Brief regering : Kabinetsreactie AIV CAVV-advies Bescherming Hulpverleners
36 180 Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
32 735
Mensenrechten in het buitenlands beleid
Nr. 198
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2026
Tijdens het Commissiedebat RBZ van 10 april 2025 verzocht de Kamer de regering om
de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) om een briefadvies te vragen over straffeloosheid
voor geweldpleging tegen hulpverleners.1 Het verzoek komt tegemoet aan de groeiende maatschappelijke en parlementaire zorg
over de onveiligheid van hulpverleners, zoals blijkt uit recente moties, Kamervragen
en oproepen vanuit het maatschappelijk middenveld.2
De AIV en CAVV bevestigen in hun rapport van 12 maart 20263 dat er alle reden is tot zorg. Het kabinet deelt die zorg. Het kabinet onderschrijft
volledig de norm dat geweldpleging tegen hulpverleners onrechtmatig en onacceptabel
is. Nederland wil die norm gezamenlijk met andere staten en met hulpverleners bevestigen
en verdedigen. Hulpverleners zijn beschermd onder het humanitair oorlogsrecht (HOR).
Zij moeten hun werk veilig kunnen doen. Hier gaat Nederland zich steviger voor inspannen.
Geweld tegen hulpverleners past in bredere trend
In maart 2025 werden vijftien hulpverleners onder vuur genomen en gedood in Gaza,
waarvan acht hulpverleners van de Palestijnse Rode Halve Maan. De voertuigen en hulpverleners
werden daarna begraven onder het puin. In de oorlog in Oekraïne zijn hulpverleners
het doelwit van zogeheten double tap aanvallen door het Russische leger; kort na een eerste aanval volgen er meer, gericht
op de toegesnelde hulpverleners. Op 5 maart 2026 kwam Um Salama Mohammed Abdullah
van de Soedanese Rode Halve Maan om het leven door een mortieraanval. Zij was op dat
moment aan het werk in het Al-Dilling ziekenhuis in Zuid-Kordofan. En ook in Libanon
werden de afgelopen maand meerdere hulpverleners slachtoffer van dodelijke aanvallen.
Dit zijn voorbeelden van een bredere trend. De afgelopen jaren is wereldwijd het aantal
dodelijke slachtoffers onder hulpverleners explosief gestegen. 2024 vormde een dieptepunt
met maar liefst 631 aanvallen op hulpverleners, met 385 dodelijke slachtoffers tot
gevolg, en 308 gewonden. 138 hulpverleners werden ontvoerd. Vorig jaar ging het om 406 aanvallen, 341 doden,
195 gewonden en 116 ontvoerden.4 Lokale hulpverleners zijn het vaakst slachtoffer. Deze ondermijning van het HOR heeft
ernstige gevolgen. Mensen blijven verstoken van levensreddende hulp. En hoe inhumaner
de oorlogsvoering, hoe lastiger het pad naar duurzame vrede.
Het kabinet verwelkomt dan ook het advies van de AIV en CAVV, en dankt hen voor de
constatering dat Nederland al veel doet om hulpverleners te beschermen evenals voor
de aanmoediging om hierin voorop te blijven lopen. De AIV en CAVV constateren dat
er meer inspanning nodig is tegen straffeloosheid. In deze brief gaat het kabinet
vooral in op het versterken en waar nodig aanvullen van het systeem om straffeloosheid
tegen te gaan. Voor het kabinet is het advies van de AIV en CAVV aanleiding om nog
gerichter in te zetten op de verdediging en bestendiging van het HOR. In specifieke
conflicten wil het kabinet zich daarnaast met gerichte humanitaire diplomatie en bemiddeling
inspannen om menselijke, onpartijdige, neutrale en onafhankelijke humanitaire actie
te waarborgen. Tot slot gaat het kabinet nog meer investeren in de fysieke veiligheid
van, en psychosociale steun voor hulpverleners.
Met deze kabinetsreactie komt het kabinet ook deels tegemoet aan de moties van Dobbe
c.s. van 11 december 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3303) met verzoek om beleid te ontwikkelen om geweld tegen zorg- en hulpverleners tegen
te gaan en Kröger van 14 januari 2026 (Kamerstuk 36 180, nr. 192) met verzoek aan de regering om zich stevig publiekelijk of, waar effectiever, via
humanitaire diplomatie uit te spreken tegen het delegitimeren en criminaliseren van
humanitaire organisaties.
De trend van toenemend geweld tegen hulpverleners moet gekeerd worden. Dat betekent
dat we collectief actie moeten nemen. Als er niets verandert, of we stil blijven over
deze ontwikkelingen, zet de normvervaging door en kunnen humanitaire hulpverleners
steeds minder hun neutrale, levensreddende werk verrichten. Met nog meer leed voor
de meest kwetsbaren in de meest moeilijke situaties.
Het kabinet wil overtreders van het HOR verantwoordelijk stellen voor hun daden, door
opsporing en berechting dan wel met persoonsgerichte sancties, via bestaande mechanismen
en procedures.
Normhandhaving en bestrijding van straffeloosheid
De AIV en CAVV zien het grootste risico voor de veiligheid van hulpverleners in een
combinatie van afnemend respect voor het HOR en toenemende aanvallen op hulpverleners
aan de ene kant en achterblijvende internationale respons hierop aan de andere kant.
Volgens de AIV en CAVV werkt het gebrek aan respons straffeloosheid in de hand, niet
alleen binnen een gewapend conflict, maar ook elders. Het kabinet onderschrijft dit
risico.
Er is volgens de AIV en CAVV nog altijd breed draagvlak voor de humanitaire principes
en het HOR. De uitdaging is volgens hen om dit te vertalen naar concrete actie op
diplomatiek, juridisch en financieel vlak. Hier ligt volgens de AIV en CAVV een rol
voor staten, de EU en de VN. De AIV en CAVV roepen Nederland op zich consequent hard
te maken voor onderzoek bij geweld tegen hulpverleners en opvolging te geven aan uitkomsten
van dergelijk onderzoek.
Het kabinet onderkent dat het multilaterale systeem, waarin de diverse onderzoeksmechanismen
die onderzoek doen naar en bewijs verzamelen over geweld tegen hulpverleners, te kampen
heeft met capaciteitsbeperkingen en onvoldoende financiering. Nederland gaat zich
dan ook inzetten voor de slagkracht van dit systeem. Door in de Mensenrechtenraad
de aandacht te vestigen op geweld tegen hulpverleners, door verder te investeren in
de mensenrechtenpijler van de VN om de bestaande mandaten van rapporteurs en accountabilitymechanismen
effectief hun werk te laten doen, en door de toetreding tot het Verdrag van Ljubljana-Den
Haag door zoveel mogelijk staten te bevorderen om de internationale samenwerking bij
opsporing en vervolging van internationale misdrijven te versterken.
Nederland speelde in multilateraal verband een actieve rol bij de totstandkoming van
recente VN-resoluties op het gebied van het HOR en de bescherming van hulpverleners,
zoals VNVR-Resolutie 2730. Ook steunt Nederland het Global Initiative to Galvanize Political Commitment to IHL5 van Brazilië, China, Frankrijk, Jordanië, Kazachstan en Zuid-Afrika en het Internationaal
Comité van het Rode Kruis (ICRC), waar meer dan 100 landen aan deelnemen. En Nederland
behoort tot de eerste landen die zich in 2025 aansloten bij de Australische Verklaring
ter bescherming van humanitair personeel6 en de op basis daarvan opgerichte Group of Friends van meer dan 110 staten on the Protection of Humanitarian Personnel.
Het kabinet gaat zich inzetten om deze samenwerkingsverbanden te gebruiken om de door
de AIV en CAVV geadviseerde concretisering van het internationale draagvlak voor de
humanitaire principes en het HOR te bewerkstelligen, en onderzoek bij geweld tegen
hulpverleners een nieuwe impuls te geven.
Internationaal onderzoek
Vermeende internationale misdrijven gepleegd tegen hulpverleners vragen om gedegen
en onafhankelijk onderzoek. Zowel het Internationaal Strafhof als diverse onderzoeksmechanismen
ingesteld door de VN-mensenrechtenraad kunnen reeds onderzoek doen naar aanvallen
(gericht) op hulpverleners. Nederland steunt daarom de mandaatverlenging van relevante
Fact Finding Missions en Commissions of Inquiries in de Mensenrechtenraad. Zo trad Nederland in augustus 2025 toe tot de kerngroep
van de Soedan resolutie in de VN-Mensenrechtenraad en zette zich in voor de verlenging
van het mandaat van de Fact Finding Mission voor Soedan. Het kabinet roept waar nodig en mogelijk op tot onderzoek van vermeende
schendingen van het HOR, samen met partners en gelijkgezinden.
Individuele lidstaten kunnen de bestaande capaciteitsproblemen van deze VN onderzoeksmechanismen
niet geoormerkt adresseren via financiële bijdragen aan aparte onderzoeksmechanismen,
omdat hierdoor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid ervan in het gedrang kan komen.
Wel steunt Nederland de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten op accountability
met een bedrag van EUR 3,5 miljoen over de jaren 2025–2027. Met deze steun draagt
Nederland onder andere bij aan het werk van de OHCHR Human Rights Inquiries Branch. Deze Branch zet in op het versterken en verbeteren van de capaciteit van de verschillende VN
onderzoeksmechanismen ten behoeve van hun onderzoek naar mensenrechtenschendingen
en/of internationale misdrijven.
Nederland steunt bovendien indirect diverse internationale onderzoeksmechanismen via
de organisatie Justice Rapid Response, die vanuit een expertisepool detacheringen aan onderzoeksmechanismen mogelijk maakt.
Zo is in 2024–2026 een bedrag van EUR 900.000 bijgedragen aan deze organisatie. Nederland
gaat nadrukkelijker inzetten op versterking van de onderzoekscapaciteit door ook na
2026 steun aan deze organisatie voort te zetten. Bij deze organisatie zal worden aangedrongen
op het belang van het beschikbaar stellen van hun expertise ten behoeve van het tegengaan
van straffeloosheid van internationale misdrijven jegens hulpverleners.
Het kabinet heeft het voornemen in 2026 EUR 2,5 mln extra ter beschikking te stellen
aan o.a. de OHCHR Human Rights Inquiries Branch uit vrijgevallen middelen binnen de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Het
kabinet zal zich inspannen om deze extra bijdragen ook in de opvolgende jaren voort
te zetten.
In december 2025 organiseerde Nederland, samen met Australië, het Nederlandse Rode
Kruis, Artsen Zonder Grenzen en Legal Action Worldwide een bijeenkomst over het tegengaan van straffeloosheid van aanvallen op humanitaire
hulpverleners tijdens de jaarlijkse vergadering van verdragspartijen bij het Internationaal
Strafhof. Ook komend jaar zet Nederland zich ervoor in dit onderwerp in de context
van het Internationaal Strafhof aan te kaarten, bijvoorbeeld tijdens de Assembly of State Parties.
Nationale opsporing en vervolging
Het AIV en CAVV advies gaat ook in op nationale opsporing en vervolging en mogelijke
verbreding van de Nederlandse strafrechtsmacht onder de Wet internationale misdrijven
(WIM). Zij adviseren om niet tot een dergelijke wetswijziging over te gaan. De door
Uw Kamer in december 2025 aangenomen motie Dobbe c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3303) roept het kabinet op de WIM wel aan te scherpen. Hierop beraadt het kabinet zich
nog. Het kabinet komt daarom later terug op de mogelijkheden van nationale opsporing
en vervolging, waaronder op de inzet die reeds wordt gepleegd.
Verdrag van Ljubljana-Den Haag
Het kabinet is het eens met de AIV en CAVV dat de inwerkingtreding van het Verdrag
van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de nationale opsporing
en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en
andere internationale misdrijven7 van groot belang is in de strijd tegen straffeloosheid, onder andere van misdrijven
gepleegd tegen hulpverleners. Het kabinet omarmt dit advies en gaat zich hard maken
voor een snelle ratificatie van het verdrag door zoveel mogelijk landen wereldwijd.
Het plan is dat daartoe Nederlandse ambassades, samen met andere partners, wereldwijd
demarches ondernemen om aansluiting bij het verdrag te bepleiten. Ook zal Nederland
daartoe gerichte bijeenkomsten organiseren bij relevante multilaterale conferenties,
en een evenement organiseren tijdens het Nederlandse voorzitterschap in 2027 van de
Raad van Europa. Tenslotte reserveert het kabinet middelen om technische en juridische
ondersteuning te kunnen bieden aan landen die, ten behoeve van hun ratificatie, daar
behoefte aan hebben.
In de komende jaren zal Nederland langs de hierboven geschetste lijnen aandacht blijven
vragen voor het belang van dit nieuwe verdrag, zowel in bilateraal als in multilateraal
verband. Voor de verschillende initiatieven op dit vlak is EUR 0,5 mln gereserveerd,
uit vrijgevallen middelen binnen de begroting voor ontwikkelingssamenwerking.
Persoonsgerichte EU-sancties
Bij grootschalig en structureel geweld tegen hulpverleners pleiten de AIV en de CAVV
voor verdergaande maatregelen vanuit de EU, bijvoorbeeld in de vorm van persoonsgerichte
sancties. Het kabinet is van mening dat dit goed past binnen het bestaande EU-instrumentarium
om geweld tegen hulpverleners tegen te gaan teneinde gedragsverandering op dat vlak
te bewerkstelligen. Tot persoonsgerichte sancties behoren inreisverboden, een tegoedenbevriezing
en een verbod op het beschikbaar stellen van economische middelen aan personen of
entiteiten op de sanctielijst. Mede op voorspraak van Nederland heeft de EU reeds
sancties aangenomen in reactie op geweld tegen hulpverleners en het blokkeren van
humanitaire hulp in Soedan en de Palestijnse gebieden. Het kabinet zal in samenspraak
met EU-partners actief aan de slag gaan met een voorstel voor een thematisch sanctiepakket
gericht tegen verantwoordelijken voor ernstig en grootschalig geweld tegen hulpverleners.
Bij het selecteren van casuïstiek is het uitgangspunt EU-eenheid, en dient een bredere
weging te worden gemaakt van onder meer de juridische haalbaarheid, praktische implicaties
en mogelijke neveneffecten, specifiek ook de impact op humanitaire toegang en het
humanitaire betalingsverkeer.
Humanitaire uitzonderingen in sanctieregimes
Mede dankzij Nederlandse inzet zijn de afgelopen jaren humanitaire uitzonderingen
opgenomen in EU-sanctieregimes, waardoor nu alle Europese sanctieregimes een uitzondering
voor humanitaire hulp bevatten. Inzet van sancties moet volgens het kabinet altijd
vergezeld gaan van humanitaire uitzonderingen8. Dit vergemakkelijkt het humanitaire betalingsverkeer, en zorgt ervoor dat humanitaire
hulpverleners niet strafbaar zijn als zij in gesanctioneerde gebieden werken.
Het kabinet zet dit werk voort door te werken aan verdere harmonisering van humanitaire
uitzonderingen in EU-sanctieregimes. Ook blijft Nederland werken aan het verminderen
van overcompliance en derisking vanuit de private sector. Overcompliance en derisking kunnen er namelijk toe leiden dat (financiële) toegang tot gebieden waarin hulporganisaties
werken ondanks bestaande humanitaire uitzonderingen toch in het gedrang komt. Dit
soort problemen wordt besproken in de Nederlandse Ronde Tafel Financiële Toegang voor
Non-profitorganisaties, een initiatief dat banken, hulporganisaties en overheid samenbrengt
om aan praktische oplossingen te werken. Deze Ronde Tafel wordt internationaal als
richtinggevend beschouwd9 en het kabinet zal hieraan blijven deelnemen.
Gerichte humanitaire diplomatie
Naast het ijveren voor normherstel en tegen straffeloosheid op mondiaal niveau stellen
de AIV en CAVV dat er ook diplomatiek gehandeld moet worden in individuele landensituaties.
Dat is immers waar het geweld plaatsvindt en waar bestaande normen worden ondermijnd.
En waar uiteindelijk de humanitaire ruimte en toegang in het geding zijn. De AIV en
CAVV zien hierin ook een belangrijke rol weggelegd voor de VN als coördinator en vooral
bewaker van humanitaire normen en ruimte op landenniveau. Zij roepen op om de VN daarin
diplomatiek te ondersteunen, en daarvoor nauwer samen te werken in EU-verband. Daarbij
wijzen de AIV en CAVV op de precaire balans tussen het ter verantwoording roepen van
actoren en het zekerstellen of behouden van humanitaire toegang.
Nederland gaat zich inzetten voor humanitaire diplomatie, in de geest van het al met
de Kamer gedeelde voornemen om vooruitstrevender te zijn op het vlak van conflictbemiddeling10. Dit voorjaar nog richt het kabinet binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken
een Mediation Support Unit op (MSU, Advieseenheid conflictbemiddeling) om dat werk te ondersteunen. Daarin worden
experts uit partnerorganisaties en diplomaten samengebracht om diplomatieke trajecten
te initiëren of faciliteren, die bijdragen aan principiële humanitaire hulp en de
bescherming van hulpverleners in specifieke contexten, bijvoorbeeld in Oekraïne, Soedan,
Zuid-Soedan, DRC, Syrië, Jemen en Myanmar.
Deze supporteenheid werkt samen met bestaande partners van Nederland op het vlak van
conflictbemiddeling en capaciteitsversterking op het gebied van humanitaire onderhandelingen.
Zo heeft het Instituut Clingendael de afgelopen 10 jaar wereldwijd talloze diplomaten
en humanitaire hulpverleners getraind in humanitaire diplomatie. Het AIV en CAVV rapport
onderschrijft het belang van deze trainingen. Een andere partner, het Geneefse Centre for Humanitarian Dialogue, ontwikkelt op dit moment samen met andere organisaties en de VN-organisatie voor
de coördinatie van humanitaire hulp (UNOCHA) een speciaal programma voor humanitaire
diplomatie. Nederland financiert dit initiatief en gaat het aangrijpen om de samenwerking
verder te intensiveren met de VN, zoals de Humanitarian Negotiations Unit van UNOCHA.
Niet alleen met de VN, maar ook met de EU gaat het kabinet samenwerken in humanitaire
diplomatie en conflictbemiddeling. Eurocommissaris voor gelijkheid, paraatheid en
crisisbeheersing, Hadja Lahbib, werkt aan een nieuwe Commissiemededeling over de humanitaire
inzet van de EU. Mede op voorspraak van Nederland gaat de Europese Commissie daar
ook in op de noodzaak van krachtigere humanitaire diplomatie en het herstel van de
toepassing van het HOR.
Humanitaire bemiddeling is steeds belangrijker om contact te leggen met lastig benaderbare
(veiligheids)actoren en zo blokkades te doorbreken en gemeenschappen te bereiken die
anders ontoegankelijk zouden blijven. De humanitaire principes zijn leidend. Humanitaire
hulp mag geen ruilmiddel zijn in onderhandelingen over staakt-het-vuren of vredesovereenkomsten.
Investeren in veiligheid en psychosociale steun voor hulpverleners
Met een humanitair systeem in flux, dat bovendien te kampen heeft met een aanzienlijk
financieringstekort, stellen de AIV en CAVV dat investeren in de fysieke veiligheid
van hulpverleners nodig is. Het kabinet is het hier volledig mee eens. Nederland blijft
humanitaire organisaties daarom op ongeoormerkte wijze financieren. Dit stelt hen
in staat om hun fondsen aan te wenden voor veiligheidsmaatregelen, zonder dat hiervoor
separaat (geoormerkte) financiering gevraagd hoeft te worden. Zo kunnen hulporganisaties
snel maatregelen nemen als de veiligheidssituatie ter plaatse hen daartoe noodzaakt.
Investeren in veiligheid en bescherming
Maar zoals de AIV en CAVV ook aangeven: veiligheid mag geen sluitstuk zijn op de begroting
van humanitaire organisaties. Het kabinet gaat dit daarom nog structureler verankeren
in de inzet. Naast de al bestaande ongeoormerkte inzet van middelen voor humanitaire
hulp via de VN, het Rode Kruis en de Dutch Relief Alliance (DRA), gaat Nederland binnen het humanitaire budget geld reserveren voor investeringen
in de veiligheid van hulpverleners en flankerende maatregelen die daaraan bijdragen.
Onder donoren dient duidelijker te worden dat investeringen in bijvoorbeeld schermvesten
en verzekeringen geen «overhead» (indirecte kosten) zijn, zoals het rapport ook stelt.
Nederland gaat bijdragen aan het EU Protect Aid Workers, een fonds dat voorziet in financiële en juridische ondersteuning van slachtoffers
van geweld tegen hulpverleners en hun nabestaanden. Nederland roept andere landen
en donoren op dit ook te doen.
Nederland blijft ook investeren in informatievoorziening aan, en veiligheidstrainingen
voor humanitaire organisaties, bijvoorbeeld via International NGO Safety Organisation (INSO), een in Nederland gevestigde internationale
niet-gouvernementele organisatie, die hulpverleners op lokaal niveau voorziet van
informatie over de actuele veiligheidssituatie. Door ook te investeren in wereldwijd
toegankelijke databases die incidenten tegen hulpverleners registreren en analyseren
gaat Nederland hulporganisaties bovendien helpen met toegang tot informatie die kan
bijdragen aan een geïnformeerde risicoafweging.
Samen met andere donoren vergroot Nederland de veiligheid van VN-medewerkers en hun
lokale partners, door bijvoorbeeld de luchtvaartdienst van de VN (UNHAS) te financieren,
waardoor hulpverleners op veilige wijze naar hun plaats van bestemming kunnen reizen.
Om inzicht te krijgen in hoe nog beter aan de fysieke veiligheid van hulpverleners
kan worden bijgedragen, gaat het kabinet het gesprek hierover aan met het VN Departement
voor Veiligheid en Beveiliging (UNDSS), dat al een partner van Nederland is.
Behalve met risico’s voor hun fysieke veiligheid, hebben hulpverleners – en hun familie
– ook te maken met een aantasting van hun mentale en emotionele veiligheid. Geestelijk
en psychosociaal welzijn (MHPSS) zijn van direct belang voor het vermogen van eerste
hulpverleners om hun werk te blijven volhouden en hun familie te blijven overtuigen
van het belang dat zij dit werk doen. Daarom bestaat er in de Nederlandse en internationale
inzet op MHPSS in crises ook gerichte aandacht voor geestelijke en psychosociale steun
voor stafleden van humanitaire organisaties zelf. Nederland zal gericht bijdragen
aan betaalbare psychische kwaliteitszorg voor staf (en familie) van humanitaire organisaties.
Risicodeling en lokale weerbaarheid
Een prioriteit van Nederland is en blijft de bescherming van burgers in conflicten
en de weerbaarheid en het eigenaarschap van lokale gemeenschappen. Bij krimpende humanitaire
toegang en afnemende humanitaire veiligheid komt het zwaartepunt van humanitaire hulpverlening
steeds vaker op de schouders van de lokale bevolking te liggen. Het onderscheid tussen
burgers en hulpverleners vervaagt.
Het AIV en CAVV advies geeft een compliment voor de inzet op «lokalisering» en «risicodeling».
Daarmee worden lokale hulpverleners in hun kracht gezet en is de humanitaire respons
beter afgestemd op de lokale situatie en noden. Bij risicodeling identificeren en
wegen de donor, de tussenliggende organisatie en de lokale uitvoerende organisatie(s)
samen de voornaamste risico’s van hun humanitaire actie. Zij maken afspraken over
de lasten voor maatregelen om die risico’s in te perken en over actie en gevolgen
als een risico zich voordoet. Zeker voor veiligheidsrisico’s is deze aanpak van belang.
Juist op dat gebied komt het nog te vaak voor dat diegenen die niet direct hulp verlenen,
zoals de donor, met hun besluiten onbedoeld de veiligheidsrisico’s vergroten voor
lokale hulpverleners. Bijvoorbeeld wanneer een donor zijn bijdrage bevriest in verband
met een vermeende onrechtmatigheid bij een tussenliggende organisatie. Vaak schort
de tussenliggende organisatie dan ook de uitbetaling aan lokale partners op, waardoor
deze lokale organisaties meteen hun aangekondigde hulp moeten opschorten. Dat kan
leiden tot frustratie of agressie tegen staf van die lokale uitvoerders. Over dit
soort risico’s worden concrete afspraken gemaakt in een risicodelingsdialoog. Nederland
gaat risicodeling daarom zelf breder toepassen en ook andere donoren en humanitaire
organisaties stimuleren hier concrete stappen in te zetten.
Tot slot
Humanitaire veiligheid en de veiligheid van humanitaire hulpverleners in het bijzonder
zijn essentieel om mensen in nood hulp te kunnen bieden. Te midden van conflict willen
mensen erop kunnen vertrouwen dat zij veilig hulp kunnen bieden en krijgen. Hulpverleners
zouden nooit opzettelijk het slachtoffer van geweld mogen zijn. Toch is dit in conflicten
wereldwijd in toenemende mate het geval. Het gevolg van minder hulpverlening is een
nog groter aantal (burger-) slachtoffers en grotere uitdagingen om gemeenschappen
in de toekomst naast en met elkaar te laten leven. Vrede raakt verder uit zicht.
Het kabinet constateert met de AIV en CAVV dat de groeiende onveiligheid van hulpverleners
past in een breder kader van krimpende humanitaire ruimte als gevolg van toenemende
conflicten, ondermijning van het humanitair oorlogsrecht en onvoldoende humanitaire
financiering.
Het kabinet grijpt het advies van de AIV en CAVV dan ook aan om de strategie achter
de humanitaire inzet van Nederland opnieuw te toetsen aan de wereldwijde ontwikkelingen.
Later in het jaar ontvangt uw Kamer een nieuwe beleidsbrief die hier in meer detail
op zal ingaan, mede na overleg met humanitaire partners en de mensen die zij dienen.
Humanitaire organisaties, van de VN tot Nederlandse ngo’s en van het Rode Kruis/Rode
Halve Maan tot lokale vrijwilligerscollectieven, verdienen de steun van Nederland,
evenals de mensen die zonder hun hulp moeten vrezen voor hun leven.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking