Brief regering : Onderzoek BuRo naar risico's van geïmporteerde rozen uit niet-EU landen voor mens en milieu
27 858 Gewasbeschermingsbeleid
25 883
Arbeidsomstandigheden
Nr. 740
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 januari 2026
Een onafhankelijk onderdeel van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, Bureau
Risicobeoordeling en Onderzoek (BuRO), heeft in 2024 een onderzoek uitgevoerd naar
de risico’s van de aanwezigheid van residuen gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde
rozen uit niet-EU lidstaten voor mens (consumenten, werknemers en inspecteurs) en
milieu (bodemorganismen en bijen). Naar aanleiding van dit onderzoek heeft BuRO een
advies gepubliceerd op 21 januari. Tijdens het Commissiedebat Gewasbescherming op
15 mei 2024 heeft het lid Pierik (BBB) een vraag gesteld over de mogelijkheid om een
residulimiet in te stellen op sierteeltproducten waar middelen op zitten die in Nederland
verboden zijn. Er is hierbij aangegeven om de resultaten van het onderzoek van BuRO
af te wachten, en er is toegezegd om de Kamer hierover te informeren door een kabinetsappreciatie
te sturen. Met deze brief informeer ik uw Kamer mede namens de Staatssecretaris van
Participatie en Integratie en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport over
dit advies en de vervolgstappen daarop. Hiermee wordt tevens de toezegging van het
lid Pierik (BBB) afgedaan.
Conclusie rapport BuRO
De conclusies in het rapport zijn als volgt:
− Risico’s worden gevonden voor zowel mensen als bodemorganismen en bijen.
− In het geval van consumptie van rozenblaadjes wordt alleen een mogelijk gezondheidsrisico
verwacht voor één stof die niet in de EU is goedgekeurd.
− Voor werkers levert de aanwezigheid van residuen van gewasbeschermingsmiddelen op
geïmporteerde rozen mogelijk een gezondheidsrisico op, als geen gebruik wordt gemaakt
van persoonlijke beschermingsmiddelen. Gezondheidsrisico’s voor werkers door acute
blootstelling zijn voor vijf stoffen ook met volledig gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen
niet uit te sluiten. Geen van deze vijf stoffen is in de EU (meer) goedgekeurd.
− Voor risico’s voor bodemorganismen en bijen geven de berekende ratio’s aan dat er
een mogelijk risico is als afval van geïmporteerde rozen van buiten de EU bij het
groenafval terechtkomt en op die manier in compost wordt verwerkt.
BuRO adviseert om ervoor te zorgen dat de aanwezigheid van residuen van gewasbeschermingsmiddelen
op geïmporteerde rozen en andere snijbloemen wordt gereguleerd opdat er geen gezondheids-
en milieurisico’s kunnen ontstaan. Zolang hierin niet is voorzien, wordt er geadviseerd
om: 1) andere departementen en toezichthouders te betrekken bij het correct gebruik
van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen door bloemisten, veilingmedewerkers,
inspecteurs en andere werkers die met geïmporteerde rozen en andere snijbloemen in
aanraking komen; 2) de consumptie van rozenblaadjes van rozen die niet specifiek voor
dat doel geteeld zijn te ontraden; 3) consumenten en bedrijven op te roepen om afval
van geïmporteerde rozen en andere snijbloemen niet bij het gft-afval of op de composthoop
te deponeren.
Beleidsreactie
Het kabinet neemt de aangetoonde risico’s uiterst serieus. De bevindingen onderstrepen
de noodzaak tot zorgvuldig en voortvarend handelen. Het kabinet staat welwillend tegenover
de geformuleerde aanbevelingen en is bereid deze, waar mogelijk, op te volgen. Het
kabinet geeft hieronder aan hoe het de aanbevelingen van BuRO opvolgt.
Regulering van residuen van gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde rozen en andere
snijbloemen
Er is geen specifieke Europese regelgeving die maximale residu limieten (MRL) van
gewasbeschermingsmiddelen op snijbloemen vaststelt. De bestaande Europese residuwetgeving
is beperkt tot voedsel en diervoeder1. Wel vallen gewasbeschermingsmiddelen die worden toegepast bij de teelt van bloemen
binnen de EU onder de Europese toelatingsverordening, waarin onder meer risico’s voor
mens en milieu worden beoordeeld, daarbij behoren ook risico’s voor werknemers2.
Het kabinet hecht groot belang aan de bescherming van mens, dier en milieu, waaronder
de bescherming van werknemers in de bloemenketen. Tegelijkertijd geldt dat de mogelijkheden
voor zelfstandig nationaal ingrijpen bij de import van bloemen beperkt zijn door het
geharmoniseerde Europese kader en het beginsel van het vrije verkeer van goederen.
Het kabinet acht het van belang dat eventuele aanvullende eisen aan residuen op geïmporteerde
bloemen op Europees niveau worden ontwikkeld en vastgesteld. Dit is noodzakelijk om
een gelijk speelveld binnen de interne markt te waarborgen en om juridische en handelsbelemmeringen
te voorkomen. Sinds 2017 heeft de Europese Commissie met verschillende lidstaten discussie
gevoerd over residuen op snijbloemen. Nederland blijft hierbij inzetten op een effectieve
uitvoering en handhaving van de bestaande Europese regelgeving en neemt actief deel
aan de Europese overleggen, waaronder SCoPAFF-vergaderingen, over dit onderwerp. Daarnaast
blijft Nederland zich in Brussel inzetten voor verdere harmonisatie en, waar nodig,
aanscherping van het Europese beleid, met het oog op een hoog niveau van bescherming
van mens, dier en milieu. Ten slotte heeft de Europese Commissie in de visie voor
landbouw en voedsel aangegeven een principe vast te willen stellen dat de meest gevaarlijke
bestrijdingsmiddelen die in de EU om gezondheids- en milieuredenen verboden zijn,
niet via geïmporteerde producten weer in de EU mogen worden toegelaten. Daartoe werd
een impact assessment voorgesteld, die op 25 november 2025 gestart is en waarvan de
resultaten verwacht worden in de zomer van 2026. De uitkomsten ervan zijn cruciaal
voor verder handelen. Het kabinet zal zich in de tussentijd op verschillende vlakken
inzetten om mens en milieu te beschermen. Hieronder wordt dit kort beschreven en nader
toegelicht.
Correct gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen door bloemisten, veilingmedewerkers,
inspecteurs en andere werkers
Uit het advies van BuRO blijkt dat werkers kunnen worden blootgesteld aan residuen
van gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde rozen. Deze blootstelling brengt reële
gezondheidsrisico’s met zich mee. Het is daarom noodzakelijk dat werkgevers, conform
de STOP-strategie, passende maatregelen treffen om blootstelling zoveel mogelijk bij
de bron te voorkomen. Waar nodig moet dit worden aangevuld met technische of organisatorische
maatregelen of als laatste stap de inzet van persoonlijke beschermingsmiddelen, ter
invulling van de wettelijke zorgplicht van werkgevers.
BuRO adviseert in dit verband het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (werkhandschoenen
conform EN374-2016 en het bedekken van armen en benen). Tegelijkertijd geeft BuRO
aan dat gezondheidsrisico’s voor werkenden door acute blootstelling voor vijf stoffen,
die in de EU verboden zijn, ook met volledig gebruik van de onderzochte persoonlijke
beschermingsmiddelen (conform EN374-2016 en het bedekken van armen en benen)3 niet uit te sluiten zijn. BuRO concludeert dit op basis van een risico-inschatting
door het RIVM. Er zijn geen metingen van de blootstelling van werknemers gedaan.
De precieze gezondheidsrisico’s bij blootstelling aan deze vijf stoffen zijn niet
bekend. Die hangen af van de mate en de duur van de blootstelling en verschilt per
werksituatie. Daarbij spelen onder andere de volgende factoren een rol:
− welke hoeveelheid schadelijke stoffen bij de werknemer terecht komt;
− of werknemers daadwerkelijk persoonlijke beschermingsmiddelen dragen;
− en of deze middelen de juiste zijn en ook correct worden gebruikt.
De bevindingen van BuRO onderstrepen het belang van bestaande verplichtingen uit de
Arbeidsomstandighedenwet. Op basis van de Arbeidsomstandighedenwet zijn werkgevers
primair verantwoordelijkheid voor een gezonde en veilige werkplek. Werkgevers moeten
de risico’s voor gezond en veilig werken, zoals de daadwerkelijke blootstelling van
werknemers, in kaart brengen in een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E). Hier
hoort een plan van aanpak bij waarin staat welke maatregelen worden genomen om risico’s
zoveel mogelijk te beperken. Daarbij verdient de bescherming en inzet van groepen
voor wie strengere regelgeving geldt speciale aandacht, zoals jongeren en zwangeren.
Concreet betekent dit dat de werkgever de risico’s zoveel mogelijk moet terugdringen
bij de bron. In dit geval door rozen zonder gewasbeschermingsmiddelen in te kopen,
waarvan het gebruik in de EU niet is toegestaan. Bij rozen met gewasbeschermingsmiddelen
die wel in de EU gebruikt mogen worden kunnen persoonlijke beschermingsmiddelen als
maatregel worden gebruikt. Naar aanleiding van het rapport is het belangrijk dat werkgevers
nagaan of de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen voor alle medewerkers aanwezig
zijn en of deze op de goede manier gebruikt worden. Sowieso geldt dat als deze middelen
nodig zijn de werkgever ze gratis beschikbaar moet stellen en zorgen voor duidelijke
voorlichting en toezicht op het juiste gebruik. Werknemers zijn op hun beurt verplicht
de instructies van de werkgever op te volgen en de middelen correct te gebruiken.
Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen heeft direct gevolgen voor minderjarige
medewerkers. Jongeren van 13, 14 en 15 jaar mogen geen werkzaamheden uitvoeren waarbij
persoonlijke beschermingsmiddelen noodzakelijk zijn. De Arbeidsinspectie houdt risicogericht
toezicht op naleving van de arboverplichtingen door de werkgever. Jongeren onder de
18 jaar mogen namelijk niet werken met stoffen die als kankerverwekkend(CMR)4 geclassificeerd zijn. De arbeidsinspectie houdt risicogericht toezicht op naleving
van de arboverplichtingen door de werkgever.
Mijn ministerie zal samen met SZW en de betrokken branches ervoor zorgen dat de informatie
uit het rapport zo snel mogelijk bij relevante werkgevers terechtkomt. Ook zullen
we bekijken hoe we branches en werkgevers kunnen ondersteunen bij de vertaling van
de aanbevelingen naar maatregelen in de praktijk. Specifiek waar het gaat om de mogelijkheden
tot substitutie (vermijden van blootstelling aan de verboden middelen) en om de inzet
van persoonlijke beschermingsmiddelen. Over de bescherming van medewerkers bij het
gebruik van bestrijdingsmiddelen is eerder al gesproken met de VBW (Kamerstuk 27 858, nr. 711). Ten slotte gaan we in overleg met betrokken branches over de vraag wat de conclusies
van het rapport betekenen voor de inzet van groepen werknemers in de betrokken branches
voor wie meer bescherming vereist is (jongeren, zwangeren, werknemers die borstvoeding
geven).
Ontraad de consumptie van rozenblaadjes van rozen (die niet voor dat doel geteeld
zijn)
Het eten van gewassen die niet specifiek gekweekt zijn om gegeten of gedronken te
worden, wordt al jaren afgeraden. Recent is op de website van het Voedingscentrum
nog eens expliciet benadrukt dat dit ook voor bloemen geldt5.
Consumenten en bedrijven oproepen om afval van geïmporteerde rozen en andere snijbloemen
niet bij het gft-afval of op de composthoop te deponeren
Uit het rapport blijkt dat op snijbloemen (rozen) residuen van werkzame stoffen zijn
aangetroffen, waarvan een deel niet voor gebruik in de EU is goedgekeurd (bladzijde 33
van bijlage 2). Mogelijk leidt dat tot een risico voor bodemorganismen en bijen, in
situaties dat bloemafval bij het groente-, fruit-, en tuinafval (gft-afval) terechtkomt
en vervolgens tot compost wordt verwerkt. Bovendien kunnen die stoffen bijdragen aan
resistentie tegen «azolen», stoffen die tegen schimmels in de gezondheidszorg en de
landbouw worden gebruikt.
Om deze risico’s te voorkomen wordt in het rapport geadviseerd consumenten en bedrijven
op te roepen om afval van geïmporteerde rozen en andere snijbloemen uit derde landen
niet meer bij het gft-afval te gooien, maar in plaats daarvan bij het huishoudelijk-
en bedrijfsrestafval. Om de eenduidigheid van de afvalscheidingsregels te waarborgen
zou dit advies niet alleen moeten gelden voor geïmporteerde snijbloemen, maar ook
voor (biologische) snijbloemen die in Nederland en Europa zijn geteeld. De consequenties
van deze maatregel zijn nu nog niet inzichtelijk en kunnen potentieel verstrekkend
zijn. Daarom is het RIVM gevraagd om nader onderzoek te doen en te oordelen of maatregelen
op dit vlak noodzakelijk zijn. Hier zal het kabinet op een later moment op terugkomen.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Indieners
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur