt. De OESO is hiermee inmiddels aan de slag, op concreet verzoek van de G20.
Ook heeft Nederland samen met Frankrijk het initiatief genomen om fiscaal voordelige
regimes voor zeer vermogenden binnen de EU te agenderen. Beide landen hebben samen
een non-paper opgesteld over dit onderwerp dat op 31 oktober vorig jaar met uw Kamer
is gedeeld. In het afgelopen najaar heeft daarop een discussie met de andere EU lidstaten
plaatsgevonden over fiscaal gemotiveerde migratie door personen. Op basis hiervan
is duidelijk dat de opvattingen tussen de Europese lidstaten erg verdeeld zijn. Een
belangrijk deel van de lidstaten is er niet van overtuigd dat verdere besprekingen
hierover toegevoegde waarde hebben. Er is daarom geen steun voor het voorstel van
Nederland om de EU gedragscodegroep het mandaat te geven om met dit onderwerp aan
de slag te gaan. Het ligt daarnaast niet in de lijn der verwachting dat dit op korte
termijn veranderd of dat er anderszins binnen de EU momentum ontstaat om verdere stappen
te zetten in de aanpak van fiscaal gemotiveerde migratie door personen. Tegelijkertijd
blijft Nederland zich inspannen voor en in discussies op EU- en OESO-niveau, onder
andere door een actieve inzet op het onderwerp «Tax, Inequality and Growth» bij de
OESO.
Slotwoord
De belastingdruk van zeer vermogenden heeft de aandacht van dit kabinet. Ik wil daarbij
benadrukken dat we in Nederland al veel onderzoek hebben gedaan naar het belasten
van vermogen en vermogende personen en dat afgelopen jaren ook de nodige maatregelen
zijn genomen in het herstel van het evenwicht in het belasten van arbeid en vermogen.
Een van de belangrijkste maatregelen betrof het verhogen van het lage Vpb-tarief van
15% naar 19% en het verlagen van de bijbehorende schrijfgrens van € 395.000 naar € 200.000.
Ook de invoering van de Wet excessief lenen waardoor leningen van meer dan € 500.000
worden belast in box 2 als dividenduitkering en de introductie van een progressief
tarief in box 2 zijn belangrijke maatregelen geweest in het zwaarder belasten van
inkomen uit aanmerkelijk belang. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd
en de introductie van het progressieve tarief in box 2 in 2027.18 Aangenomen mag worden dat deze maatregelen hebben geleid tot een evenwichtiger belastingdruk
op de inkomens uit van de meest vermogende huishoudens in Nederland. Het belasten
van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het
evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen.
Hoewel het kabinet op dit moment geen voornemen heeft om verdere stappen te nemen,
heeft de balans tussen het belasten van vermogen en arbeid blijvende aandacht.
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Indieners
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën