Brief regering : Voortgang Nationaal Programma Vitale Regio's
29 697 Gebiedsgerichte economische perspectieven en Regionaal Economisch Beleid
Nr. 179 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 januari 2026
Eerder hebben uw Kamer en het kabinet de conclusies van het rapport «Elke regio telt»
omarmd.1 In december 2024 is met het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR) en elf betrokken
regio’s invulling gegeven aan de aanbeveling om regionale agenda’s op te stellen en
benut het rijk signalen uit verschillende gebiedsgerichte aanpakken om de beleids-
en investeringslogica door te ontwikkelen.2
Zoals ook benadrukt tijdens het debat op 2 oktober jl. is het voor deze regio’s essentieel
dat de inzet en samenwerking binnen het NPVR wordt voortgezet om ervoor te zorgen
dat al onze inwoners gelijkwaardige kansen hebben, ongeacht waar iemand is geboren
en woont. De regio’s verschillen zodanig van elkaar dat gebiedsgerichte samenwerking
cruciaal is. Dit vraagt om passende inzet van rijk en regio, anders kunnen de opgaven
in deze regio’s niet effectief worden aangepakt en dreigt de ervaren grote afstand
tussen de Rijksoverheid en regio’s aan de randen van Nederland verder op te lopen.
Deze elf regio’s kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan grote maatschappelijke
opgaven waar Nederland voor staat. Er is ruimte om te versnellen op het gebied van
woningbouw, de energietransitie, de economische versterking en de weerbaarheid van
ons land. De grensligging van het merendeel van deze regio’s is een kans om de samenwerking
met buurlanden te verstevigen. Tegelijkertijd kennen de regio’s ook een stapeling
van opgaven die vragen om een gerichte impuls. Zo is er onder meer een mismatch op
de woningmarkt, gezondheidsachterstanden en (energie)armoede. Door dubbele vergrijzing
en ontgroening is de druk op de arbeidsmarkt hoog en neemt de beschikbaarheid en bereikbaarheid
van publieke en private voorzieningen af. In deze brief worden een aantal urgente
opgaven verder toegelicht waar het rijk en de regio’s de schouders onder moeten zetten
– wetende dat er in deze regio’s ook veel kracht aanwezig is.
Uw Kamer vroeg mijn ambtsvoorganger om die reden in februari 2025 in kaart te brengen
hoeveel geld er nodig is om de opgaven in deze regio’s effectief aan te kunnen pakken.
Idealiter zou deze raming gebaseerd zijn op de plannen voor de regio en waar mogelijk
reeds op uitvoeringsagenda’s. Deze zijn er echter nog niet. Daarop kom ik verder in deze brief terug.
Om toch een eerste beeld te geven in antwoord op uw vraag heeft onderzoeksbureau Rebel,
gebaseerd op bestaande studies, de drie NPVR-doelstellingen3 geoperationaliseerd en gekwantificeerd. De uitkomst van het onderzoek levert een
eerste indicatie op van circa € 1 miljard per jaar4 aan benodigde middelen van overheden en private partijen. Het onderliggende onderzoek
is als bijlage toegevoegd. Dit eerste beeld is gebaseerd op eerdere onderzoeken en
kentallen; deze eerste uitkomst is met aanzienlijke onzekerheid omgeven. Hieraan zullen
we bij de verdere uitwerking van de raming aandacht aangeven als we de raming verfijnen
op basis van de plannen voor de regio’s. Er kunnen dan ook nog thema’s worden toegevoegd.
Het onderzoek liet ook zien dat opgaven tussen regio’s verschillen. Gedane aannames
op basis van nationale kentallen moeten dus nog vertaald worden naar de regionale
praktijk. Regionale verdieping op basis van de plannen voor de regio’s in aanloop
naar de uitvoeringsagenda’s is dan ook noodzakelijk om de raming te kunnen vertalen
naar effectieve maatregelen. Daarbij hoeft niet alles extra geld te kosten: ook in
de samenwerking, met meer ruimte om eigen afwegingen te maken en kennisdeling, is
winst te behalen bij het aanpakken van de regionale opgaven.
Voor deze investeringsopgave is op dit moment geen dekking voorzien. Uit politieke
besluitvorming moet blijken of en hoeveel middelen er voor de verschillende regio’s
beschikbaar komen, al dan niet via herprioritering binnen bestaande middelen. Deze
keuzes zijn aan het volgende kabinet en uw Kamer. Een volgende stap is om in aanloop
naar de uitvoeringsagenda’s te bezien hoe zich dit verhoudt tot bestaande publieke en private geldstromen.
Leeswijzer
In deze brief ga ik dieper in op de stand van zaken van het NPVR: ik beschrijf eerst
waar we staan in de samenwerking met de regio’s. Vervolgens beschrijf ik langs drie
NPVR-doelstellingen de grootste uitdagingen waar de regio’s en het rijk de komende
jaren mee aan de slag moeten. Dan volgt een korte toelichting op de inhoud van het
onderzoek en het beeld dat daar uit volgt. Als derde ga ik in op de grensoverstijgende
samenwerking met buurlanden. Ten vierde sta ik stil bij kennis en de doorontwikkeling
van de beleids- en investeringslogica. Ik sluit de brief af met een vooruitblik op
het komend jaar en de momenten waarop u als Kamer geïnformeerd wordt over de voortgang.
1. Stand van zaken samenwerking regio en rijk in het NPVR
Er wordt hard gewerkt aan de totstandkoming van de plannen voor de regio. De eerste
vier plannen voor de regio, van de regio’s Zuidoost- Fryslân, Noard-Fryslân, Twente
en Zeeuws-Vlaanderen, worden begin 2026 besproken tussen rijk en regio. Dit is gericht
op het kunnen afgeven van commitment vanuit het Rijk om op basis van het plan voor
de regio, met de regio gezamenlijk toe te werken naar een regionale uitvoeringsagenda. In de bijlage van deze brief is een overzicht per regio met een beknopte weergave
van de stand van zaken opgenomen.
In het Kamerdebat van 2 oktober jl. werd gemaand tot een hoger tempo. Met de regio’s
is afgesproken dat zij hun eigen tempo volgen, waardoor de plannen voor de regio’s
niet allemaal op hetzelfde moment klaar zijn. Het tempo tussen de elf regio’s verschilt
vanwege de wens om alle overheidslagen, verschillende maatschappelijke partners en
een brede delegatie van departementen te betrekken. Deze brede betrokkenheid is essentieel
voor het draagvlak voor de plannen. Ook verschilt de mate waarin regio’s de samenwerking
al georganiseerd hadden. Afhankelijk hiervan vraagt het tijd om de samenwerking te
verstevigen en een stabiele basis op te bouwen. Een derde reden is dat er in sommige
regio’s verschillende programma’s tussen regio en rijk lopen, waaronder NOVEX en de
Regio Deals.5 Deze programma’s hebben een andere focus maar dragen zeker bij aan de doelstellingen
van NPVR. Ze hebben echter wel andere tijdspaden en aanpak. Dit betekent ook dat het
werken aan de uitvoeringsagenda’s, waarin regio en rijk de inzet voor de komende vier
jaar vastleggen, op verschillende momenten zal starten.
Het betrekken van inwoners en specifiek jongeren is een belangrijk onderdeel van het
NPVR. Het plan voor de regio gaat immers over hun toekomst. Iedere regio geeft daar
op een eigen manier invulling aan, maar alle regio’s dragen er zorg voor dat jongeren
worden betrokken bij het opstellen van doelen en ambities voor de regio. Vanuit het
rijk wordt blijvend aan regio’s gevraagd om jongeren te betrekken, waarbij ook aandacht
is voor uitwisseling van ervaringen tussen de regio’s. Ook zal uitwisseling tussen
de regio’s worden gestimuleerd over hoe jongeren het beste betrokken kunnen worden.
Verder wordt vanuit mijn ministerie samengewerkt met externe partners zoals de Nederlandse
School voor Openbaar Bestuur (NSOB) en Platform31 om kennis te ontwikkelen en te delen
over jongeren, waarbij de onderwerpen «betrekken van jongeren in participatieprocessen»
en «behouden en aantrekken van jongeren voor deze regio’s» centraal staan. Hier zal
tijdens de volgende voortgangsbrief nader op worden ingegaan. Op deze wijze wordt
uitvoering gegeven aan de motie van het lid Chakor.6 Zoals toegezegd aan het lid Chakor tijdens het afgelopen debat op 2 oktober jl. is
uitgevraagd of de regio's behoefte hebben aan een inwonersregisseur. Regio’s hebben
aangegeven op hun eigen manier zorg te dragen voor de betrokkenheid van inwoners.
Hierover is verdere informatie opgenomen in de bijlage bij deze brief.
2. Opgaven van de regio’s
Uit de samenwerking met de regio’s volgt een eerste, maar niet uitputtend, beeld van
de belangrijkste opgaven. Hieruit blijkt dat de regio’s veel opgaven gemeen hebben,
maar er zijn ook verschillen vanwege regionale contexten. In de komende periode wordt
deze inventarisatie verder verdiept en worden de opgaven en behoeften concreter naarmate
er meer inzicht is in de plannen voor de regio’s. Dit leidt, naast inzicht in benodigde
gebiedsgerichte interventies, ook tot inzicht in wat nodig is van de landelijke beleidslogica
en systemen.
Ik beschrijf hierna aan de hand van de drie doelstellingen van het NPVR de belangrijkste
opgaven.
Doelstelling 1: veilige en leefbare regio’s
Veel regio's hebben een verouderde woningvoorraad die niet aansluit bij huidige woonwensen.
Starters, ouderen en mensen met lagere inkomens vinden moeilijk betaalbare woningen.
De opgave is vooral kwalitatief: herstructurering en transformatie zijn nodig om de
leefkwaliteit in steden en dorpen te verbeteren én om sociaal-maatschappelijke en
sociaaleconomische problemen aan te pakken.
Het woningbestand bestaat grotendeels uit verouderde, grondgebonden woningen met een
laag energielabel in particulier bezit. Veel particuliere eigenaren hebben onvoldoende
middelen voor onderhoud of verduurzaming, wat leidt tot achterstallig onderhoud, energiearmoede
en een verslechterende leefomgeving. Door de lage bevolkingsdichtheid zijn duurzame
oplossingen, zoals warmtenetten, vaak niet rendabel.
Tegelijkertijd neemt door vergrijzing en ontgroening de druk op de woningmarkt verder
toe. Voor een toekomstbestendig vestigingsklimaat is het daarom cruciaal om voldoende
gezonde en energiezuinige woningen te realiseren die aantrekkelijk zijn voor zowel
huidige inwoners als nieuwkomers. Daarbij moet rekening gehouden worden met een veilige
inrichting van de openbare ruimte, zodat de sociale cohesie versterkt wordt en mensen
zich veilig voelen in hun woonomgeving. Voldoende geschikte en betaalbare woningen,
passend bij de veranderende demografische omstandigheden en de toekomstige werkgelegenheid
zijn nodig. Het versterken van het regionaal economisch systeem draagt bij aan het
behoud en aantrekken van inwoners en talent. Dit draagt ook bij aan het behoud van
voorzieningen en de regionale arbeidsmarkt.
De uitgestrektheid en de grensligging van deze gebieden brengen ook uitdagingen met
zich mee rond veiligheid en handhaving, bijvoorbeeld op het gebied van ondermijnende
criminaliteit. De grote afstanden en dunbevolkte gebieden maken effectief toezicht
en snelle inzet complex. Daarnaast vergroot leegstand, welke in sommige gevallen wordt
veroorzaakt door de landbouwtransitie, de kwetsbaarheid voor ondermijnende criminaliteit.
Ook is er vaak sprake van meer wantrouwen jegens de overheid en andere instanties.
De aanpak vraagt daarom om een integrale en grensoverschrijdende samenwerking.
Veel van deze regio’s hebben een sterk landelijk karakter, met veel agrarische activiteit
en natuur. Voor een langjarige houdbare aanpak is het belangrijk rekening te houden
met de specifieke eigenschappen van het landelijk gebied en de volle breedte van de
uitdagingen waar het landelijk gebied de komende decennia gesteld staat, waaronder
het behoud en versterken van een toekomstbestendige landbouw en sociaaleconomische
structuren; en het versterken van de groene waarden van het landelijk gebied.
De mate waarin de verschillende opgaven spelen, verschilt per regio. Rijk en regio
zullen in de aanpak de impact en kansen per gebied meenemen.
Doelstelling 2: een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau
Ontgroening, dubbele vergrijzing en lage bevolkingsdichtheid zetten de continuïteit
van zorg, onderwijs en openbaar vervoer onder druk, terwijl deze juist cruciaal zijn
voor de aantrekkelijkheid van de regio. Voorzieningen zoals supermarkten en scholen
vervullen in dunbevolkte gebieden een belangrijke sociale rol als ontmoetingsplaats.
Ook hebben deze voorzieningen vaak een dubbelrol: supermarkten als pakketpunt, scholen
als multifunctionele accommodaties. De vormgeving van publieke mobiliteit is een cruciale
factor om de bereikbaarheid van voorzieningen te waarborgen.
De aanwezigheid van vervolgonderwijs, mbo- en hbo-instellingen en verbindingen met
universiteiten is essentieel om jong talent aan te trekken. Wanneer jongeren voor
onderwijs een regio verlaten en niet terugkeren, verergert de ontgroening en wordt
het voor werkgevers moeilijker om personeel te vinden. Ook is bereikbare en beschikbare
zorg van groot belang voor de leefbaarheid van deze gebieden, met name vanwege de
toenemende vergrijzing.
Een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om meer dan woningen: ook de aanwezigheid
en toekomstbestendigheid van voorzieningen, ontwikkelkansen en een uitnodigende leefomgeving
doen er toe. Het verbeteren van verbindingen ten behoeve van het dagelijks leven en
het werk is noodzakelijk voor de kwaliteit van wonen en werken in deze regio’s. Ook
dit draagt bij aan het behoud en aanwas van mensen en daarmee het draagvlak voor cruciale
alledaagse voorzieningen. Het versterken van deze samenhangende randvoorwaarden is
van levensbelang om de regio economisch en sociaal vitaal te houden.
Doelstelling 3: een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners in de regio’s
In verschillende regio’s is sprake van een stapeling van sociaal-maatschappelijke
en sociaaleconomische problemen die vaak generatie op generatie voortduren. Kwetsbare
groepen met armoede- en gezondheidsachterstanden concentreren zich in bepaalde wijken.
Een deel van deze inwoners is afkomstig uit grotere steden en is vanwege de aanwezigheid
van nog betaalbare woningen naar deze delen van het land verhuisd. Deze instroom vergroot
echter de druk op leefbaarheid, voorzieningen en de aantrekkelijkheid van wijken en
dorpen.
Economisch zijn veel regio’s kwetsbaar door hun relatief homogene structuur. De lokale
economie steunt vaak op enkele grote werkgevers en veel mkb’ers. Het vertrek of faillissement
van deze dragers heeft directe en ingrijpende gevolgen voor inwoners en werkgelegenheid.
De arbeidsmarkt is bovendien krap, met grote tekorten in sectoren als zorg en onderwijs.
Door de lage bevolkingsdichtheid is de doorwerking van vergrijzing en ontgroening
in deze regio’s groter dan gemiddeld. De grensligging vormt een extra belemmering:
diploma’s uit buurlanden worden niet altijd (tijdig) erkend, waardoor potentiële werknemers
niet altijd inzetbaar zijn.
De zorg staat onder zware druk, terwijl juist in deze gebieden de behoefte groot is
door een ouder wordende bevolking en relatief veel inwoners met gezondheidsproblemen.
Het tekort aan zorgpersoneel is structureel; ziekteverzuim is hoog en de werkdruk
neemt toe. Veel regio’s kampen met een huisartsentekort en soms is er nog maar één
aanbieder voor thuiszorg, wat de continuïteit en kwaliteit van zorg kwetsbaar maakt.
Ook geografische factoren spelen een rol: grotere afstanden vergroten reistijden voor
zorgverleners, maar deze extra tijd wordt vaak niet vergoed, waardoor zorg moeilijker
te organiseren is.
Door de beperkte beschikbaarheid van formele zorg groeit de afhankelijkheid van mantelzorgers
en vrijwilligers. Tegelijkertijd wordt van inwoners verwacht dat zij meer gaan deelnemen
aan de arbeidsmarkt vanwege de krapte. Hierdoor komen sociale structuren zoals mienskip, naoberschap en samenredzaamheid onder druk te staan. Hoewel deze gemeenschappen traditioneel
veerkrachtig zijn, kunnen zij de toenemende zorg- en ondersteuningstaken niet onbeperkt
blijven opvangen wanneer professionele voorzieningen tekortschieten.
3. Uitkomst van het onderzoek
Uw Kamer heeft verzocht om de investeringsopgave voor deze regio’s in kaart te brengen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van september jl. wordt de investeringsopgave voor
de elf regio’s via twee stappen in kaart gebracht.7 Omdat de plannen voor de regio nog volop in ontwikkeling zijn, is gestart met een
onderzoek naar de investeringsopgave op basis van de drie doelstellingen van het NPVR.
Dit onderzoek is als bijlage met deze Kamerbrief meegestuurd.
De uitkomst van het onderzoek levert een eerste indicatie op van circa € 1 miljard
per jaar8 aan benodigde middelen van overheden en private partijen. Onderstaand is weergegeven
welke onderdelen per doelstelling in het onderzoek zijn meegenomen en welk bedrag
hiervoor is geraamd.
• Voor doelstelling 1 (veilige en leefbare regio’s) is gekeken naar publieke onrendabele toppen bij nieuwbouw, de herstructurering van
winkelgebieden en niet-nieuwbouw gebonden investeringen in openbare ruimte en veiligheid.
De raming voor dit pakket aan opgaven bedraagt indicatief € 6,5 mld. aan benodigde
publieke en private investeringen voor de komende tien jaar en moet nog nader geconcretiseerd
worden.9
• Voor doelstelling 2 (een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau) is gekeken naar de bereikbaarheid van kernvoorzieningen binnen een acceptabele reistijd.
Enerzijds door naar de aanwezigheid van voorzieningen te kijken, anderzijds door investeringen
in het openbaar vervoer (incl. investeringen in publieke vervoer). Ook is gekeken
naar de capaciteit van deze voorzieningen in het licht van toekomstige demografische
ontwikkelingen. De raming voor de genoemde opgaven circa 2,7 mld. aan benodigde publieke
en private investeringen voor de komende tien jaar.
• Voor de opgaven bij doelstelling 3 (een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners in de regio’s) is gekeken naar indicatoren op een aantal thema’s, waaronder werk en inkomen, onderwijs
en hulpverlening. De raming is gebaseerd op inwoners van gemeenten die op meerdere
indicatoren slecht scoren. De raming van deze opgaven bedraagt circa € 1,3 mld. aan
benodigde publieke en private investeringen voor de komende tien jaar.
Het onderzoek geeft een eerste beeld van de omvang, waar bij de verdere uitwerking
de betrokkenheid van departementen aan rijkszijde ook verder uitgebreid zal worden
om tot concrete maatregelen te komen. De volgende stap is om in aanloop naar de uitvoeringsagenda’s
te bezien welke maatregelen nodig zijn, wat de feitelijke investeringsbehoefte is
per regio, hoe zich dit verhoudt tot bestaande publieke en private geldstromen en
de baten van de investeringen die in deze raming niet zijn meegenomen. Voor de geraamde
bedragen geldt dan ook een aanzienlijke mate van onzekerheid. Ook is er nog geen dekking
voorzien voor de genoemde bedragen. Waar mogelijk is in de raming wel rekening gehouden
met reeds geoormerkte middelen, zoals de realisatiestimulans. Uit politieke besluitvorming
moet blijken of en hoeveel middelen er voor de verschillende regio’s beschikbaar komen
al dan niet via herprioritering binnen bestaande middelen. Deze keuzes zijn aan het
volgende kabinet en uw Kamer.
4. Grensoverstijgende samenwerking met de buurlanden
Een groot deel van de NPVR-regio’s ligt aan de grens. Samenwerking met buurlanden
is dan ook essentieel. Er wordt expliciet aandacht besteed aan het wegnemen van grensbelemmeringen
die kansen in de grensregio belemmeren. Dit is voor inwoners van grensregio’s, ook
buiten de NPVR-regio’s, van grote waarde voor de kwaliteit van leven, wonen en werken.
In 2024 is het Schakelpunt Grensbelemmeringen Vlaanderen-Nederland opgericht voor
het testen van een nieuwe methode om grensbelemmeringen tussen Nederland en Vlaanderen
effectief aan te pakken. Via de website10 wordt casuïstiek verzameld. Inmiddels worden 30 dossiers behandeld over onder meer
(vergoeding van) grensoverschrijdende zorg en belemmeringen bij de aanpak van grensoverschrijdende
criminaliteit/ondermijning. Dit gebeurt in intensief contact met decentrale overheden
en onderwijsinstellingen in de Nederlands-Vlaamse grensregio.
Met Nedersaksen zijn gesprekken gestart om de Samenwerkingsagenda uit 2019 te herzien.
Het doel is het actualiseren en bestendigen van de agenda op thema's als arbeidsmarkt,
onderwijs, gezondheidszorg en milieukwaliteit die aan beide zijden van de grens als
relevant worden ervaren voor de samenwerking.
Met Noordrijn-Westfalen zijn in 2025 de doelen uit de Grenslandconferentie 2024 behaald,
waaronder onderwijs in buurtaal, het inrichten van contactpunten voor euregionaal
onderwijs en de certificering van euregioprofielscholen en verhoogde financiering
van GrensInfoPunten. Voor 2026 zijn nieuwe doelen gesteld, waaronder een werkagenda
voor grensoverschrijdend ambulancevervoer en BOA-bevoegdheden over de grens. Een ander
belangrijk doel uit de nieuwe grenslandagenda is grensdata, waarover meer in het volgende
hoofdstuk.
De BRIDGEforEU verordening roept lidstaten op tot grensoverschrijdende coördinatiepunten
om belemmeringen weg te nemen. De komende periode wordt met grensregio's en buurlanden
gesproken over de praktische invulling.
Bij de aanpak van grensbelemmeringen is voorkomen beter dan genezen. De Grenseffectentoets
is sinds 2021 in het Beleidskompas opgenomen als verplichte kwaliteitseis bij de totstandkoming
van nieuw beleid en nieuwe wetgeving en brengt in beeld wat mogelijke grenseffecten
zijn. Ook in de Handleiding Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden wordt verwezen
naar de Grenseffectentoets. Uit een recente evaluatie11 van de Grenseffectentoets blijkt dat deze toets voortgezet en versterkt moet worden.
Daarbij is het van belang goed te kijken naar de relatie tussen de Grenseffectentoets
en andere beleids- en wetgevingstoetsen. Aan de hand van de aanbevelingen uit de evaluatie
zal in de komende periode worden gewerkt aan het verder versterken van de Grenseffectentoets
en de toepassing daarvan.
5. Doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica en kennis
Aan het begin van deze brief heb ik beschreven dat de elf regio’s meer en iets anders
nodig hebben van de samenwerking tussen rijk en regio en van de inzet van het rijk.
Het ontwikkelen van kennis en de doorontwikkeling ervan in de beleids- en investeringslogica
van het rijk is daarom een essentieel onderdeel van de aanpak. Dit komt niet alleen
ten goede aan deze elf regio’s; uiteindelijk profiteren alle regio’s van een aanpak
van het rijk die beter inspeelt op regionale verschillen.
Bij verschillende departementen worden stappen gezet om beleid beter aan te laten
sluiten op regionale verschillen. Zowel in visievorming als het ontwikkelen van voorstellen
voor concrete beleidsaanpassingen die bijdragen aan de doelstellingen van het NPVR.
Hiermee draagt het rijk bij aan de kwaliteit van wonen, werken en leven in deze elf
regio’s. Ik noem hiervan een aantal voorbeelden.
De NPVR-regio’s in de Ontwerp-Nota Ruimte
De Ontwerp-Nota Ruimte12 is de integrale visie van het Rijk op de fysieke leefomgeving met bijbehorende ruimtelijke
keuzes voor 2030 en 2050 met een doorkijk naar 2100. Een deel van de keuzes in de
Ontwerp-Nota Ruimte heeft een relatie met het NPVR en de NPVR-regio’s. Een voorbeeld
hiervan is de opgave van een gebalanceerde regionale ontwikkeling van wonen, werken
en voorzieningen. In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt dit gebiedsgericht uitgewerkt in
de VISTA-strategie.13 De grote meerderheid van de NPVR-regio’s ligt liggen voor een groot deel in gebieden
die in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn benoemd tot gebieden voor versterken (van de bestaande ruimtelijk-economische structuur) of initiëren (van een schaalsprong in economie en verstedelijking).
Een deel van de keuzes uit de VISTA-strategieën draagt ook bij aan de opgaven en ambities
in het NPVR. Anderzijds dragen de NPVR-opgaven en ambities bij aan de realisatie van
de VISTA-strategieën. Tegelijkertijd verschillen de aanpakken van de Ontwerp-Nota
Ruimte en het NPVR wel van elkaar. Daar waar de Ontwerp-Nota Ruimte en de VISTA-strategie
zich richten op keuzes voor de fysieke leefomgeving, is de focus van het NPVR breder
en richt zich ook op maatregelen buiten de fysieke leefomgeving. Dit komt bij elkaar
in de regio. Uiteraard wordt met de plannen voor de regio’s de verbinding gelegd tussen
de regionale ambities en de uitwerking van de keuzes die worden gemaakt in de Ontwerp-Nota
Ruimte.
Bijdragen aan regionaal-economische vitaliteit: Defensie in de NPVR-regio’s
Defensie groeit de komende jaren en breidt haar opleidings-, oefen- en trainingscapaciteit
in Nederland uit. Dit betekent niet alleen uitbreiding van kazernes, opslagplaatsen,
laagvlieggebieden en oefenterreinen, maar ook een toename van personeel en investeringen
in innovatie en samenwerking met de maakindustrie. Bij de ruimtelijke plannen zoekt
Defensie koppelkansen met maatschappelijke opgaven en meervoudig gebruik van functies,
en werkt zij deze samen met regionale partners en overheden uit. Deze activiteiten
versterken de regionaal-economische vitaliteit en werkgelegenheid in diverse regio’s,
waaronder die in de elf NPVR-regio’s. Dit betreft onder meer het maritieme cluster
in de Kop van Noord-Holland, en de samenwerking met VDL Born en Brightlands in Limburg.
Een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid
Het kabinet heeft, in lijn met de wens van de Kamer, de ambitie om rijkswerkgelegenheid
beter over het land te spreiden. Vanuit de coördinerende verantwoordelijkheid van
de Minister van BZK in het kabinet voor de rijksbrede aanpak, wordt periodiek de stand
opgemaakt en hierover aan uw Kamer gerapporteerd. Dit heb ik gedaan in de brief van
19 september 2025.14 Uit het gepresenteerde overzicht van casussen waaraan momenteel wordt gewerkt, blijkt
dat het kabinet concrete stappen zet naar een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid.
Daaronder zijn casussen in regio’s die zijn opgenomen in het NPVR.
In het kabinet zijn afspraken gemaakt waarmee de Minister van BZK een adviserende
rol heeft gekregen om Ministers te ondersteunen bij het toewerken naar een betere
spreiding van hun organisatie. Tegelijkertijd moet er rekening worden gehouden met
de grondwettelijke verhoudingen die bepalen dat iedere Minister verantwoordelijk is
voor de eigen organisatie. Als een nieuwe rijksdienst wordt opgericht of als een bestaande
rijksdienst groeit of andere huisvesting nodig heeft, ga ik in gesprek met mijn collega-bewindspersoon
over een locatie die recht doet aan zowel de regio als de betreffende rijksdienst.
Daar betrek ik de regioprofielen van provincies en regio’s bij. In de afgelopen periode
heb ik meerdere malen mijn adviesbevoegdheid ingezet om locatiekeuzes te beïnvloeden.
De afspraken in het kabinet zijn een breuk met hoe tot nu toe locatiekeuzes door Ministers
werden gemaakt.
Het tot stand brengen van passende huisvestingsoplossingen en het daarmee realiseren
van een andere koers voor de rijkswerkgelegenheid is een proces van langere adem.
Internalisering van de rijksbrede aanpak en continuering van de samenwerking met provincies
en regio’s zijn daarbij vereist.
Bereikbaarheid op Peil en publieke mobiliteit
In maart 2025 is het kabinetsstandpunt «Bereikbaarheid op Peil» naar de Kamer gestuurd15, waarin de ambitie is beschreven om bereikbaarheid van essentiële voorzieningen en
banen centraler te stellen in beleid. In gesprek met medeoverheden en maatschappelijke
partijen is gebleken dat uniforme nationale bereikbaarheidsdoelen niet wenselijk zijn.
Daarom is gewerkt aan het bereikbaarheidspeil: een instrument om in heel Nederland
bereikbaarheid te kwantificeren, in beeld te brengen en te monitoren.
In de tweede helft van 2025 is samen met decentrale overheden een plan van aanpak
opgesteld voor regionale bereikbaarheidsanalyses, dat begin dit jaar in de Bestuurlijk
overleggen MIRT is vastgesteld. Per regio wordt vervolgens een bereikbaarheidsprofiel
opgesteld met daarin de regionale ontwikkelstrategie. Zo wordt rekening gehouden met
de diversiteit van regio's in plaats van generieke nationale doelen te stellen.
Meer concreet worden stappen gezet ten aanzien van publieke mobiliteit. Publieke mobiliteit
kan bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van voorzieningen en het terugdringen
van vervoersarmoede. Dit is een belangrijk thema in de elf NPVR-regio’s. Met publieke
mobiliteit beogen we een integratie van openbaar vervoer en doelgroepenvervoer om
te komen tot een effectiever, toegankelijker en inclusiever vervoerssysteem, van ’s
ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Publieke mobiliteit is een effectief en vraagafhankelijk
vervoerssysteem voor alle reizigers, waarbij slim gebruik gemaakt wordt van huidige
vervoermiddelen en capaciteiten. Enkele regio’s zijn reeds betrokken, het voornemen
is om de aanpak op te schalen naar alle NPVR-regio’s.
Behoud van landelijk/regionaal dekkend opleidingsaanbod
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) waarborgt, in samenwerking
met onderwijsinstellingen, dat het onderwijsaanbod passend, toegankelijk, van goede
kwaliteit en arbeidsmarktrelevant is. Hierbij is extra aandacht voor regio’s waar
demografische ontwikkelingen leiden tot dalende leerlingen- en studentenaantallen.
Er wordt gekeken hoe een stabiele bekostiging kan worden gerealiseerd of waar – tijdelijk –
aanvullende bekostiging nodig is. Ook bij de maatschappelijke rol die het onderwijs
vervult, zoals voor jongeren uit kansarmere doelgroepen, is uitdrukkelijk aandacht
voor de regionale vertaling van landelijke doelstellingen, bijvoorbeeld in de werkagenda-mbo.
Samen met medeoverheden wordt gewerkt aan het versterken van de culturele infrastructuur
in heel Nederland. OCW doet onderzoek hoe cultuuruitingen en -middelen op dit moment
gespreid zijn. Daarbij wordt ook gekeken naar praktische inzichten en handelingsperspectieven
voor toekomstig beleid. Voor specifieke thema’s heeft OCW aandacht voor de regio,
bijvoorbeeld door onderwijsregio’s te faciliteren in hun aanpak van het personeelstekort
in het onderwijs of door bestaande en ontluikende samenwerkingsinitiatieven in regionale
ecosystemen op LLO-gebied te stimuleren. Daarnaast werkt OCW op het gebied van wetenschapsbeleid
ook samen met en in de regio bijvoorbeeld binnen het Delta Climate Center in Zeeland,
de AI-fabriek in Groningen16 en de voorbereidingen voor de Einstein Telescope in Zuid-Limburg.
Arbeidsmarkt
Bij het realiseren van groene en digitale transitie, het versterken van weerbaarheid
en in sectoren als onderwijs en zorg is het niet kunnen vinden van geschikt personeel
een groot probleem. Dit terwijl er ook mensen ongewild langs de kant staan of werk
doen dat niet past bij hun talenten en mogelijkheden. Zij kunnen moeilijk de juiste
ondersteuning vinden om aan het werk te komen en voor het aanleren van ontbrekende
skills om aan de slag te gaan. Ook in de elf regio’s is dit een grote opgave. De Ministeries
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Economische Zaken en van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen werken daarom aan het verbeteren van de arbeidsmarktinfrastructuur
zodat de sociale opgave, de economische opgave en de ontwikkelopgave in samenhang
worden opgepakt. Per 1 januari 2027 wordt dit wettelijk geregeld. In elke van de 35 arbeidsmarktregio’s
worden Werkcentra geopend waar werkenden, werkzoekenden en werkgevers met hun vragen
terechtkunnen. Vanuit een brede publiek-private samenwerking werken gemeenten, UWV,
sociaal ontwikkelbedrijven, vakbonden, werkgeversorganisaties, SBB en scholingsorganisaties
aan urgente problemen in de regio en maken hier afspraken over in meerjarenagenda.
De Minister van SZW informeert het eerste kwartaal van 2026 uw Kamer over de voortgang.
Kennisontwikkelingen en monitoring
Samen met de betrokken departementen en de elf regio’s ontwikkelen we een dashboard
dat de ontwikkelingen over tijd zichtbaar maakt, zowel per regio als voor het programma
als geheel. Het bevat zowel kwantitatieve indicatoren als kwalitatieve duiding en
kan door regio’s zelf worden aangevuld en gebruikt voor hun beleidsontwikkeling.
Als rijk zetten we concrete stappen om elkaars informatie beter te benutten. In het
dashboard wordt bijvoorbeeld ook de bereikbaarheid van voorzieningen in beeld gebracht.
Een onderdeel hiervan volgt uit de samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat (IenW) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) ten behoeve van de monitoring van het hiervoor genoemde programma Bereikbaarheid op Peil. Op deze manier ontstaat beter inzicht in waarom opgaven zich in bepaalde regio’s
anders manifesteren dan elders en hoe gerichte oplossingen kunnen worden ontwikkeld.
Deze specifieke monitor komt landsdekkend beschikbaar en kan zodoende ook door andere
gebiedsgerichte programma’s en regio’s gebruikt worden.
BZK zet samen met het Centraal Bureau voor de Statistiek in op het duurzaam beschikbaar
stellen van grensoverstijgende data over Nederland, België, Noordrijn-Westfalen en
Nedersaksen samen, om te voorkomen dat dataverzameling stopt aan de landsgrens. Het
doel van dit project is om structureel 360-graden data over de grensregio beschikbaar
te stellen voor beleidsmakers op nationaal, regionaal en lokaal niveau.17 Vanzelfsprekend worden deze data onderdeel van het bovengenoemde dashboard.
Tevens investeren we in gestructureerde reflectie tussen rijk en regio en binnen het
rijk. Zo ontstaat een duurzaam en gedeeld fundament voor het aanpakken van maatschappelijke
opgaven in alle delen van Nederland en verdiepen we de kennis over hoe beleid uitpakt
in de praktijk. Dit doen we tussen de regio’s onderling, en tussen rijk en regio’s.
Ook de rijksvertegenwoordigers en bestuurlijk trekkers ontmoeten elkaar jaarlijks
en nemen deel aan gezamenlijke verdiepingssessies over regionale opgaven en de rol
van het rijk.
Rural Review
In de vorige brief18 benoemde ik het belang van Rural Proofing, waarvoor ik samen optrek met het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN). Rural Proofing heeft als doel om te zorgen dat beleid aansluit bij de context en opgaven van het
landelijke gebied. Met de Rural Policy Review zal uitwerking worden gegeven geschiktheid van beleid bij plattelandsgebieden conform
motie van der Plas19 waarin het kabinet wordt verzocht dit verder te onderzoeken. De Rural Policy Review is op woensdag 24 september van start gegaan met een startbijeenkomst met stakeholders
uit het landelijk gebied en mededepartementen. Momenteel vindt er een deskresearch
plaats en de volgende stap zijn gesprekken met regio’s. Het onderzoekstraject loopt
tot begin 2027.
Tot slot en hoe we uw kamer informeren
Zoals aan het begin van de brief gezegd, is het van essentieel belang dat de inzet
en samenwerking binnen het NPVR wordt voortgezet, om ervoor te zorgen dat al onze
inwoners gelijkwaardige kansen hebben, ongeacht waar iemand geboren is en woont. Het
is aan een volgend kabinet om een afweging te maken over eventuele herbestemming van
middelen en extra investeringen. Komend jaar zal worden doorgewerkt aan regionale
verdieping en concretisering van de opgaven om tot gedragen uitvoeringsagenda’s te
komen.
Uw Kamer zal eind 2026 weer worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoeringsagenda’s,
daaraan gekoppelde afspraken per regio en de doorvertaling in financiële behoeften
per regio.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart
Indieners
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties