Brief regering : Implementatie EPBD IV
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4366
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juni 2026
De geopolitieke ontwikkelingen van de afgelopen maanden laten zien dat de noodzaak
van het verbeteren van de energieprestatie van gebouwen onverminderd hoog blijft.
De recente oorlog in het Midden-Oosten heeft, net als in 2022 bij de inval van Rusland
in Oekraïne, geleid tot fors gestegen energieprijzen.
De hoge energieprijzen zijn voor veel gebouweigenaren aanleiding om meer te verduurzamen.
De vraag naar thuisbatterijen en warmtepompen is sinds maart met tientallen procenten
toegenomen. De subsidieloketten en het Nationaal Warmtefonds zien een grote stijging
in het aantal (subsidie)aanvragen voor verduurzamingsmaatregelen. En ook de vraag
naar verduurzamingshypotheken is sinds 2026 toegenomen. Om huishoudens die willen
verduurzamen te ondersteunen en energiearmoede terug te dringen heeft het kabinet
eind april een extra pakket maatregelen genomen.1
Door meer isolatiemaatregelen en efficiëntere installaties vermindert de energievraag.
Het overschakelen naar hernieuwbare energiebronnen brengt de afhankelijkheid van soms
sterk schommelende aardgasprijzen verder naar beneden. Met het nemen van dergelijke
maatregelen vermindert ook de uitstoot van broeikasgassen door de gebouwde omgeving
en blijven we op koers om het Europese klimaatdoel van netto nul uitstoot in 2050
te bereiken.
Over de manier waarop de verduurzaming van de gebouwde omgeving structureel wordt
vormgegeven zijn op EU-niveau in mei 2024 afspraken vastgelegd in de richtlijn Energieprestatie
van Gebouwen (Energy Performance of Buildings Directive, EPBD IV2). In mijn brief van 17 maart jongstleden3 heb ik u geïnformeerd over het implementatieproces van de EPBD IV in verschillende
tranches. De brief was een vervolg op de toelichting op de belangrijkste gevolgen
van de EPBD IV die uw Kamer is toegestuurd op 14 juli 2025.4
Op 29 mei jongstleden is de 1e tranche van de EPBD IV aanpassingen in werking getreden (Stb. 2026, 103 en Staatscourant 2026, 18113 en 18123). Een beschrijving van de wijzigingen die zijn doorgevoerd komt ook op http://www.volkshuisvestingnederland.nl/epbd te staan. In de toelichting bij die wijziging worden ook de onderwerpen renovatiepaspoort
en financiële stimulansen5 benoemd.
Met deze brief licht ik graag toe welke beleidskeuzes zijn gemaakt voor de volgende
tranches in de implementatie van de EPBD IV, waarmee we stappen zetten naar meer duidelijkheid
en voorspelbaarheid over het einddoel qua verduurzaming en hoe we daar komen. Dit
is voor gebouweigenaren belangrijk, maar ook voor de markt en voor medeoverheden die
met wijkaanpakken aan de slag zijn. Dit stimuleert standaardisatie, industrialisatie
en conceptueel bouwen. De keuzes hebben betrekking op:
• isolatiestandaard als basis voor de «ZEB-richtwaarde»
• invulling en vaststelling van de overige «ZEB-richtwaarden»
• minimum energieprestatie-eisen bestaande utiliteitsbouw per 2030 en 2033
• modernisering bepalingsmethode voor de energieprestatie per 2030.
Ook geef ik graag een update over de stand van zaken van het Nationaal Gebouw Renovatieplan.
Over het Energiehuis als invulling van de one-stop-shop uit de EPBD IV informeer ik
uw Kamer voor de zomer in een separate brief die ik uw Kamer heb toegezegd. Daarnaast
zal ik uiterlijk 1 januari 2027 de Routekaart wlc-gwp6 publiceren, zoals de Europese Commissie mij heeft verzocht, met daarin de grenswaarden
2030 en de streefwaarden om de wlc-gwp voor nieuwbouw daarna verder te verlagen richting
klimaatneutraal in 2050. Ik zal uw Kamer hierover dit najaar informeren.
Isolatiestandaard als ZEB-richtwaarde
Onderdeel van EPBD IV is het opstellen van richtwaarden voor Zero Emission Buildings (ZEB) voor bestaande gebouwen. Met deze richtwaarden wordt het voor een gebouweigenaar
duidelijk in welke mate het gebouw moet worden verduurzaamd om klaar te zijn voor
de toekomst. Zoals eerder aangegeven in de brief van 14 juli 20257 vormt de standaard voor woningisolatie, ook wel isolatiestandaard genoemd, een van
de bouwstenen voor deze ZEB-richtwaarden.
De isolatiestandaard is recent geëvalueerd. De resultaten daarvan worden meegenomen
bij het opstellen van ZEB-richtwaarden. Onderstaand volgt eerst een overzicht van
de uitkomsten van de evaluatie, inclusief ervaringen met de toepassing van de isolatiestandaard
in de afgelopen jaren. Daarna wordt het proces beschreven om de andere onderdelen
van de ZEB-richtwaarden vast te stellen.
Wat is de isolatiestandaard?
De isolatiestandaard is een bestaand vrijwillig instrument8, bedoeld om de woningeigenaar een handvat te geven voor het toekomstvast renoveren
van bestaande woningen. Met isolatie-, ventilatie- en kierdichtingsmaatregelen kan
de warmtebehoefte van woningen verlaagd worden zodat deze qua isolatie en ventilatie
klaar zijn voor een duurzame manier van verwarmen. Een duurzaam verwarmingssysteem,
zoals een warmtepomp, werkt namelijk meestal met een lagere watertemperatuur in de
radiatoren dan een CV-ketel. Hierdoor wordt een woning langzamer warm en zijn maatregelen
nodig om de woning ook in koude winters nog voldoende te kunnen verwarmen. De isolatiestandaard
is uitgedrukt in een getal voor de warmtebehoefte van de woning. De standaard is vastgesteld
in 2021 waarna er in de afgelopen jaren ervaring mee is opgedaan. Bij het vaststellen
van de isolatiestandaard is aan uw Kamer toegezegd deze te evalueren.9
Evaluatie en herziening isolatiestandaard
Het evaluatieonderzoek naar de isolatiestandaard is afgerond en is als bijlage bij
deze brief gevoegd. Hieruit komen de volgende conclusies:
• De isolatiestandaard wordt als instrument positief gewaardeerd en het principe ervan
wordt gezien als logisch en goed onderbouwd. Het biedt helder inzicht wanneer een
woning goed genoeg is geïsoleerd.
• Bij woningeigenaren is de isolatiestandaard nog minder bekend. Zij geven aan dat het
werken met de isolatiestandaard logisch is, mits deze ook praktisch bruikbaar gemaakt
kan worden als een pakket maatregelen.
• Vooral bij woningbouwcorporaties wordt de systematiek vrij breed gebruikt. Corporaties
geven hierbij wel aan dat de huidige uitwerking van de isolatiestandaard in hun ogen
op sommige punten onnodig ambitieus is.
• De hoogte van de isolatiestandaard wordt niet altijd als logisch ervaren. Hierdoor
worden soms te veel maatregelen gevraagd,10 en soms wordt er minder gevraagd dan logisch en mogelijk is bij een woning.11
• Inmiddels is ook uit ander onderzoek duidelijk dat het niet altijd nodig is volledig
het niveau van de isolatiestandaard te halen om een woning aardgasvrij te kunnen verwarmen.12
• Het begrip «isolatiestandaard» roept soms verwarring op in relatie tot de term «streefwaarden»
voor isolatie en ventilatiemaatregelen. De streefwaarden hebben als doel een bovengrens
voor de isolatie van een gebouwdeel aan te geven, maar worden onbedoeld vaak geïnterpreteerd
als noodzakelijk om de isolatiestandaard te bereiken.
De evaluatie is aanleiding om de isolatiestandaard te herijken. De basisgedachte blijkt
goed te werken en blijft behouden. In de uitwerking zal rekening gehouden worden met
de ervaringen van de partijen die er mee werken. De volgende aanpassingen worden doorgevoerd:
• Herijking van de hoogte van de isolatiestandaard. De ervaring leert dat de overstap
op een duurzame warmtevoorziening ook mogelijk is als woningen niet geheel het niveau
van de huidige isolatiestandaard halen. De tijdlijn van deze herijking wordt onderstaand
toegelicht.
• Verfijning van de aanpak van vooroorlogse woningen. Het onderscheid tussen vooroorlogse
en naoorlogse woningen blijft behouden, maar voor de vooroorlogse woningen wordt een
aantal aanpassingen gedaan.
– Onderscheid tussen hoek- en vrijstaande woningen versus tussenwoningen. Bij vooroorlogse
hoek- en vrijstaande woningen wordt momenteel uitgegaan van (beperkte) isolatie van
zijgevels en andere grote geveloppervlakken. Bij deze woningen is, door het grote
geveloppervlak, toch enige vorm van isolatie van deze oppervlakken nodig om te voorkomen
dat de resterende energievraag te hoog blijft.
– De communicatie over de isolatiestandaard zal gaan benadrukken dat ook bij vooroorlogse
woningen met een spouw een spouwisolatie een zinvolle maatregel kan zijn om de energierekening
te verlagen en het comfort te verhogen, waar dit technisch goed uitvoerbaar is.
• Bepalen van maatregelenpakketten13 voor verschillende gebouwtypen waarmee de isolatiestandaard kan worden gehaald.
– In de maatregelpakketten worden herziene streefwaarden geïntroduceerd voor isolatie.
Deze streefwaarden geven de gewenste hoeveelheid isolatie aan, wanneer een gebouwdeel
wordt aangepakt.
– De mogelijkheid blijft bestaan om voor maatwerk te kiezen voor het benodigde maatregelenpakket.
Een afweging kan bijvoorbeeld zijn om gebouwdelen die al voorzien zijn van een redelijk
niveau van isolatie niet meer aan te pakken, en prioriteit te geven aan andere gebouwdelen
die nog niet geïsoleerd zijn.
Hiermee blijft de isolatiestandaard duidelijkheid geven bij het toekomstvast renoveren
van woningen en vergroot de flexibiliteit die nodig is om de isolatiestandaard efficiënt
en effectief te kunnen toepassen bij alle woningen.
Invulling overige ZEB-richtwaarden
In 2050 moeten alle gebouwen energiezuinig zijn, zonder fossiele uitstoot en zoveel
mogelijk gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen in of nabij het gebouw. Gebouweigenaren
hebben duidelijkheid nodig over de betekenis hiervan. In de Kamerbrief van 14 juli
202514 is al aangegeven dat de ZEB-richtwaarden uitgaan van een gebouw dat:
1. Zeer weinig energie nodig heeft voor verwarming en/of koeling (goed geïsoleerd en
geventileerd);
2. Efficiënte, energiezuinige installaties heeft;
3. Vrij is van fossiele emissies op het eigen perceel («aardgasvrij»), en
4. De benodigde energie zoveel mogelijk invult met hernieuwbare energie door opwek op
of bij het gebouw of via efficiënte warmtenetten.
Deze ZEB-richtwaarden voor bestaande woningen en bestaande utiliteitsgebouwen worden
voor de implementatie van de EPBD IV vastgelegd in regelgeving, zonder dat die richtwaarden
voor alle bestaande gebouwen verplichte eisen worden.
Het eerste onderdeel («zeer weinig energie nodig voor verwarming en/of koeling») wordt
voor bestaande woningen gebaseerd op de eerder beschreven isolatiestandaard. Voor
bestaande utiliteitgebouwen wordt een vergelijkbare aanpak uitgewerkt. Gebouweigenaren
weten daarmee welk isolatieniveau nodig is en welke maatregelen nog genomen moeten
worden om dat niveau te bereiken.
Daarnaast wordt gewerkt aan een voorlopige invulling van de overige onderdelen van
ZEB-richtwaarden voor bestaande bouw, voor efficiënte (onderdeel 2) en aardgasvrije
(onderdeel 3) installaties. Omdat de bepalingsmethode voor de energieprestatie juist
voor installaties nog herzien wordt is het niet goed mogelijk om nu al een volledige
invulling hiervoor te formuleren die ook toekomstvast is. Dit deel wordt daarom vooralsnog
als maatregel ingevuld, met daarbij indicatief een berekende richtwaarde voor de systeemprestatie
voor verwarming en tapwater.
Het vierde onderdeel («benodigde energie zoveel mogelijk ingevuld met hernieuwbare
energie door opwek op of bij het gebouw of via efficiënte warmtenetten») wordt voor
bestaande bouw vooralsnog ingevuld met de bestaande eis voor hernieuwbare energie
die geldt bij de ingrijpende renovatie van gebouwen. Deze bestaande eis is in 2023
getoetst op haalbaarheid en is op dit moment een haalbare invulling van dit onderdeel
in geval van ingrijpende renovatie van een bestaand gebouw. Voor gebouwen die geen
ingrijpende renovatie ondergaan wordt voorlopig nog geen richtwaarde geformuleerd;
dit volgt pas in 2030 wanneer er een duidelijker beeld is van de behoefte aan aanvullende
hernieuwbare energie-opwek op gebouwen.
Aanpassing energiegebruik nieuwbouwwoningen (toezegging Z202605–044)
Naast deze uitwerking van ZEB-richtwaarden voor bestaande gebouwen wordt ook een aanvulling
voorbereid voor nieuwbouwwoningen. Er geldt al een eis15 dat een nieuwbouwwoning de capaciteit moet hebben om te kunnen reageren op externe
signalen, en het energiegebruik, voor zover technisch en economisch haalbaar, aan
te passen. Vooruitlopend op de overgang op de ZEB-eisen voor nieuwbouwwoningen in
2030 wordt in het Bbl al een maximale waarde van het piekverbruik opgenomen. Door
energiegebruik beter in de tijd te spreiden wordt beter gebruik gemaakt van de eigen
opwek van hernieuwbare energie en wordt het stroomgebruik beperkt op momenten dat
er weinig hernieuwbare stroom beschikbaar is. Een eis aan het piekverbruik zal, in
combinatie met het kunnen reageren op externe signalen, ook positief bijdragen aan
de landelijke problematiek van de belasting van het stroomnet. Het voornemen is dat
deze regels per 1 januari 2028 in werking treden.
Vaststelling van ZEB-richtwaarden
De invulling van de ZEB-richtwaarden in de periode tot 2030 wordt gebaseerd op het
huidige stelsel voor de energieprestatie. Dit betekent dat berekeningen worden uitgevoerd
met de huidige bepalingsmethode NTA8800. Dit geldt ook voor de isolatiestandaard.
Vanaf 2030 wordt overgestapt op een gemoderniseerde bepalingsmethode voor de energieprestatie
en worden de waarden opnieuw vastgesteld waarmee aan de isolatiestandaard en de ZEB-richtwaarden
wordt voldaan. De maatregelen (het maatregelenpakket) waarmee aan de isolatiestandaard
wordt voldaan veranderen daarmee echter niet.
Voor de herberekening van de ZEB-richtwaarden wordt opnieuw gekeken naar de kosten
en baten van maatregelen. Zo nodig worden de ZEB-richtwaarden aangepast aan nieuwe
inzichten, en worden vastgelegde richtwaardes vervolgens waar nodig aangepast. De
richtwaarden voor ZEB bestaande bouw kunnen dan dus nog veranderen. Uw Kamer wordt
over deze overstap ruim voor de overgangsdatum geïnformeerd. Verderop in deze brief
ga ik verder in op de overstap naar de nieuwe bepalingsmethode per 2030.
Er is voor gekozen om de ZEB-richtwaarden voor bestaande bouw in het Besluit kwaliteit
leefomgeving (Bkl) vast te leggen om gebouweigenaren de gewenste duidelijkheid te
bieden wanneer een gebouw «klaar» is. Ook wordt hiermee duidelijk dat de ZEB-eisen
voor nieuwbouw16 niet gaan gelden voor bestaande bouw.17 De ZEB-richtwaarden voor bestaande bouw zijn met de vastlegging in het Bkl niet verplicht
voor gebouweigenaren. Het tijdspad voor vastlegging is opgenomen in bijlage B.
De ZEB-richtwaarden voor bestaande bouw worden in het Bkl gekoppeld aan een omgevingswaarde
dat jaarlijks 3% van de totale vloeroppervlakte van overheidsgebouwen naar ZEB gerenoveerd
moet worden. Dit is een verplichting die voortvloeit uit de Energie Efficiëntie richtlijn
(EED). Door deze vastlegging in het Bkl wordt het mogelijk om de verplichte renovatie
van overheidsgebouwen te richten op renovatie tot ZEB-niveau en niet op het niveau
van de ZEB-nieuwbouweisen.
Minimum energieprestatie-eisen bestaande utiliteitsbouw per 2030 en 2033
De EPBD IV stelt minimum energieprestatie-eisen aan winkels, scholen en andere gebouwen
(utiliteitsgebouwen). Uit artikel 9 van de EPBD IV volgt dat lidstaten eisen moeten
stellen zodat per 2030 de 16% en per 2033 de 26% slechtst presterende gebouwen verbeterd
zijn. Dit zijn de Minimum Energieprestatie Eisen (Minimum Energy Performance Standards, afgekort tot MEPS). De MEPS zijn de eerste stap richting een emissievrije gebouwenvoorraad.
In lijn met de Kamerbrief van 14 juli 202518 worden de MEPS ingevoerd met oog voor duidelijkheid, voorspelbaarheid en meer eenvoud
voor de eigenaar.
De afgelopen periode is onderzocht hoe de MEPS het best vertaald kunnen worden binnen
de Nederlandse context en de aankomende ZEB-richtwaarden.19 De inzet is om een uniforme norm vast te stellen voor alle utiliteitsbouwen die onder
de MEPS vallen. Zo zullen alle utiliteitsgebouwen aan een minimum energieprestatie
moeten voldoen die in het algemeen overeenkomt met minimaal energielabel D in 2030.20 Vanwege de modernisering van de bepalingsmethode voor de energieprestatie zal de
eis voor 2033 pas in de komende jaren definitief worden vastgesteld. Eigenaren die
al eerder grotere stappen willen maken kunnen het huidige energielabel C als referentiekader
gebruiken: gebouwen die uiterlijk in december 2029 een energielabel C hebben zullen
ook voldoen aan de Europese eisen die in 2033 gaan gelden.
Om beter aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk van de gebouweigenaar kies ik voor
de invoering van een systeem waarbij gebouweigenaren de mogelijkheid hebben om op
verschillende manieren aan te tonen dat zij voldoen aan de MEPS. Dit kan ofwel via
een geldig energielabel ofwel via opgave van het werkelijk energieverbruik. Ter voorbereiding
op de internetconsultatie ga ik de komende tijd met markt- en uitvoerende partijen
dit systeem verder uitwerken. De invulling van dit systeem wordt onderdeel van de
internetconsultatie van de MEPS. Het streven is die consultatie in de zomer te starten.
Daarnaast verken ik of een nieuwe portefeuilleaanpak mogelijk is voor gebouweigenaren
met meerdere panden. Hiermee zou er ruimte gemaakt worden voor gebouweigenaren om
(onder bepaalde voorwaarden) in de loop van de tijd alle gebouwen in hun portefeuille
een voor een te verduurzamen naar het einddoel emissievrij gebouw, in plaats van in
2030 bij elk gebouw een beperkte stap gezet te moeten hebben. Als tegenprestatie voor
meer flexibiliteit zou dan de gebouwportefeuille als geheel sneller verduurzamen dan
de afzonderlijke gebouwen anders wettelijk verplicht zouden zijn.
Om de duidelijkheid voor gebouweigenaren te vergroten is afstemming en een logische
samenhang met andere verplichtingen voor het nemen van verduurzamingsmaatregelen in
utiliteitsgebouwen van belang. De meest relevante hierbij is de Energiebesparingsplicht.
Hierover ben ik verder in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei.
Modernisering bepalingsmethode voor de energieprestatie per 2030
In de brief van 14 juli 202521 is aangekondigd dat in 2030 een gemoderniseerde bepalingsmethode voor de energieprestatie
van gebouwen wordt ingevoerd. In deze gemoderniseerde bepalingsmethode worden de berekeningen
op een aantal punten verbeterd zodat er een betere aansluiting is bij het gemiddeld
gebruik van gebouwen, namelijk:
• Een nieuwe ijking vindt plaats van variabelen die in de methode gebruikt worden;
• Rekenen met een uurlijkse methode;
• De berekening van het rendement van installaties wordt verbeterd;
• Er wordt beter rekening gehouden met het veranderende klimaat.
Om een beter en realistischer beeld te krijgen van het gemiddelde energiegebruik zullen
de huidige voorzichtige schattingen van de variabelen aangepast worden. Deze schattingen
zijn vaak te hoog of te streng, waardoor het lijkt alsof een gebouw slechter presteert
dan het in werkelijkheid doet. Met een nieuwe ijking komt de berekening dichter bij
wat er in de praktijk daadwerkelijk gebeurt.
Daarnaast wordt in de nieuwe bepalingsmethode op uurlijkse basis gerekend in plaats
van de huidige maandelijkse methode. Hiermee wordt de bepalingsmethode dynamischer
en kan een beter beeld geven van het risico op oververhitting, de invloed van energieopslag
en de netbelasting, en is daarmee toekomstbestendiger. Ook wordt de berekening van
het rendement van installaties aangepast, zodat er beter aangesloten wordt op Europese
producteisen en er meer rekening gehouden wordt met het rendement van de installatie
wanneer deze niet op volle capaciteit draait, maar op een lager vermogen. Door installaties
te kiezen met een beter deellast-rendement (bijv. modulerende ketels of warmtepompen)
kun je energie besparen in periodes met lagere warmtevraag, zoals in voor- en najaar
en in goed geïsoleerde gebouwen.
Ook zal gewerkt worden met geactualiseerde klimaatgegevens. In de huidige bepalingsmethode
wordt nog uitgegaan van de klimaatgegevens uit de periode 1996–2015. Er wordt overgestapt
op het referentieklimaat voor 2033, waarin rekening wordt gehouden met het gemiddelde
toekomstige klimaat in Nederland en met het stedelijk hitte-eilandeffect. Hierdoor
zal de nieuwe bepalingsmethode een realistischer inschatting maken van de te verwachten
warmte- en koelbehoefte van gebouwen.
Naast de bepalingsmethode zal het ook mogelijk worden het gemeten energiegebruik als
indicator te gebruiken voor de energieprestatie van gebouwen, zoals aangekondigd voor
de MEPS bij utiliteitsbouw. Hiervoor worden de komende tijd methodes ontwikkeld.
Inzet nieuwe bepalingsmethode voor andere instrumenten
De bepalingsmethode wordt gebruikt voor verschillende beleidsinstrumenten, zoals het
energielabel, het WWS en de leennormen voor hypotheken. De nieuwe indicatoren die
per 2030 met de gemoderniseerde bepalingsmethode berekend kunnen worden bieden de
mogelijkheid om voor deze instrumenten de indicatoren te kiezen die optimaal aansluiten
bij hun doelstellingen. Daarmee wordt het mogelijk om per beleidsinstrument de indicator
te kiezen die het beste past bij het doel van dat instrument. Over de keuze voor nieuwe
indicatoren ga ik met betrokken partijen in gesprek.
Het Nationaal plan voor de renovatie van gebouwen (NBRP)
Het Nationaal plan voor de renovatie van gebouwen (National Building Renovation Plan, NBRP) bevat in essentie de langetermijnstrategie hoe Nederland in 2050 het afgesproken
einddoel van de EPBD gaat realiseren: een zeer energiezuinige en emissievrije gebouwde
omgeving. De internetconsultatie van het concept NBRP is op 1 mei jl. gesloten. Er
zijn ruim 60 reacties ontvangen. Deze zullen in de definitieve versie van het NBRP
worden verwerkt. Het definitieve NBRP zal verder worden verbeterd aan de hand van
de feedback van de Europese Commissie op het concept NBRP (verwacht rond de zomer
2026) en door de adviezen van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar
de verduurzaming van de gebouwde omgeving, waarvan deze zomer een rapport verwacht
wordt. Het definitieve plan moet eind december gereed zijn voor indiening bij de Europese
Commissie.
Voor het NBRP is een prognose gemaakt wat er richting 2040 en 2050 nodig is om het
EPBD-einddoel te halen voor zowel woningen als utiliteitsgebouwen. Uit de berekeningen
blijkt dat de verduurzamingsopgave richting 2050 nog aanzienlijk is, zowel voor woningen
als voor utiliteitsbouw. In algemene zin wordt geconstateerd dat het tempo van isolatiemaatregelen
redelijk op koers ligt, maar dat de vervanging van fossiele installaties te langzaam
gaat.22 Deze opgave zal mee worden genomen in de overwegingen van het kabinet in het voorjaar
van 2027 om aanvullende nationaal geborgde maatregelen te nemen zoals aangekondigd
in het Coalitieakkoord. De adviezen van het IBO zullen hier in worden meegenomen.
Tot slot
De onderwerpen van de 1e tranche EPBD IV heb ik de afgelopen periode afgestemd met de belanghebbenden en breed
geconsulteerd. De wijzigingen die in het Bbl zijn opgenomen zijn voorgelegd aan de
Raad van State.
Ook voor de volgende tranches ga ik over belangrijke keuzes uw Kamer informeren en
de uitwerking afstemmen met belanghebbenden. Daarnaast blijf ik ervaringen van de
markt met de toepassing van de isolatiestandaard en ZEB-richtwaarden volgen. Met de
voortzetting van deze wijze van implementatie van de EPBD IV vertrouw ik erop dat
we onze gebouwen verder gaan verduurzamen op een goed uitvoerbare en haalbare manier,
waarbij we er tevens voor zorgen dat de mensen kunnen leven en werken in gezonde,
duurzame woningen en gebouwen. Daarbij zet ik me maximaal in dat de energierekening
betaalbaar blijft.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O’Sullivan
BIJLAGE A PLANNING REGELGEVING TRANCHES EPBD IV
De 1e tranche EPBD wijzigingen is afgerond. Hieronder staat de planning van de overige
tranches.
Planning 2e tranche EPBD wijzigingen
– ZEB nieuwbouw overheidsgebouwen (2028)
– Rekenplicht wlc-gwp gebouwen 1.000m2 (2028)
apr – jun 2026
Consultatie 2e tranche EPBD wijzigingen Bbl
aug – okt 2026
Advisering Raad van State (Bbl)
aug – okt 2026
Consultatie 2e tranche EPBD wijzigingen Or
dec 2026
Bekendmaking Bbl en Or
1-jan-2027
Inwerkingtreding wijzigingen Bbl en Or
Planning 3e tranche EPBD wijzigingen
– ZEB bestaande bouw (2027)
– MEPS Ubouw (2030 en 2033)
mrt – apr 2026
Agendering Bbl in JTC en OPB
aug – okt 2026
Consultatie 3e tranche EPBD wijzigingen Bbl en Bkl
feb – mei 2027
Advisering Raad van State (Bbl en Bkl)
feb – mrt 2027
Consultatie 3e tranche EPBD wijzigingen Or
jun 2027
Bekendmaking Bbl, Bkl en Or
1-jul-27
Inwerkingtreding wijzigingen Bbl, Bkl en Or
NB Voor de 4e tranche, met daarin o.a. de ZEB-eis voor alle nieuwbouw per 2030 en de nieuwe labelsystematiek
op basis van de gemoderniseerde bepalingsmethode, komt te zijner tijd de detailplanning
van de regelgeving beschikbaar.
BIJLAGE B PLANNING VASTLEGGING ISOLATIESTANDAARD EN ZEB-RICHTWAARDEN
Voor de vastlegging van de isolatiestandaard en de ZEB-richtwaarden voorzie ik het
volgende tijdpad:
• Augustus 2026: Internetconsultatie van de herziening van de isolatiestandaard, en
van de overige de ZEB-richtwaarden
• December 2026: Opnemen van alle ZEB-richtwaarden bestaande bouw met als onderdeel
daarvan het herziene niveau van de isolatiestandaard in het Nationaal plan voor de
renovatie van gebouwen (NBRP)
• 1 juli 2027: Bekendmaking van de wijziging van het Bkl met het herziene niveau van
de isolatiestandaard en van ZEB-richtwaarden als onderdeel van de omgevingswaarde
• Medio 2027: Aanpassing van het niveau van de isolatiestandaard in de berekening op
het energielabel voor gebouwen
• Medio 2027-medio 2028: Herberekening van ZEB-richtwaarden met de gemoderniseerde bepalingsmethode
en voorbereiding wijziging richtwaarden
• Eind 2028: Internetconsultatie van deze wijziging van de regelgeving
• 1 jan 2030: Overgang op ZEB-richtwaarden, waarin de isolatiestandaard volledig geïntegreerd
wordt, de isolatiestandaard vervalt als zelfstandig instrument
Bijlagen
Volgnummer
Naam
Informatie
1
Evaluatie isolatiestandaard – rapport (WCAG) – WE32948
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening