Tweede Kamer, 91e vergadering, Donderdag 24 juni 2010
Algemeen
Aanvang: 10.15 uur
Sluiting: 19.05 uur
Tegenwoordig zijn 143 leden, te weten:
Agema, Albayrak, Aptroot, Arib, Atsma, Azmani, Bashir, Van Beek, Beertema, Van Bemmel, Berndsen-Jansen, Bijleveld-Schouten, Van Bijsterveldt-Vliegenthart, Blanksma-van den Heuvel, Blok, De Boer, Van Bommel, Bontes, Bosma, Bosman, Bouwmeester, Braakhuis, Brinkman, Ten Broeke, Bruins Slot, Van der Burg, Çelik, Cohen, Çörüz, Van Dam, Van Dekken, Dezentjé Hamming-Bluemink, Dibi, Tony van Dijck, Jasper van Dijk, Dijkgraaf, Dijkhoff, Dijksma, Dijkstra, Dijsselbloem, Dikkers, Dille, Driessen, Eijsink, El Fassed, Elias, Elissen, Ferrier, Fritsma, Van Gent, Gerbrands, Van Gerven, Gesthuizen, Graus, Groot, Hachchi, Van Haersma Buma, Van der Ham, Hamer, Harbers, Heijnen, Helder, Hennis-Plasschaert, Hernandez, Van Hijum, Irrgang, Jacobi, Jadnanansing, De Jager, Jansen, De Jong, Karabulut, Klaver, Van Klaveren, Klijnsma, Kooiman, Koolmees, Koopmans, Koppejan, Kortenoeven, Koºer Kaya, De Krom, Kuiken, Leijten, Lodders, Lucas-Smeerdijk, Lucassen, Marcouch, Van Miltenburg, Monasch, De Mos, Mulder, Neppérus, Nicolaï, Van Nieuwenhuizen, Ormel, Ortega-Martijn, Ouwehand, Pechtold, Peters, Plasterk, Van Raak, Recourt, De Roon, De Rouwe, Rutte, Samsom, Sap, Schaart, Schippers, Schouw, Sharpe, Slob, Smeets, Smilde, Smits, Snijder-Hazelhoff, Spekman, Van der Staaij, Van der Steur, Teeven, Thieme, Timmermans, Van Tongeren, Van Toorenburg, Uitslag, Ulenbelt, Van der Veen, Van Veldhoven-van der Meer, Venrooy-van Ark, Verbeet, Verburg, Verhagen, Verhoeven, Van Vliet, Voordewind, Voortman, Weekers, Wilders, De Wit, Wolbert, Ziengs en Zijlstra,
en de heer Balkenende, minister-president, minister van Algemene Zaken, de heer Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, de heer Hirsch Ballin, minister van Justitie, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en mevrouw Verburg, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Voorzitter: Verbeet
Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:
Klink en Sterk.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
Verzoekschriften
Aan de orde is de behandeling van:
- verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven (32138, nrs. 41 tot en met 46).
De voorzitter:
Ik stel voor, overeenkomstig de voorstellen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven te besluiten.
Daartoe wordt besloten.
Europese Top
Aan de orde is het debat over het verslag van de Europese top.
De voorzitter:
Vandaag loopt alles een beetje door elkaar, doordat een aantal leden ook andere verplichtingen heeft. Dat geldt ook voor een lid van het kabinet, dat mij gevraagd heeft of het toegestaan is dat hij tijdens deze vergadering zich op enig moment naar een andere locatie begeeft om daar in fractieverband iets te doen. Deze minister heeft ook nog een andere pet op. Ik heb daarvoor toestemming gegeven. Ik verzoek u dus om begrip voor het feit dat alles af en toe misschien een beetje door elkaar loopt.
Bij de VVD-fractie hebben we het bijzondere fenomeen dat de eerste termijn gedaan wordt door de heer Ten Broeke en de tweede termijn door mevrouw Hennis-Plasschaert. Dat is heel bijzonder. Vernieuwing? Ik sta ervoor. U kent mij. Iedere dag opnieuw. En anders zorgt u er wel voor.
Ik geef het woord aan de heer Braakhuis. Ook dat is weer anders dan u had verwacht. Hij heeft een andere verplichting. Zijn bijdrage is een maidenspeech. We gaan pas feliciteren aan het eind, omdat er nog twee andere maidenspeeches zijn, van de heer Dijkgraaf en van mevrouw Hennis-Plasschaert. We komen eruit samen!
Ik stel de tijd in. U hebt zeven minuten, mijnheer Braakhuis. En als die om zijn, gaat het lampje branden en ga ik u steeds bemoedigender aankijken.
De heer Braakhuis (GroenLinks):
Voorzitter. Dat de eurocrisis nog niet voorbij is, blijkt wel uit het besluit van de Europese regeringsleiders om de stresstests van de 25 grootste banken uiterlijk eind juli openbaar te maken. Voor mij is dit eigenlijk een vrij onverwacht besluit. Mijn fractie is er wel blij mee. Zoals bekend is, heeft mijn fractie zich steeds uitgesproken voor maximale transparantie op de financiële markten. De keerzijde van deze plotselinge openbaarmaking kan echter zijn dat er onverwachte of mogelijk onaangename verrassingen uitkomen. Dat zij zo, maar we zitten niet te wachten op paniekreacties op de markt of bij de consument. Graag zou ik hierop een nadere toelichting van de minister-president krijgen. Hebben de regeringsleiders over de mogelijke gevolgen van deze openbaarmaking met elkaar gesproken? Zijn de regeringen van alle Europese landen voornemens om bijvoorbeeld eerst eventueel noodzakelijke kapitaalinjecties te doen, bij voorkeur nog voordat de stresstests openbaar worden? En, zo ja, zorgen wij er dan ook voor dat niet alleen de belastingbetalers, maar ook aandeelhouders delen in de pijn ervan? Wat als Europese banken die extra kapitaal nodig hebben, dit niet zelf kunnen ophalen? Zijn alle regeringen bereid en in staat tot het leveren van een bijdrage aan herkapitalisering?
Het is ook de vraag of de Europese Raad zelf goed door de stresstest zou komen. Dankzij het akkoord tussen de Britse, Franse en Duitse regeringen lijkt er nu een Europese bankheffing te komen, ondanks het Nederlandse voorbehoud hierop. Mijn fractie is hier heel blij mee. We zijn iets minder blij met de Nederlandse weerstand, die voortkomt uit de koppeling van maatregelen van de Nederlandse regering aan de G20, en niet aan Europa. Dit vertraagt onzes inziens de besluitvorming. We zijn van mening dat Europese eenheid juist leidt tot een snellere overeenstemming, ook op die G20. De Europese Raad heeft een heffing op financiële transacties doorgeschoven naar de G20. Ik vrees eigenlijk dat het voorstel daar een stille dood gaat sterven. Mijn vraag aan de minister-president is wat zijn mening is over deze heffing. Is hij bereid om zich bij de G20 hard te maken voor een dergelijke heffing?
En als deze heffing geheel onverwacht sneuvelt op de G20, wil de minister-president zich er dan in ieder geval binnen Europa voor inzetten? Mijn fractie hoopt dat van harte, omdat zij signaleert dat de regering Europese discussies over het gezond maken van de Europese economie vaak afhoudt. Wellicht wil de minister-president zich dan ook eens explicieter uitspreken over de Europese besluitvorming versus de G20-besluitvorming. In het kader van de subsidiariteit en de effectiviteit van besluitvorming moet de minister-president het er toch mee eens zijn dat de afhankelijkheid van de G20 en het daarvoor weerstand bieden in Europa eerder een vertragingstactiek lijkt -- zo komt het althans over -- dan een wens om tot snellere resultaten te komen. Ik zou dus een nadere toelichting van de minister-president op dit punt zeer op prijs stellen.
Op het gebied van economic governance is de Europese Raad eigenlijk ook maar half geslaagd voor de stresstest. Mijn fractie juicht de conclusies over de aanscherping van de toepassing van het Stabiliteitspact toe. Daar kan de taskforce van de heer Van Rompuy mee verder. Er zijn echter nog altijd grote macro-economische evenwichtigheden en onevenwichtigheden in Europa die vragen om een gecoördineerde aanpak. Eigenlijk draait het hier vooral om soevereiniteit en het eventuele overdragen hiervan aan Brussel. Dat is een keuze die we niet moeten laten liggen tot er daadwerkelijk een land omvalt in Europa, maar juist een noodzakelijke stap om dat te voorkomen. Ik hoor ook graag expliciet van de minister-president hoe hij aankijkt tegen de soevereiniteitsoverdracht aan Brussel, en waar de weerstand eventueel zit.
Ik kom bij het mondiale klimaatbeleid. Opnieuw hebben de regeringsleiders niet de cruciale stap gezet om de reductiedoelstelling voor 2020 op te hogen naar 30% in plaats van de huidige 20%. De regeringsleiders spraken af dat er een analyse van de Europese Commissie komt van de kosten en baten van de 30%-doelstelling. Wij vinden dat teleurstellend mager. We lopen daarmee het risico dat we later dit jaar in Cancún weer met lege handen staan, net als in Kopenhagen. De ontwikkelingslanden zijn terecht boos op het Westen, omdat het te weinig doet. De recente klimaatonderhandelingen in Bonn zijn helaas ook op niets uitgedraaid. Er moet echt iets gebeuren om het mondiale klimaatbeleid tot een succes te maken. Daarbij is het cruciaal dat westerse landen elkaar niet langer vasthouden in stilstand, maar dat iemand het goede voorbeeld gaat geven. De EU heeft altijd beloofd om een koploper te zijn in de strijd tegen klimaatverandering. Ik denk dat de tijd van mooie woorden voorbij moet zijn. Het is tijd om te leveren: geen nieuwe onderzoeken, analyses en vertragingstactieken, maar handelen. Wat mijn fractie betreft, verhogen we derhalve de klimaatambitie zo snel mogelijk van 20% naar 30%.
Ten slotte heb ik nog een vraag aan de minister-president over olieboringen in de Noordzee. Mijn collega Peters heeft tijdens het AO voorafgaand aan de Europese Raad gevraagd of de minister-president dit onderwerp tijdens de Europese Raad wilde agenderen. Hij heeft toen toegezegd om dat te proberen. Mijn fractie vindt het belangrijk dat dit nog eens goed tegen het licht wordt gehouden. Ik hoor heel graag van de minister-president hoe hij erover denkt en of hij het onderwerp heeft geagendeerd, of het is besproken en wat de mogelijke uitkomst daarvan is.
In tweede termijn zal ik een motie indienen over de ratificatie van het stabilisatie- en associatieakkoord met Servië. Dit onderwerp stond niet op de agenda van de Europese Raad, maar is wel besproken tijdens het laatste AO voorafgaand aan de top. Toen is afgesproken dat deze motie vandaag zou worden ingediend.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan mag ik u feliciteren met uw maidenspeech. Het was alsof u er al jaren stond! We gaan u nog zoenen en bebloemen, maar daar wachten we nog even mee.
(geroffel op de bankjes)
De heer Ten Broeke (VVD):
Voorzitter. Mijn dochter wordt vandaag 5 jaar. Ze had op haar verlanglijstje van alles staan, zolang het maar van het merk Hello Kitty was. Hello Kitty is een Japanse cartoon die veel weg heeft van Nijntje en die eerst in Azië en nu ook in Europa en Nederland grote furore maakt bij jonge kinderen. De kinderen leren Kitty kennen via internet, en leren via deze schattige mascotte spelenderwijs rekenen en taal.
Op de kinderzender Nickelodeon is vooral het Chinese poppetje Kai-Lan erg populair. Mijn dochter begroet mij zelfs wel eens met "ni hao". Mevrouw de voorzitter, u hebt de nodige ervaring met kinderen, ook met kleine kinderen, maar zelfs u zult zich afvragen wat de belevingswereld van mijn dochter te maken heeft met de Europese Raad die net plaatsvond of met de G20 in Toronto later deze week. Het zit als volgt. De cartoonkarakters zijn het eigendom van de greeting card company Sanrio. Deze Japanse onderneming heeft zojuist een forse winstwaarschuwing afgegeven omdat zij verwacht dat de omzet naar de onzekere en uiterst instabiele eurozone fors zal terugvallen. Hello Kitty is dus eigenlijk ook Hello Europe. Het is een wake-upcall voor Europa: wij zijn intussen een afzetmarkt geworden van Azië voor hun cultuurgoederen. Precies zoals het Amerikaanse Walt Disney dat ooit begon te zijn tijdens de Grote Depressie in de jaren dertig van de vorige eeuw. Azië rukt op in onze huiskamers, en niet alleen via de productie van flatscreens, maar dus ook in de belevingswereld van onze kinderen. Zij vormen de exportmarkt voor de creatieve geesten in Tokyo, Bangalore en Shenzhen in plaats van in Amsterdam, New York of LA.
Dit jaar is de EU de grootste exportmarkt van China geworden. Dit jaar is de EU ook het grootste gevaar voor de Chinese groei. Ten slotte is dit jaar het officiële kantelpunt in de globalisering. De industriële productie van de tweede en derde wereld overstijgt namelijk voor het eerst die van de Westerse geïndustrialiseerde wereld. De financiële crisis heeft onze groei duurzaam vertraagd, maar die van Azië, Brazilië en andere opkomende landen juist versneld. Met "duurzaam vertraagd" bedoel ik ook de pogingen van linkse partijen om via nog ambitieuzere CO2-doelstellingen de weg naar de toekomst af te snijden. De rest van de wereld kan het zonder ons. Dat bewees Kopenhagen alwaar EU-voorzitter Zweden via een sms op de hoogte werd gesteld van het feit dat China, de VS en de derde wereld geen klimaatakkoord hadden gesloten zoals wij dat hadden gewenst.
Wat is het antwoord van Europa op haar toenemende irrelevantie? Dat is de EU 2020-strategie. Daarin gaan wij ondermeer de schooluitval van onze kinderen bijhouden en benchmarken tussen de EU-lidstaten. Fijn, ik hoef me dus geen zorgen te maken over de toekomst van mijn vijfjarige dochter. In Brussel waken namelijk de regeringsleiders over de schooluitval van onze kinderen.
Het moge duidelijk zijn dat wij sceptisch zijn over de aanpak van de EU. Schooluitval en sociale uitsluiting zijn geen zaken waarop de EU overtuigend het verschil kan, moet of zelfs moet willen maken. De EU moet zich net zo min bezighouden met stedelijke mobiliteit. Dat onderwerp kwam gisteren op de Transportraad weer langs. Het Europa dat probeert sociale verschillen weg te subsidiëren via structuur- en cohesiefondsen, globaliseringfondsen en andere onhaalbare doelstellingen om de sociaaleconomische gelijkheid te verminderen, is een Europa dat letterlijk niet werkt. Het Europa dat vrijheid bevordert, werkt wel en het strekt zelfs tot voorbeeld voor de rest van de wereld. De VVD kiest dan ook voor een geloofwaardig Europa dat maatregelen neemt die Europa vrijer, welvarender en vooral veel veiliger kunnen maken.
Ik ga door op die veiligheid. Een akkoord over de uitwisseling van bankgegevens met de VS zou bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan de veiligheid van onze burgers, maar zij kan ook gemakkelijk ten koste gaan van de vrijheid van die burgers. Het is daarom goed dat een oplettend Europees Parlement gebruik maakte van zijn nieuwe bevoegdheden en oordeelde dat het eerste verdrag dat de Europese Raad met de Verenigde Staten sloot, verworpen moest worden. Het is ook mooi dat de rapporteur in het Europees Parlement die dat mogelijk maakte, nu in dit huis is aangeschoven. Mevrouw Hennis-Plasschaert zal straks de tweede termijn van de VVD-fractie voor haar rekening nemen omdat ik elders in dit huis de veteranennota bespreek. De vraag die in nu reeds, mede namens haar en dus namens de VVD-fractie, aan de regering wil stellen is: waarom in hemelsnaam dit cruciale akkoord, waarover wij ettelijke malen hebben gesproken -- ik had zelfs een keer het genoegen alleen met de minister van Buitenlandse Zaken in een overleg te zitten en daar heb ik ruimschoots de tijd voor genomen -- even als hamerstuk toevoegen aan de agenda van -- u hoort het goed -- de Landbouwraad? SWIFT is geen vluggertje. Het is een cruciaal verdrag dat eerst door deze Kamer moet worden bekeken, alvorens kan worden beoordeeld of de regering binnen het mandaat is gebleven dat de Kamer daarvoor heeft gesteld. Dat bepalen wij, en niet de regering of de landbouwspecialisten. Het hoort gewoon in de JBZ-raad. Ik verzoek de regering dus te bevorderen dat het niet even en marge van de Landbouwraad wordt behandeld.
Dan kom ik op de G20-bijeenkomst en de opmerkingen die ook in het verslag van de Europese Raad staan over de financiële architectuur en de afspraken die tijdens de Raad en straks in Toronto bij de G20 worden gemaakt of overwogen om de financiële stabiliteit in de wereld te verbeteren.
De VVD-fractie las tot haar genoegen dat de stresstest van de verschillende Europese banken wordt geopenbaard. Mijn collega Frans Weekers vroeg daar tijdens de Ecofin-raad van 7 januari om en kreeg toen nul op het rekest van de toenmalige minister van Financiën, de heer Bos. Het betekent echter wel dat de stapeling van kostenverhogende elementen waarvoor de VVD al verschillende malen heeft gewaarschuwd, toeneemt. Wij hebben Basel III. Wij hebben de vooraf betaalde premies in het kader van de nieuwe depositogarantieregeling. Wij hebben de stresstesten die openbaar worden gemaakt en die ertoe strekken om het vertrouwen in de financiële sector te vergroten, wat wij steunen, maar die tegelijkertijd ook het gevaar in zich bergen dat zij de mogelijkheden van banken om kredieten te verstrekken verminderen. Dat is op dit moment een cruciaal probleem voor banken. Vraag het maar eens aan het midden- en kleinbedrijf.
Daarom de volgende vragen. De VVD wil exact weten wat nu is afgesproken over de bankentaks. Tsjechië doet niet mee, Frankrijk wil niet uitbreiden tot de economische ruimte. Daarmee bestaat het gevaar dat er bankenparadijzen binnen en buiten de EU worden gecreëerd. Hoe wordt dat voorkomen? Is daarover nagedacht? Wat is daarover namens Nederland ingebracht? Wat bedoelde de minister-president eigenlijk met "In de Europese Raad heeft Nederland besloten leidend op te treden in de G20 voor een wereldwijde benadering van belasting op financiële instellingen."? Waarom heeft de minister-president eigenlijk zelf het initiatief genomen voor een mondiale transactiebelasting? Is die vorm wel verstandig? Kunnen wij dan niet net zo goed allemaal in Azië gaan bankieren? Hoe reëel is het perspectief van een bankenheffing eigenlijk? Canada steunt die niet, zo heeft het gisteren al laten weten. Er schijnt ook een meerderheid in de G20 tegen te zijn.
Dan IJsland en Servië. De minister-president heeft bij zijn akkoord met de opening van de onderhandelingen met IJsland inderdaad bedongen dat de betalingsverplichtingen aan Nederland worden nagekomen en zelfs direct voorwaardelijk zijn voor het sluiten van hoofdstuk 9. Als het aan de VVD had gelegen, hadden wij noch het avis nog de onderhandelingen geopend. Deze nieuwe ondergrens moet dan ook keihard worden gehandhaafd. Ik krijg daarover graag een keiharde toezegging.
Over het ter ratificatie toezenden van het handelsakkoord met Servië laten wij vandaag, voor de verandering, het woord aan de GroenLinks-fractie. Helemaal verbaasd over dit vluggertje van de heer Verhagen zijn wij niet, maar de vraag dringt zich wel op of de geïsoleerde positie van Nederland, die nu is opgeheven, ons ook iets heeft opgeleverd. Zijn wij bijvoorbeeld op andere terreinen iets opgeschoten? Is onze uitgangspositie voor de begrotingsbesprekingen die nu beginnen, verbeterd? Een volgend kabinet zal het moeten leren.
Voorzitter. Dit brengt mij tot een terugblik op dit kabinet, meer in het bijzonder op deze premier. Natuurlijk bestaat er een gerede kans dat de heer Van Rompuy een aanleiding ziet om nog een extra EU-top in te lassen, maar anders duurt het wel weer even voordat een volgende Raad plaatsvindt. En aangezien de informatie aan de andere kant van het Binnenhof keihard door alle opties heen schiet, gaat het daar dus kennelijk heel voortvarend. Mocht iets verderop het Torentje een andere bewoner krijgen, dan wil ik toch een paar woorden spreken aan het adres van deze premier. Op de avond van de verkiezingsuitslag zei mijn partijleider over de heer Balkenende dat deze zielsveel van Nederland houdt. Ik voeg daaraan toe dat ik aan de drie jaar van Europese debatten met deze premier stellig de indruk heb overgehouden dat hij zich met hart en ziel heeft ingezet voor Nederlandse belangen, zonder daarbij zijn Europese overtuiging te verloochenen. Voor velen is dat een contradictio. Gelukkig zijn dat er steeds minder. De kern van Europa is immers dat het een unie van burgers en lidstaten is, om de rake definitie van Jaap Hoekstra nog maar eens aan te halen in dit huis.
Mag ik ten slotte een voorbeeld in herinnering roepen waaruit blijkt dat de Nederlandse belangen in een Europese instelling tot successen kunnen leiden? Deze premier stond samen met de heer Timmermans en de heer Verhagen voor de enorme opgave om na het referendum van 2005 de rest van Europa terug te krijgen aan de onderhandelingstafel voor wat nu het Verdrag van Lissabon is gaan heten. De rest van Europa stond bepaald niet te trappelen. Nederlandse media, niet in de laatste plaats de zelfbenoemde kwaliteitsmedia, geloofden er helemaal niets van en negeerden gemakshalve -- en doen dat nog steeds -- de resultaten. Er werden, mede afgedwongen door een actieve Tweede Kamer, acht onderhandelingspunten geformuleerd. Daarvan zijn er zes gerealiseerd. Vergelijk dat eens met het Verdrag van Nice of de Nederlandse voorbereiding -- ik denk aan een Zwarte Maandag -- op het Verdrag van Maastricht. Onder de zes gerealiseerde punten waren
symbolische, zoals de vlag, de hymne en de naam van het verdrag. Jammer dat het wegnemen van de vlag niet echt de lading heeft onthuld, want er werden ook zaken gerealiseerd die wezenlijk corresponderen met de uitspraak van de Nederlandse bevolking in 2005. Diensten van algemeen belang werden uitgezonderd van de interne markt. Dat was een PvdA-wens en bepaald niet de onze, maar niet ontkend kan worden dat er enige relatie was met de uitspraak van de Nederlanders in 2005.
Het is in ieder geval erin gekomen. De uitbreidingscriteria zijn nu opgenomen in het verdrag, inclusief het absorptievereiste. Dat was een wens van het CDA en ook van de VVD. Het is erin gekomen. Ook noem ik de oranje kaart en het benoemen van de rol van nationale parlementen. Mij is bekend hoe hard de premier op die beruchte vrijdagavond in Brussel hiervoor heeft gevochten en hoe emoties bij andere regeringsleiders op dat moment opliepen.
Een premier die zielsveel van dit land houdt en zich met hart en ziel heeft ingezet. Nu reeds mijn waardering en respect voor de heer Balkenende.
De voorzitter:
De heer Ormel.
De heer Ormel (CDA):
Ondanks de aardige woorden op het eind wil ik toch nog een vraag stellen aan de heer Ten Broeke, omdat de VVD in tweede termijn een andere woordvoerder heeft. Hij had het over SWIFT. Omdat onduidelijk is wie in de VVD op dit moment daarover het woord voert, vraag ik welke garanties de heer Ten Broeke meer wil hebben ten aanzien van SWIFT.
De heer Ten Broeke (VVD):
Volgens mij heeft de heer Ormel niet helemaal begrepen wat mijn punt was. De garantie die ik wil hebben en waarom wij in de afgelopen jaren ook allemaal hebben gevraagd, is dat de Tweede Kamer niet wordt overgeslagen, maar serieus wordt genomen. Wat nu gebeurt, kan formeel: de Raad kan besluiten om een definitief akkoord tussen de Verenigde Staten en Europa toe te voegen aan willekeurig welke raad om er snel een punt achter te zetten. Dat heeft men gedaan door het toe te voegen aan de agenda van de Landbouwraad. Dat vind ik geen juiste methodiek. Wij hebben hier niet voor niks keihard met z'n allen -- uiteindelijk ook de heer Ormel, zij het met enige tegenzin -- gevochten voor een verbetering van de rechten van dit parlement, als het gaat om de Europese besluitvorming. Dit is een zeer wezenlijk punt. Terecht heeft het Europees Parlement onder aanvoering van mevrouw Hennis-Plasschaert, toen nog als rapporteur, de tanden daarin gezet. Aan ons de eer om hetzelfde te doen! Wij moeten het wel kunnen. Wij laten het niet over aan landbouwspecialisten, maar voegen het keurig toe aan de raad die zich er in het verleden ook mee heeft beziggehouden, de JBZ-raad.
De voorzitter:
De heer Dijkgraaf.
De heer Dijkgraaf (SGP):
De heer Ten Broeke ging in op de klimaatdoelstellingen. De 20% hoefde van hem niet aangescherpt te worden. Is hij het niet met mij eens dat het erg ligt aan de manier waarop dat gebeurt? Bij een generieke doelstelling kan ik het mij voorstellen. Maar het ligt er nogal aan of er een generieke doelstelling komt voor alle lidstaten tezamen dan wel of de kosten-batenanalyse die uitgevoerd zal worden, zal uitwijzen -- dat hoop ik eigenlijk -- dat bijvoorbeeld specialisatie kan plaatsvinden en dat er gedifferentieerde doelstellingen per land kunnen worden vormgegeven.
De heer Ten Broeke (VVD):
Wij hebben er in het verleden voor gewaarschuwd -- wij doen dat ook vandaag -- dat je als Europa wel bezig kunt blijven om, los van de realiteit in de rest van de wereld, voortdurend CO2-doelstellingen op tafel te leggen die helemaal door niemand worden gevolgd en dan te hopen dat je daarmee klimaatbeleid kunt voeren. Maar die illusie wordt keer op keer doorgeprikt. Het meest evident is dat gebeurd tijdens de mislukte top in Kopenhagen, waar Europa ook letterlijk irrelevant was geworden doordat men inderdaad via een sms te horen kreeg hoe de rest van de wereld had besloten dat het zou gaan. Wij hebben er anderhalf jaar lang voor gewaarschuwd. Maar goed, als het om Europa gaat en zeker om de klimaatgelovigen, zijn sommige mensen ziende blind en horende doof. Wat ons betreft, is een reëel en geloofwaardig milieubeleid alleen maar gediend met reële en geloofwaardige doelstellingen. Europa stelt die niet.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik had nog bij de heer Dijkgraaf moeten zeggen dat hij van de SGP is en bij de heer Ormel dat hij van het CDA is, want er zijn ook nieuwe kijkers die u allemaal moeten leren kennen. Daar gaan wij hen een beetje bij helpen.
Dan geef ik het woord aan de heer Van Bommel van de SP.
De heer Van Bommel (SP):
Voorzitter. De voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy, noemde het afgelopen dinsdag in zijn lezing hier in Den Haag een paradox dat overheden veel geld moesten uitgeven om de economische crisis te bezweren, maar dat zij daar vervolgens zelf mee in de problemen raakten op het vlak van het overheidstekort. De suggestie is dat de ogenschijnlijke tegenstelling erin zit dat de redder nu gered moet worden. Maar moest Griekenland niet vooral gered worden om enorme financiële schade bij banken en instituties te voorkomen die grote aantallen Griekse staatsobligaties bezaten? En liggen landen in het zuiden zoals Spanje niet onder vuur van de financiële markten, omdat die extra garanties of rente willen om hun beleggingen in de toekomst veilig te stellen?
Wat dreigt te gaan gebeuren, lijkt eerder op de fabel van de schildpad en de schorpioen. Eenmaal gered lijken de banken en speculanten daarbij bijna ongeremd verder te kunnen gaan met hun zoektocht naar winst, ook al zullen de economie en de publieke taken daar mogelijk onder lijden. Dit lijkt helaas het beleid te worden van de EU. Het lijkt ook de inzet van de EU te worden voor de G20-top, die we vandaag ook voorbespreken.
De werkgroep onder leiding van de heer Van Rompuy is nog niet klaar, maar het uitgangspunt is duidelijk. Landen moeten hun begrotingen snel op orde krijgen en komen in de toekomst onder allerlei vormen van toezicht te staan. Die worden aangevuld met sancties om te voorkomen dat tekorten in de toekomst verder oplopen. De voorzitter van de ECB -- de heer Trichet, die ook lid is van de werkgroep -- deed deze week zelfs het voorstel die sancties toe te vertrouwen aan een onafhankelijke instantie in de EU, die sancties oplegt als een soort robot, zonder oog te hebben voor de sociale en economische omstandigheden en gevolgen. Is deze fixatie op begrotingstekorten, die mede is ingezet door de bezuinigingsoperatie in Duitsland, niet potentieel schadelijk voor de economie en daarmee ook voor de banen en de noodzakelijke belastinginkomsten van de lidstaten?
Vooral publieke voorzieningen, werknemers en de onderkant van de samenleving lijken de prijs te moeten betalen. Met de op deze top vastgestelde EU 2020-strategie blijft een belangrijke kans liggen om solidariteit in plaats van concurrentie centraal te stellen. Lidstaten mogen nota bene zelf kiezen hoe ze de realisatie meten van de doelstelling om de armoede te verminderen. Zij kunnen deze bijvoorbeeld meten aan het aantal huishoudens waarin niemand een baan heeft. Dat houdt geen rekening met het verschijnsel werkende armen, een verschijnsel dat in Europa toeneemt. De EU maakt hiermee de gevolgen voor haar beleid niet alleen onzichtbaar, maar ook onvergelijkbaar. Van die verhullingspolitiek is de SP niet gediend.
Naar de mening van de SP-fractie slaat de EU een verkeerde koers in door vooral naar het pijpen van de financiële markten te dansen en overheden als het probleem te zien. Had de EU niet zelf reeds geconcludeerd dat er op dit moment iets mis is met het gedrag en het beoordelingsvermogen van financiële markten? Is dat ook niet de reden dat de EU de zogenaamde rating agencies onder toezicht wil plaatsen? Is dat niet omdat we twijfelen aan hun inschattingsvermogen en de enorme consequenties daarvan? Was het noodfonds niet nodig om voorlopig de speculatieve aanval van de financiële markten op diverse eurolanden te stoppen? Volgens een uitspraak die de heer Van Rompuy afgelopen dinsdag deed, hebben maatregelen als deze ons minstens drie jaar de tijd gegeven om te werken aan structurele maatregelen. Deelt het kabinet die inschatting?
Ik sta nu stil bij de Nederlandse inzet bij de top van de G20, de grote industrielanden. Ik noem eerst een actualiteit. De G20 had eerder beloofd de fondsen voor de armoedebestrijding in Afrika te zullen verdubbelen. Nu blijkt dat daarvan heel weinig terechtkomt. De belofte wordt niet waargemaakt. Vooral Frankrijk, Duitsland en Italië komen de afspraken niet na. Gaat Nederland daarvan een groot punt maken? Gastland Canada zegt terecht dat oude beloften eerst moeten worden nagekomen; men moet geen nieuwe beloften doen en afspraken maken als de oude belofte niet wordt nagekomen. Is dat ook de opvatting van de Nederlandse regering?
Zo snel als Europese regeringen eerder klaarstonden om de banken te redden en nu klaarstaan om de overheden aan banden te leggen, zo langzaam zijn ze nu met structurele maatregelen om de markten te reguleren. Dit kabinet trapt daarbij nog eens nadrukkelijk op de rem en pleit nadrukkelijk tegen een verbod op het doen van bepaalde speculatieve transacties, zoals het zogenaamde naked short shelling. Het kabinet wilde de bankenbelasting eerst niet, later alleen Europees en inmiddels alleen mondiaal invoeren, slechts met allerlei mitsen en maren. Het is daarom positief dat de Europese Raad toch heeft afgesproken te zullen komen tot een bankenheffing of -belasting. Men wil dat ook in G20-verband. Afgelopen dinsdag maakten Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk bekend onderling te hebben afgesproken hoe deze belasting in hun landen ongeveer zal worden ingevoerd. Gaat het kabinet zich daarbij aansluiten of schuift het dit voornemen wederom op de zo lang mogelijke baan? Graag wil ik hierop een reactie.
Het is ook opvallend dat de Europese Raad naast een bankenbelasting ook de invoering van een mondiale transactiebelasting wil aankaarten in de G20, maar dat het kabinet hierover zwijgt in zijn inzet. Mensen als Paul Krugman en Joseph Stiglitz hebben zich eerder voorstander getoond van deze belasting, die ook wel bekend staat als Tobintaks. Ook de SP-fractie is een groot voorstander van zo'n belasting. Het IMF geeft aan dat dit technisch mogelijk is en dat het zelf nader onderzoek zal blijven doen. Wij vinden het daarom belangrijk dat het mandaat van het IMF om aan een Tobintaks te werken wordt bevestigd. Bovendien moet er een duidelijk tijdpad worden afgesproken op de G20. Gaat de regering zich daar sterk voor maken?
We missen nog enkele aanvullende maatregelen in de inzet, zoals het aanpakken van hedge funds en het komen tot internationale faillissementswetgeving voor banken. Graag op dat punt nadere duidelijkheid.
Dan nog iets over de hervorming van het IMF. De huidige quotaformule uit 2008 blijkt volgens een studie van Ralph Bryant van de VS-denktank het Brookings Institution, getiteld Government shares for the International Monetary Fund, juist nadelig uit te pakken voor lage-inkomenslanden en voor opkomende landen als India en Rusland. In plaats van een verhoging van 5% blijken deze landen er in quota juist op achteruit te gaan. De inzet van de Nederlandse regering zou Bryant dan ook afdoen als semantisch eufemisme. Met andere woorden: een papieren tijger, een doekje voor het bloeden, mooi weer spelen. De SP pleit voor een grote rol van de bevolking bij de berekening van de quota. One country, one vote, in plaats van one dollar, one vote.
Ik sluit af met Iran. De SP-fractie verzet zich tegen sancties tegen Iran die de bevolking treffen. De Nederlandse regering heeft steeds aangegeven de bevolking zoveel mogelijk te willen ontzien. Waarom dan de olie- en gasindustrie treffen met sancties? Hoe verhoudt dit zich tot het streven van de Nederlandse regering om de bevolking te ontzien? Dergelijke sancties zullen grote onrust en groot ongemak bij de bevolking veroorzaken. Dit kan alleen maar leiden tot bijvoorbeeld prijsverhogingen voor de Iraanse consument. Dat is niet in het voordeel van de oppositie, waarvoor al die landen zeggen op te komen, en ook de oppositie zelf waarschuwt tegen dit soort maatregelen. Dit leidt tot EU-medeplichtigheid aan het stuk maken van de Iraanse oppositie, en dat kan volgens mij niet de bedoeling zijn.
Ten slotte nog een persoonlijk woord aan het adres van de minister-president. Dit was -- de vorige spreker zei dat ook al -- vermoedelijk zijn laatste Europese Raad. Wij kennen deze minister-president als een premier die erin geslaagd is, een sterk Europees profiel voor Nederland, maar ook voor de minister-president zelf neer te zetten. Hij is in Europa bekend geworden als de man uit Nederland die meer Europeaan is dan Nederlander. Ik denk dat wij de minister-president, gezien zijn doelstelling voor dit kabinetsbeleid, daarmee kunnen feliciteren. Uit de mond van deze woordvoerder mag dat worden opgevat als een groot compliment.
De voorzitter:
Mevrouw Wiegman heeft laten weten dat zij niet zal deelnemen aan dit debat, zodat ik het woord geef aan de heer Ormel van het CDA.
De heer Ormel (CDA):
Voorzitter. Ik zie dat mijn nieuwe collega Braakhuis niet aanwezig is, maar namens de CDA-fractie wil ik hem van harte willen feliciteren met zijn maidenspeech. Ik was onder de indruk van de serieuze wijze waarop hij zijn speech hield. Hij heeft zich voordat hij Kamerlid werd ingezet voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, en hij heeft door nu al hier zo te staan laten blijken dat hij een zeer waardige collega zal zijn, die zich volledig zal inzetten voor verantwoord politiek bedrijven. Ik wens hem veel succes. Dat kan ik nog niet doen aan het adres van de andere leden die straks hun maidenspeech houden. Maar dit wilde ik graag gezegd hebben.
De voorzitter:
En ik wil u graag denken voor het feit dat u deze mooie traditie als "nestor" van dit gezelschap levend houdt!
De heer Ormel (CDA):
Voorzitter. Deze Europese Raad stond terecht wederom in het teken van financieel-economische vraagstukken. De recente eurocrisis is ontstaan door gebrek aan discipline in het macro-economische beleid. Vooral Griekenland heeft zich langdurig niet gehouden aan de verplichtingen van het Verdrag van Maastricht, en het Stabiliteits- en groeipact. De heer Ruding gaf in de Van der Grinten-lezing die op 9 juni, op verkiezingsdag, is gehouden, een messcherpe analyse. Hij pleitte voor grote prioriteit, voor het behoud van stabiliteit en vertrouwen door de uit de hand gelopen overheidsuitgaven terug te dringen. Een goed advies voor de partijen die op dit moment meedoen aan de informatie. Hij geeft ook aan dat meer stabiliteit, meer discipline in de vorm van strengere beleidsafspraken en meer intensieve financieel-economische integratie nodig zijn.
Dit zal, aldus Ruding, onvermijdelijk leiden tot vermindering van de nationale soevereiniteit op financieel-economisch gebied. Ik krijg graag een reactie van de minister-president op de woorden van de heer Ruding.
De eurocrisis dwingt de eurolanden om een meer solide basis voor de euro te creëren. Tijdens deze raad is gesproken over aanscherping van de begrotingsdiscipline en macro-economisch toezicht. In oktober komt de werkgroep van Van Rompuy met haar eindrapport. Kan de minister-president aangeven wat hij verwacht en of hij kan instemmen met de lijn zoals deze door Van Rompuy op deze Raad is voorgelegd?
De resultaten van de stresstest van de grootste 25 Europese banken zullen in juli openbaar worden gemaakt. De CDA-fractie vindt dit in principe positief. Dit wordt gedaan om vertrouwen te wekken en geruchten te ontkrachten. In de Verenigde Staten is dit ook gedaan. Daar was het succesvol. In hoeverre maken Nederlandse banken deel uit van deze groep van 25? Kan de minister-president zeggen wat hij vindt van de openbaarmaking en wat hij verwacht wat dat voor de Nederlandse banken zal betekenen?
De EU-leiders zijn het eens geworden over een bankenheffing. Het is ons echter nog onduidelijk hoe deze bankenheffing er concreet uit komt te zien. De ministers van Financiën van de G20 zijn er nog niet uit. In het Verenigd Koninkrijk komt een bankenheffing over de waarde van de bezittingen van een bank. Andere landen, zoals Frankrijk en Duitsland, geven aan wat te zien in een heffing over financiële transacties, de zogenaamde Tobintaks. Barroso spreekt in zijn brief over de G20 over een global financial transaction tax. Wordt dat niet een bankcliëntheffing?
De CDA-fractie staat positief ten opzichte van een bankenheffing, maar vraagt wel aandacht voor de volgende randvoorwaarden.
1. Pas op voor stapeling. Denk aan de Basel-3-overeenkomst.
2. Let op de timing. Een heffing zou overal tegelijkertijd moeten starten.
3. Een eventuele heffing moet proportioneel zijn en de revenuen zullen moeten gaan naar de nationale schatkisten.
4. Een heffing, liefst wereldwijd, maar in ieder geval met de Verenigde Staten.
De geannoteerde agenda voor de komende G20-Top, waar wij vandaag ook over spreken, is op dit punt onduidelijk. Wat wordt de inzet tijdens de G20 van Europa?
De voorzitter van het Europees Parlement, de heer Buzek, gaf in een speech op de afgelopen Europese Top aan dat wij volledig transparant moeten zijn naar onze burgers. De creditcardcultuur van leven op geleend geld moet ophouden. Wij moeten aan onze burgers vertellen dat zij meer uren moeten werken, later met pensioen kunnen en moeten leven binnen hun financiële mogelijkheden, aldus Buzek. Wordt deze boodschap in iedere Europese lidstaat op deze wijze verwoord? Graag krijg ik een reactie van de minister-president.
Met veel aplomb is de Reflectiegroep onder leiding van oud-premier González destijds aan het werk gegaan. In deze groep zat ook de heer Rem Koolhaas. De presentatie van het rapport viel ongelukkigerwijze samen met het uitbreken van de Griekse crisis. Het rapport is nu min of meer in de coulissen aangeboden aan de Raad. In conclusie 22 wordt de Reflectiegroep bedankt en dat was het dan. Wat gebeurt er nu? Verdwijnt dit rapport in een la? Wat doet Nederland met dit rapport? Is het zinvol om dit rapport bijvoorbeeld naar de informateur te zenden?
Volgens het Verdrag van Lissabon bestaat het Europees Parlement uit 751 leden. Daar komen nu 18 leden bij, maar 3 Duitse leden gaan er voorlopig niet uit. Het resultaat is dat wij nu een parlement krijgen met 754 leden. Daarvoor is een verdragswijziging nodig. Kan de minister-president aangeven wanneer en op welke wijze dit wordt voorgelegd aan ons parlement?
De Europese Raad is akkoord gegaan met het openen van de EU-toetredingsonderhandelingen met IJsland. De CDA-fractie steunt de lijn van de regering, maar heeft in het algemeen overleg voorafgaand aan de Raad gevraagd of ontwerpconclusie 25 wel voldoende stevig was.
IJsland behoort te voldoen aan de EER-verplichtingen. Wat vindt de minister-president nu? Zijn er aanpassingen aangebracht op conclusie 25 en acht de minister-president deze voldoende stevig?
Ten aanzien van Iran is op deze Raad eigenlijk niets besloten. De Raad Buitenlandse Zaken wordt uitgenodigd om op de volgende zitting, op 26 juli, een besluit te nemen over sancties. Waarom zolang wachten? Is er ook gesproken over de zorgelijke mensenrechtensituatie in Iran?
Voorgaande sprekers hebben lovende woorden gesproken tot de minister-president. Ik sluit mij daar graag en van harte bij aan, waarbij ik wel gezegd wil hebben dat wij nog maar moeten afwachten of dit de laatste top van de minister-president zal zijn.
De heer Schouw (D66):
Mevrouw de voorzitter. Allereerst natuurlijk ook namens de fractie van D66 felicitaties aan de heer Braakhuis.
D66 wil niet minder maar meer Europa. Dat is nodig om de Europese kenniseconomie tot de meest concurrerende en krachtige van de wereld te maken. Herman van Rompuy wees afgelopen dinsdag in zijn Europa-lezing dan ook terecht op twee punten. Ten eerste vertaalt het afnemende economische gewicht van Europa zich in afnemende politieke macht. Ten tweede is de oplossing daarvoor niet minder maar juist meer samenwerking. In het licht van de economische ontwikkeling is begrotingsdiscipline natuurlijk een belangrijke en urgente stap. Waar nationale staten falen, biedt Europa oplossingen met afdwingbare financiële kaders, met controle op de begroting door de Europese Commissie en met stevige sanctiemogelijkheden. Vraag in dit parlement is natuurlijk welke rol Nederland daarin speelt. Wachten wij af en laten wij ons leiden door andere landen of komen wij zelf met initiatieven? Staan we op de rem of gaan wij andere landen overtuigen met goede ideeën en verstandige voorstellen? De minister-president zei onlangs dat de Nederlandse visie op de EU in 2030 nog voor de formatie naar de partijen zou worden gestuurd. Het is natuurlijk een kwestie van appreciatie of je het idee hebt dat de formatie al begonnen is of dat dat nog wel even gaat duren, maar ik heb het gevoel dat de formatie al een beetje op stoom ligt. Kan de minister-president daarom toezeggen wanneer wij die concrete visie kunnen ontvangen?
De crisis in de verschillende landen legt tegelijkertijd de zwaktes van de Europese economie pijnlijk bloot. Ik denk dat het weekend van 7-9 mei, het weekend van alle hens aan dek, nooit meer mag voorkomen. Het was een weekend waarin regeringsleiders en ministers van Financiën een pakket ad-hocmaatregelen moesten nemen om de Europese economie te beschermen. Dat mag dus niet meer gebeuren. Gelukkig is op de Europese top afgesproken en hebben de regeringsleiders gezegd dat coördinatie van het economisch beleid echt dringend noodzakelijk is. Wij zijn het daar van harte mee eens, want het niet afdwingbare herenakkoord uit het verleden blijkt onvoldoende te zijn. Het Stabiliteits- en Groeipact is sinds 2005 sterk verzwakt, onder anderen door onze vrienden in Duitsland en Frankrijk. Het losse herenakkoord van toen zou in de visie van D66 een hardere afdwingbare verdragsstatus moeten krijgen. Is de regering dat met ons eens? Ik ben ook benieuwd wat er wordt verstaan onder "een economische regering" of "een gecoördineerd economisch beleid". Welke modellen ziet de regering daarbij voor zich en aan welke taken en bevoegdheden wordt hierbij gedacht? Hierop krijg ik graag een reactie van de regering.
Het is duidelijk dat er twee verschillende visies op de EU 2020 en op de economische governance zijn: de communautaire aanpak en de intergouvernementele aanpak.
Ik zal nu twee redenen noemen om de bevoegdheden van de Europese Commissie met betrekking tot de begrotingsdiscipline van de EU-landen en de EU 2020 te versterken.
De eerste reden is dat de intergouvernementele aanpak van de afgelopen jaren suboptimaal heeft gewerkt. Er is bovendien geen enkele reden om aan te nemen dat die de komende jaren sterk zal verbeteren. De tweede reden is dat als wij de Europese Unie volwaardig willen laten meedoen in de wereldeconomie. Dan zullen binnen Europa niet de landen met elkaar moeten concurreren, maar de bedrijven. Het is dus verstandig om de regie over een toekomstig stelsel van regels, monitor- en sanctiemechanismen nadrukkelijk aan de Europese Commissie te geven. Depolitisering en juridische instrumenten zijn hierbij de toverwoorden. In plaats van de Ecofin moet men de Commissie bevoegd maken om sancties op te leggen. Hoe kijkt het kabinet aan tegen de omvorming van de huidige adviesfunctie van de Commissie tot een beslisfunctie? Wat doe het kabinet eraan om dat te bewerkstelligen?
Solide banken vormen de financiële ruggengraat van Europa. De kredietcrisis heeft nogmaals bewezen hoe verweven de Nederlandse, Europese en internationale financiële markten zijn. Om de kosten van maatregelen in de financiële sector te dekken, wordt nu een bankenheffing geopperd. Dit idee lijkt op het eerste gezicht sympathiek, maar hoe wordt precies vormgegeven aan die heffing? Wordt de heffing gebaseerd op de balansen van banken? Wordt de heffing wereldwijd, Europees of per land geregeld? Wordt die bovendien gebruikt als buffer om de gemaakte kosten te dekken? Op welke specifieke problemen in de financiële sector wordt die bankenheffing eigenlijk gericht? Is de bankenheffing verder een losstaande maatregel of een onderdeel van een veel breder pakket om de stabiliteit in de financiële markten te borgen? Op welke manier maakt de bankenheffing trouwens onderdeel uit van de plannen om de Europese financiële sector te versterken? Hoe zit die bankenheffing in elkaar? Dat is natuurlijk de achtergrond van mijn vragen, want de bankenheffing kan natuurlijk nooit een afkoopsom zijn om verder niets meer te doen. Ik ontvang graag een heldere reactie hierop.
D66 is verheugd om te horen dat de Europese Raad leidend wil optreden in de G20. Mijn fractie vraagt zich echter wel af wat deze leidende rol in Toronto precies inhoudt. Zal de Europese Unie met één woordvoerder spreken om de mondiale aanpak voor heffingen en belastingen op financiële instellingen in te voeren? Wie gaat daarover het woord voeren? Laten Sarkozy en Merkel dat over aan de Spaanse voorzitter Zapatero of doet iemand anders dat? Kan de minister-president in dit kader duidelijkheid scheppen?
Tot slot heb ik nog een aantal opmerkingen over het ontwerp van de SWIFT-overeenkomst. Daarover is ook al even gesproken. Aanstaande maandag moet die goedgekeurd worden op de Landbouw- en Visserijraad. Dat lijkt ons niet passend. Het Europees Parlement heeft geëist om binnen drie jaar ervoor te zorgen dat er een systeem komt om bankendata op het Europees grondgebied te filteren in plaats van in de Verenigde Staten. Maakt dit kabinet zich sterk voor deze eis van het Europees Parlement?
Hier flikkert nu een rood lampje waarop staat: afronden. Dat zal ik ook doen, want ik ben nog niet toe aan een slotwoord voor de minister-president waarin ik hem huldig en bedank. Ik zou dat heel graag doen, maar dat lijkt mij op dit moment prematuur. Het kan immers nog wel een tijdje duren. Ik zie uit daarom uit naar zijn beantwoording van mijn vragen.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Dijkgraaf, die zijn maidenspeech zal houden.
De heer Dijkgraaf (SGP):
Voorzitter. Het treft zeer dat mijn maidenspeech over het verslag van de Europese Raad mag gaan. Dit spoort niet alleen mooi met mijn achtergrond als econoom, maar ik werd ook getroffen door een zin uit het verslag. Eerlijk gezegd kon ik een juichkreet niet onderdrukken. Die juichkreet werd uitgelokt door de zin dat de minister-president aangaf dat het SGP versterkt moet worden.
Ik waardeer het zeer dat de minister-president het internationale belang van de SGP nu ook zo royaal erkent!
Gezien de oplopende tekorten is het goed dat de 2020-strategie beoogt om de Europese trein weer structureel op de rails te krijgen. Ik refereerde zojuist niet voor niets aan de noodzaak om het Stabiliteit- en Groeipact, het SGP, te versterken en te handhaven. Ook richting G20 vinden wij het cruciaal dat overheden toegroeien naar een evenwichtig begrotingsbeleid. De SGP-fractie blijft het echter onwenselijk vinden dat Europa verantwoordelijkheden naar zich toetrekt die haar niet toebehoren. Nu zijn de beleidsterreinen onderwijs, sociale zaken, werkgelegenheid en sociale samenhang aan de beurt. Lopen we niet het risico hiermee het paard van Troje binnen te halen?
Dit doet niets af aan het belang van een langetermijnstrategie. Ik maak mij grote zorgen over de langetermijnconcurrentiepositie van de EU in een globaliserende wereld. Wat gaat de regering doen om ervoor te zorgen dat de EU niet wegglijdt ten opzichte van de BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China?
De openbaarmaking van de stresstest dwingt banken die onterecht geen schoon schip hebben gemaakt dat alsnog te doen. Dat heeft zo zijn voordelen. Ik maak mij wel zorgen over de effecten van de openbaarmaking op zo'n korte termijn. Hoe groot schat de minister-president het risico in dat banken hun kapitaalbehoefte niet op tijd op orde krijgen en welke maatregelen zijn nodig om dit risico te ondervangen?
De SGP-fractie is voor een bankenheffing die gerelateerd wordt aan het risicoprofiel van banken. Daarmee willen wij bereiken dat te veel risico-opzoekend gedrag wordt afgeremd en dat de opbrengst daarvan wordt aangewend om de staatsschuld te verkleinen. Mijn vraag is wel of een dusdanige vorm gekozen kan worden dat de banken die zich goed gedragen niet worden gestraft.
Het gelijke speelveld is de spil waar het om draait bij de introductie van een bankenheffing. Daarover heeft mijn fractie nog grote zorgen, omdat het erop lijkt dat ieder land een eigen invulling kan kiezen. Welke concrete inzet hanteert de regering om een gelijk speelveld tussen banken binnen en buiten de Europese Unie en de kredietverstrekking te garanderen?
De houding van de Europese Unie ten opzichte van de nucleaire ambities van Iran blijft teleurstellend. Een recent rapport van het Clingendaelinstituut maakt volstrekt helder dat diplomatie en internationale sancties geen enkele invloed hebben op het Iraanse regime. Het rapport concludeert dat op deze wijze Israël wordt gedwongen om een einde te maken aan de Iraanse nucleaire dreiging. Hoe beoordeelt de minister deze analyse? Zal Israël op onze onvoorwaardelijke steun kunnen rekenen? Vindt de regering de aanscherping van de VN-sancties ver genoeg gaan?
Heel concreet vraag ik naar de uitvoering van de motie-Van der Staaij, waarin de regering is gevraagd te bevorderen dat de EU het Iraanse revolutionaire gardekorps op de Europese lijst van terroristische organisaties plaatst. Is dit op deze top aan de orde geweest? Zo ja, met welk resultaat?
Ik grijp net als anderen de gelegenheid aan om de minister-president hartelijk te danken voor zijn zeer grote inzet binnen Europa. Met de heer Ormel hoop ik dat vandaag niet de laatste keer is dat wij elkaar spreken. Wij moeten afwachten hoe het loopt. Mijn fractie heeft in ieder geval grote waardering voor de bijdrage van de minister-president aan de toekomst van Nederland binnen de EU.
Tot slot een opmerking over mijn diepste motivatie. Ik ben dankbaar Kamerlid te mogen zijn. Ik hoop dat mijn inzet ertoe bijdraagt dat Nederland een goede toekomst tegemoet gaat. Mijn vaste overtuiging is dat het vinden van het goede niet los kan staan van Bijbels genormeerde politiek. David geeft in psalm 4 antwoord op de vraag: Wie zal ons het goede doen zien. Hij wijst dan op God en vraag of God Zijn licht over ons wil laten schijnen. Want dan, aldus David, heb ik meer vreugde in mijn hart dan toen er koren en wijn in overvloed was. Dat geeft rust en vrede. David eindigt met de conclusie dat het geloof in God ons zeker doet wonen. Die toekomst wens ik allen toe.
De voorzitter:
Dank u wel. Aan mij de eer om u als eerste te feliciteren. Volgens mij hebben wij in u een waardig opvolger van de heer Van der Vlies. De heer Van der Vlies is er vandaag overigens ook bij en heeft uw maidenspeech kunnen beluisteren. Wij wachten nog even met de verdere felicitaties tot de schorsing na de inbreng van de Kamer in eerste termijn.
De heer De Roon (PVV):
Voorzitter. De afgelopen jaren is de fractie van de Partij voor de Vrijheid veelvuldig in het geweer gekomen tegen allerlei onderdelen van het beleid van het kabinet-Balkenende, onder andere tegen de visie en het beleid van de regering met betrekking tot de Europese Unie. Het tegengaan van de Europese superstaat en het stoppen van geldslurpende projecten zonder helder resultaat binnen Europa, liepen altijd als een rode draad door onze betogen heen en dat zal vandaag niet anders zijn.
Ik begin met de toetredingswens van IJsland. Nederland was samen met het Verenigd Koninkrijk niet voor het eerst het land dat weer vooraan moest staan in de rij om met een grote geldbuidel te hulp te schieten. Dit gebeurde niet in de laatste plaats omdat de Nederlandse regering kans zag om haar ideaal van een zo groot mogelijke Europese superstaat weer een stapje dichterbij te brengen. Als voorwaarde stelde onze regering de harde eis dat IJsland de lening moet terugbetalen en dat zonder een akkoord over de lening geen sprake kan zijn toetreding.
Toen op een pijnlijke wijze duidelijk werd dat het parlement van IJsland veel weerstand had tegen het Icesave-akkoord, lagen Nederland en het Verenigd Koninkrijk met IJsland overhoop omdat het eiland een regeling weigerde over de terugbetaling van die lening. IJsland had geen moeite om de deal aan te nemen, maar bleek al snel een zeer onbetrouwbare partner door dwars te liggen over de terugbetaling. Nederland en het Verenigd Koninkrijk werden bepaald niet geholpen door de Europese Commissie die deze geldkwestie nog wel in een advies heeft genoemd, maar het daarbij heeft gelaten en er geen conclusies aan heeft verbonden. De Europese Commissie ziet Icesave namelijk als een zaak tussen drie landen. Wie verontwaardigd is over deze gang van zaken, wordt gesust door de regering met de stelling dat wij de meeste kans op terugbetaling van het geld hebben bij een stabiel en welvarend IJsland en -- ik citeer een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken -- het EU-lidmaatschap van IJsland draagt daaraan bij. Dit is naar de mening van mijn fractie een vorm van chantage.
De PVV blijft ook met betrekking tot IJsland bij het standpunt dat er geen nieuwe landen moeten toetreden tot de Europese Unie. De Unie is al groot genoeg en heeft al genoeg problemen aan boord. Wij zien liever dat onbetrouwbare landen deze club verlaten. IJsland is ook niet het eerste land dat op voorhand al een onbetrouwbare partner blijkt te zijn. Ik herinner eraan dat dit eiland nooit wilde toetreden tot de EU, maar nu het in zware financiële problemen is geraakt, mag Europa wel helpen om de kastanjes uit het vuur te halen. Ook met betrekking tot Servië was en is de PVV tegen elke stap om te komen tot uitbreiding van het aantal EU-lidstaten.
Verder is in voldoende mate gebleken dat de eurozone een risicozone is. De PVV zit niet te wachten op nieuwe toetreders -- ik doel dan op Estland -- waarvan nauwelijks verwacht kan worden dat zij substantieel kunnen bijdragen aan het tegengaan van de instabiliteit in de eurozone.
Over de EU 2020-strategie het volgende. Het falen van de Lissabon-strategie in de afgelopen tien jaar heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat Europa in relatie tot andere wereldmachten al aardig achterloopt op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. De concurrentiepositie van de Europese landen is onder de Lissabon-strategie alleen maar verzwakt. De heer Ten Broek sprak onderhoudend over de intocht van een Japans cartoonfiguurtje in onze economie, maar er is natuurlijk meer aan de hand. De heer Dijkgraaf sprak -- en terecht naar mijn mening -- zijn zorgen uit de concurrentiepositie van de Europese landen ten opzichte van de BRIC-landen. Vandaag werden wij weer onaangenaam verrast met de mededeling dat China nu ook een steeds grotere greep krijgt op de Europese scheepvaartsector en een steeds groter aandeel in de havens in Griekenland.
De EU 2020-strategie moet voor een inhaalslag zorgen, maar mijn fractie betwijfelt of deze strategie de komende tien jaar voor verbetering zal zorgen. Wij betwijfelen dit niet in de laatste plaats omdat deze strategie zich nog steeds concentreert op doelstellingen die naar onze mening alleen op nationaal en niet op Europees niveau moeten worden geregeld. De laatste twee kerndoelen die worden genoemd, sociale inclusie en onderwijs, en waarover de Europese Raad nog moet besluiten, zijn daar typische voorbeelden van.
Wij zeggen dan ook dat Nederland niet moet instemmen met het politiek bekrachtigen door de Europese Raad van geïntegreerde richtsnoeren die de invulling van de EU 2020-strategie vormen en richting moeten geven aan het beleid van lidstaten. Als dat toch gebeurt, betreuren wij dat. Vooraanstaande EU-lidstaten zijn groot geworden door jarenlang eigen, specifiek nationaal beleid en economische samenwerking in Europa; dat heeft hen tot welvarende landen gemaakt. Wij willen geen algemeen beleid dat ook zaken omvat als sociale inclusie en onderwijs. Dat kan nooit de goede weg zijn.
Tijdens de G20-top van 26 en 27 juni zal, tenminste als het aan gastheer Canada ligt, vooral worden gesproken over financieel-economische onderwerpen, met beperkte ruimte voor andere onderwerpen als klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking. De PVV is het daarin graag met Canada eens. Maar de Nederlandse regering ziet voor de Europese positie, naast economische en financiële afspraken, ook heel andere belangen, waarbij voor ontwikkelingshulp, alsmede de vermeende klimaatverandering wel weer een belangrijke rol zal zijn weggelegd. Nederland was volgens onze minister-president ook vereerd om uitgenodigd te worden voor deze top. Ik constateer dat Nederland tijdens deze top in het gezelschap zal verkeren van vooraanstaande staten als Ethiopië, Malawi, Spanje en Vietnam. Het moet toch eens voor iedereen duidelijk worden dat Nederland alleen maar wordt uitgenodigd vanwege de gigantische bijdragen die ons land jaarlijks in allerlei projecten inbrengt, en echt niet om een andere reden.
Voor alle duidelijkheid: de PVV is tegen een Europese superstaat. Maar wij zien natuurlijk wel -- en dat heb ik al die jaren beklemtoond en daar blijf ik mee doorgaan -- het belang van een economisch sterk en hecht Europa, om onze plaats op het economische wereldtoneel te behouden. Wij zijn het dan ook wel met de demissionaire regering eens dat een versterking van zowel de preventieve als de correctieve arm van het Groei- en Stabiliteitspact onontbeerlijk is om de overheidsfinanciën van de lidstaten gezond te maken en te houden. Ook de PVV wil geen uitgehold Groei- en Stabiliteitspact, maar juist een sterke economische en monetaire samenwerking tussen lidstaten, met goede controle en sancties. Daarom is het van het allergrootste belang dat deze samenwerking aan een strakke band gaat lopen, door middel van strenge regelgeving, die ook daadwerkelijk moet worden gehandhaafd.
Voorzitter, ik zie mijn rode lampje branden, dus beëindig mijn betoog.
De voorzitter:
U mag best langer, zelfs tien minuten. U stond immers verkeerd op de lijst.
De heer De Roon (PVV):
Kijk eens aan. Dan ga ik door, maar het zullen geen tien minuten worden.
De heer Ormel (CDA):
Voorzitter. De heer De Roon geeft aan dat hij vóór een sterk Groei- en Stabiliteitspact is. Als Nederland niet aan het Groei- en Stabiliteitspact zou voldoen -- en dat is op dit moment het geval -- is hij er dan voor dat Europa streng is tegen Nederland en zegt dat het daaraan moet voldoen? De heer De Roon zegt namelijk zoiets en daarmee geeft hij aan dat hij in feite voor een gezamenlijke economische politiek is van de Europese Unie.
De heer De Roon (PVV):
Het is onze dure taak en plicht om ervoor te zorgen dat we helemaal niet in het beklaagdenbankje komen. De PVV zal er daarom ook alles aan doen om te voorkomen dat een dergelijke situatie überhaupt ontstaat. Ik herhaal: wij zijn voor een sterke economische en monetaire samenwerking, wat de noodzaak van een controle- en sanctiemechanisme inhoudt. We moeten er vooral voor zorgen dat we buiten die risicozone van toepassing van een dergelijk mechanisme blijven.
De heer Ormel (CDA):
Daar moeten we voor zorgen, dat ben ik met u eens. Maar u vindt een sterk Groei- en Stabiliteitspact belangrijk en daarmee geeft u aan dat u enige soevereiniteit wilt geven aan een supranationaal gebeuren.
De heer De Roon (PVV):
Ik heb het in de afgelopen jaren al eerder gezegd en zal het voor de heer Ormel herhalen: met betrekking tot Europese monetaire samenwerking kiezen wij voor de communautaire methode. Dat is ook hierbij het geval.
Wij zijn van mening dat transparantie van de financiële status van banken veel goeds kan betekenen voor de Europese economische situatie; openbaarmaking van de stresstest heeft dan ook in beginsel onze toestemming. Wij horen graag van de regering of ook Nederlandse banken daarbij zijn. Wat verwacht de regering: komen die Nederlandse banken er goed uit, of verwacht zij problemen? Wij zijn het verder met de demissionaire regering eens -- ik constateer dat voor de derde keer vandaag en dat gebeurt niet veel -- dat er een Europese heffing voor banken moet komen, maar net als anderen wil ook ik graag een toelichting van de regering op wat wij binnen Europa hiervan kunnen verwachten; overal gelijk zal het binnen Europa niet worden. De heer Ten Broeke wees op de mogelijkheid van het ontstaan van bankparadijzen in Europa. Dat zal ik hierbij ook doen.
Voorzitter, hiermee rond ik mijn betoog alsnog af.
De heer Van Dam (PvdA):
Mevrouw de voorzitter. Laat ik beginnen met mijn felicitaties uit te spreken aan het adres van de collega's Braakhuis en Dijkgraaf, die vandaag al hun maidenspeech mochten uitspreken. In mijn geval duurde dat heel wat langer, namelijk enkele maanden. Ik herinner mij nog goed dat dat een zeer bijzonder moment was. Dus nogmaals mijn welgemeende felicitaties voor beide collega's.
Wij blikken vandaag terug op de Europese Top van verleden week en wij kijken vooruit naar de top van de G20 het komende weekeinde in Toronto. Beide staan, begrijpelijk, in het teken van de financieel-economische crisis die de wereld in haar greep houdt. Dit drukt de andere crises in de wereld, namelijk die op het gebied van klimaat en energie en op het gebied van voedsel, armoede en ontwikkeling, echter naar de achtergrond. Dat is dus wel begrijpelijk, maar het is niet per se wenselijk.
Het aantrekken van de economie maakt de energiecrisis in de nabije toekomst nijpender. Wij zien ook dagelijks de potentiële risico's van onze sterke afhankelijkheid van fossiele brandstoffen; wij zien die letterlijk op televisie. Wat de PvdA-fractie betreft, is het niet alleen nodig, de Europese ambitie inzake emissiereductie op te schroeven van 20% naar 30% (het is teleurstellend dat dit wederom niet tot stand is gekomen), maar ook om daarop concreet actie te ondernemen. Zoals de regering terecht opmerkt in haar brief is het belangrijk dat subsidies op inefficiënte fossiele brandstoffen afgeschaft worden. Ik zou bijna zeggen: vanzelfsprekend moeten energie en klimaat op de agenda staan van de top in Seoul, niet alleen om daar kort over te spreken, zoals in Toronto gebeurt. Net zo relevant is het om aandacht te blijven schenken aan vrije handel, vooral voor ontwikkelingslanden, en aan het continue streven om de millennium ontwikkelingsdoelen te halen. Zo actief als de EU en de G20 zich buigen over de financieel-economische crisis, zo rustig is het daar aangaande die andere crises.
Mijn fractie ziet met grote instemming dat de regering aangeeft, ook de transitie naar duurzame energie op de agenda te willen houden, evenals de bestrijding van armoede en ongelijke ontwikkeling in de wereld. Er is immers meer te hervormen dan alleen maar het financiële en economische systeem. Ik vraag de regering dan ook om aan dat deel van de agenda van de G20 nadrukkelijk aandacht te besteden, zoals zij eigenlijk ook al heeft aangekondigd.
Toch vraagt de financieel-economische crisis begrijpelijkerwijs, op dit moment alle aandacht. Eerst was er de financiële crisis, daarna de economische crisis en recent was er de eurocrisis. Nu is het dan ook alle hens aan dek. Op de Europese Top is gesproken over de noodzaak dat landen de begrotingsdiscipline herstellen en dat een versterking van het controle- en sanctiemechanisme wordt ingesteld. In het voorbereidende AO spraken wij over de mogelijkheid van sancties, zoals het opschorten van structuurfondsen, landbouwsubsidies en het ontnemen van stemrecht van landen die zich niet aan de afspraken ter zake houden. Mijn vraag aan de regering is of er concreet over deze zaken gesproken is op de Europese Top en hoe deze sanctiemogelijkheden in Europa "liggen"; is er dus steun voor deze lijn? Is anders de komende maanden een stevige inspanning nodig om het pakket ook in deze omvang op tafel te krijgen?
Daarnaast is er gesproken over het in het voorjaar aanleveren van de kengetallen voor de begroting aan de Europese Commissie. Kan de regering nader ingaan op de vraag hoe concreet een en ander gemaakt is bij de bespreking op de Europese Top? Wat moet precies aangeleverd worden? Wat gebeurt daar vervolgens mee? Welke bevoegdheden heeft de Europese Commissie om daar wat mee te doen? Passen die binnen de huidige verdragen?
Op de G20 zal het eveneens gaan over begrotingsdiscipline. Er doemt een verschil op tussen de Amerikaanse regering aan de ene kant en een deel van Europa aan de andere kant. Obama spreekt in zijn brief, gericht aan de aanwezigen op de G20, over de noodzaak om de schuldenratio te stabiliseren. Van Rompuy en Barroso hebben het net als Merkel over het reduceren van de schuldenratio. Obama wil het begrotingstekort in 2015 terugdringen tot 3%; in Europa spreekt men over de noodzaak om verder te gaan, iets wat ook in de Nederlandse politiek breed wordt gedeeld. Wat is eigenlijk de positie van de Nederlandse regering in deze discussie? Dat kon ik niet uit de geannoteerde agenda halen. Kiest de Nederlandse regering de kant van Obama, de kant van Merkel of ligt de verstandige weg ergens in het midden, en wel de overheidsfinanciën op orde brengen, maar wel met voldoende oog voor het economische herstel.
Wie de brieven van Obama en de brief van Van Rompuy en Barroso leest, ziet dat het ook zal gaan over de valutamarkt, met name over de Chinese munt. In beide brieven wordt duidelijk aangegeven dat de Chinese stap om de Chinese munt op te waarderen, onvoldoende is. De Nederlandse regering bespreekt dit punt niet in haar brief, gericht aan de Kamer. Ik kan mij echter niet voorstellen dat, wanneer in beide andere brieven hierover gesproken wordt, dit onderwerp niet aan de orde komt. Waarom geeft de regering dit dus niet aan in haar brief aan de Kamer? Wat is eigenlijk de positie van Nederland in de discussie over de waardering van de Chinese munt?
Dank aan de minister-president voor het opbrengen van de bankenbelasting op de Europese Top.
De conclusie van de Europese Raad is helder. Er zal in Europa een bankenbelasting worden ingevoerd. De lidstaten moeten daarvoor regelingen treffen. Dat komt ook op de G20 aan de orde. Ook president Obama lijkt een dergelijke heffing als een optie te beschouwen.
Minder dank van de kant van mijn fractie is er voor de opstelling van de minister-president in de discussie over de derivatenmarkt. De minister-president heeft zich uitgesproken tegen een verbod op naked short selling. Ik meen dat wij daarover eerder hebben gediscussieerd, ook in het algemeen overleg. De Kamer heeft ook eerder moties op dit vlak aangenomen. Het kabinet is demissionair, dus ik verwacht toch een zekere terughoudendheid. Ik verwacht zeker niet dat de regering ingaat tegen standpunten zoals die door een meerderheid van deze Kamer werden gedeeld. Ik hoor dan ook graag van de minister-president waarom hij zich hierin zo stevig heeft opgesteld, ook omdat een dergelijke stevige opstelling niet werd aangekondigd in de brief van het kabinet waarin het aangaf wat het zou gaan doen op de Europese top.
Wat IJsland betreft, heeft de minister-president, conform de afspraak die wij hadden gemaakt in het voorbereidende overleg, aangegeven dat IJsland geen lid van de EU kan worden als niet de Icesave-kwestie is opgelost. Hoofdstuk 9 in de onderhandeling zal niet worden gesloten voordat er een oplossing is bereikt. Ik zou graag van de minister-president horen hoe daarop is gereageerd, of dat standpunt voldoende steun heeft binnen de EU en of wij er nu ook op kunnen rekenen dat een en ander voortvarend wordt aangepakt.
Een kleine zijstap permitteer ik mij over Agadir, waar de afgelopen dagen geen overeenstemming is bereikt over de walvisjacht. Nu is het vangen en doden van walvissen binnen de EU verboden. Betekent dit dus voor IJsland dat dit land, ondanks het feit dat zo'n verdrag is uitgebleven, ook geen lid kan worden van de EU als het de jacht op walvissen niet staakt?
Dan kom ik bij Iran. Al op 26 juli komt een pakket maatregelen in de Raad voor Buitenlandse Zaken. Dat is vrij snel. In het algemeen overleg heb ik al mijn zorgen kenbaar gemaakt, maar wij hebben toen ook afgesproken dat er om dit goed te kunnen beoordelen een brief van de regering nodig is waarin zij ingaat op de eventuele risico's die verbonden zouden kunnen zijn aan eenzijdige Europese sancties voor het doorbreken van een eenheid die nu juist mondiaal zo moeizaam was bereikt. Die brief is beloofd door de minister-president, maar aangezien een en ander al op 26 juli op de agenda staat, zou ik het op prijs stellen als wij die brief zo snel mogelijk kunnen ontvangen, zodat wij daarover volgende week, namelijk voordat het reces begint, nog een overleg met de regering zouden kunnen hebben. Dus ik vraag de minister-president om die brief uiterlijk maandag aan de Kamer te sturen. Ik hoop dat dat mogelijk is.
De EU-2020-strategie voor het gezond maken van de overheidsfinanciën, het hervormen van de financiële sector en het stimuleren van economisch herstel is nog geen recept voor de toekomst van onze Europese economie. De Europese economie zal een economie moeten zijn die gestoeld is op kennis, innovatie, een duurzame energievoorziening en een duurzaam grondstoffengebruik. Maar wat het Europese model nu werkelijk uniek maakt, is dat wij dit willen om te zorgen dat iedereen kan blijven meedoen. Dus verhoging van opleidingsniveaus en arbeidsparticipatie, en het tegengaan van armoede en sociale uitsluiting zijn - zeg ik in de richting van de heer Ten Broeke, die er nu niet is maar die dit vast zal horen of teruglezen - geen linkse hobby's. Dit is nu juist de kern van het Europese model. Geen groei om de groei, geen groei voor de happy few, maar groei ten dienste van welvaart voor iedereen, en dat wel met respect voor de nationale beleidsruimte.
Ik heb nog één vraag bij de conclusies van de Europese Raad ten aanzien van de EU-2020-strategie. Er wordt gesproken over de noodzaak tot hervorming van de pensioenstelsels. Ik vraag de minister-president of het wel helder is binnen Europa dat de inrichting van die pensioenstelsels een nationale zaak is en moet blijven.
Een aantal collega's heeft al een soort afscheidssessie gehouden in de richting van de minister-president. Ik doe daar niet aan mee. Ik zou zeggen: it ain't over till it's over. De minister-president heeft ook het komende weekend nog een belangrijke taak om de belangen van Nederland in de G20 te behartigen. Daarmee wens ik hem graag veel succes.
De voorzitter:
Wij gaan de vergadering nu enkele ogenblikken schorsen zodat wij onze collega's kunnen gelukwensen die hun maidenspeech hebben gehouden.
Ik heb begrepen dat er een groep missen op de tribune zit. Zoiets moois kan ons niet ontgaan. Zij hebben naar ik heb begrepen ook een cadeau bij zich voor de minister-president.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik kijk of iedereen er weer is.
Dat is nog niet helemaal het geval. Ik mis de heer Braakhuis, de heer Ormel, de heer Schouw en de heer Dijkgraaf. Van de heer Ten Broeke was bekend dat hij iets anders zou gaan doen.
Het woord is aan de minister-president.
Minister Balkenende:
: Voorzitter. Ik zeg de leden van de Kamer graag dank voor hun inbreng in eerste termijn. Ik zal de zaken behandelen die op mijn terrein liggen. De minister van Buitenlandse Zaken zal ingaan op de onderwerpen Iran, Swift en Servië. Ik zal een aantal blokjes eerst in algemene zin behandelen. Daarna zal ik bij deze blokken afzonderlijk ingaan op de vragen die uit de Kamer zijn gesteld. Ik zal achtereenvolgens stilstaan bij de EU 2020, de financiële sector te beginnen met de stresstest, de heffingen en belastingen voor banken. Vervolgens zal ik enkele woorden wijden aan de G20. Daarna de werkgroep-Van Rompuy, het onderwerp economic government en tenslotte zal ik nog enkele woorden wijden aan de millenniumontwikkelingsdoelen en het thema klimaatverandering. Ik heb mij voorgenomen om de beantwoording op deze wijze te doen.
De Europese Raad heeft de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei vastgesteld. Er is overeenstemming bereikt over de kwantitatieve invulling van de laatste twee kerndoelen op de terreinen onderwijs en sociale insluiting. Met deze nieuwe economische strategie voor Europa kunnen wij de nodige stappen zetten om de Europese economie te moderniseren. Het komt nu aan op de implementatie. Ik heb er uitdrukkelijk op gewezen dat het aan het nieuwe Nederlandse kabinet is om de nationale doelstellingen nader in te vullen. Dit raakt aan de vraag van de heer Schouw of dit kabinet nog met een strategie moet komen. Het lijkt mij het beste dat dit onderdeel uitmaakt van de vorming van een nieuw kabinet. Wij hebben de afgelopen maanden regelmatig met elkaar over 2020 gesproken. Wij hebben daarover een algemeen overleg en plenaire debatten gevoerd. Het lijkt mij het beste dat dit door een nieuw kabinet ter hand wordt genomen.
Het hoort onderdeel te zijn van een coalitieakkoord en ook in een regeringsverklaring aan de orde te komen. Daarna kan het deel uitmaken van het debat met de Kamer.
Dan kom ik bij de financiële sector. Eerst een opmerking over de stresstest waarover verschillende sprekers opmerkingen gemaakt hebben. De Raad heeft zich gebogen over de hervormingen die in de financiële sector nodig zijn en het belang van transparantie benadrukt om het vertrouwen te bestendigen. De Europese lidstaten en toezichthouders werken op dit moment aan een gezamenlijke stresstest. Afgesproken is dat wij eind juli naar buiten treden met de uitkomsten. De minister van Financiën zal de Kamer hiervan op de hoogte houden. Deze stresstest is zeer substantieel en dekt minstens 50% van het Europese balanstotaal. Ook enkele Nederlandse banken doen mee. Ik kan op dit moment nog geen mededeling doen over de vraag om welke banken het gaat. Wij zijn voorstander van maximale transparantie over de uitkomsten van de stresstest. Ik kan niet vooruitlopen op de resultaten. Echter, als onverhoopt blijkt dat bepaalde instellingen onvoldoende sterk zijn, blijven overheden bereid om te doen wat nodig is teneinde de financiële stabiliteit te bewaren.
Dat brengt mij bij enkele vragen die gesteld zijn. Zo is gevraagd hoe deze stresstest en dit stressscenario er precies uitzien. Op dit moment wordt er hard aan gewerkt. In dit stadium kan niet meer gezegd worden dan dat. Ik heb van de toezichthouder vernomen dat landenrisico's worden meegenomen in de stresstest. Verder heeft de heer Dijkgraaf gevraagd naar de effecten. Ik heb deze vraag ook aan de heer Trichet gesteld. Ik heb hem voorgelegd dat sommige banken geen problemen zullen hebben, maar andere wel en gevraagd hoe hiermee wordt omgegaan. Het antwoord was als volgt. Allereerst is het van belang is om de publicatie in één keer te doen. Daarnaast moet er, als er bepaalde mededelingen over banken gedaan worden, al vooraf ruimte zijn om te werken aan herstel, aan bepaalde strategieën. Dat moet immers bijdragen aan vertrouwen. Het algemene gevoel is dat Europa gebaat is bij transparantie op dit moment. De schaduwzijde van het ontbreken van transparantie is veel groter dan het eventuele risico dat bepaalde banken mogelijk problemen ondervinden. Over welke banken dat zijn, is niets te zeggen. Ik vind het echter goed dat gekozen wordt voor transparantie, publicatie op één moment en aangeven wat landen en banken te doen staat om bij te dragen aan herstel van vertrouwen. Dat is de komende tijd aan de orde.
De heer Schouw (D66):
Hoe voorkomen wij dat de financiële markten weer helemaal in elkaar donderen als gevolg van het publiceren van de mooie resultaten van de stresstest?
Minister Balkenende:
Precies dezelfde vraag heb ik aan de heer Trichet gesteld: hoe ga je om met onzekerheid? De stresstest moet immers dienen om het vertrouwen te versterken en te herstellen in plaats van onzekerheid aan te wakkeren. Naar aanleiding van de vraag van de heer Dijkgraaf heb ik zo-even aangegeven dat de negatieve kanten van niet-publiceren en ontransparantie veel groter zijn dan het wel bieden van transparantie. Verder is het noodzakelijk om ingeval zaken naar buiten komen, informatie te verstrekken over hoe de situatie verbeterd kan worden. Dat was ook het algemene antwoord van de heer Trichet. Meer dan dat kan ik nu niet zeggen. Iedereen is zich bewust van de risico's van het niet goed begeleiden van een en ander. Dat kan immers aanleiding geven tot nare toestanden.
De heer Schouw (D66):
Ik begrijp de antwoorden, maar ze geven mij niet het gevoel van zekerheid dat een en ander voorkomen kan worden. Uit het antwoord maak ik op dat het de volle aandacht heeft. De minister-president hoeft mij niet te vertellen wat er elders allemaal nog gebeurt. Ik denk dat wij het verkeerd doen als wij de resultaten publiceren en vervolgens de financiële markten weer in elkaar donderen.
Minister Balkenende:
Ja.
De heer Dijkgraaf (SGP):
De minister-president noemde de naam van de heer Trichet. Betekent dat ook dat de stresstest voor alle EU-listaten identiek is? Zelf vind ik dit een belangrijk punt. Wij moeten niet allerlei discussies over de test krijgen.
Minister Balkenende:
Als de president van de Europese Centrale Bank hierover spreekt, kan niet ieder land afzonderlijk te werk gaan. Transparantie heeft dan ook geen zin, omdat dan sprake is van onvergelijkbare grootheden. Er zal ongetwijfeld ruimte zijn om nationaal bepaalde accenten te leggen, maar over het algemeen moet sprake zijn van afstemming om het signaal dat vertrouwenwekkend moet zijn, gezagvol te laten zijn.
Wij schieten er niets mee op als er straks voor allerlei landen verschillende criteria zijn. Dan gaat de zaak niet goed. Het is ook de intentie om niet zulke verschillen te hebben. Meer dan dat kan ik er nu echter niet over zeggen, want er wordt nog aan gewerkt. Ik hoop dat de heer Dijkgraaf daar begrip voor heeft.
De heer Dijkgraaf (SGP):
Zonder meer. Ik stel nog een vervolgvraag. Misschien kan de minister-president ook daarover niet zo veel zeggen, maar ik wil toch graag weten wat hij erover kan zeggen. Mijn vraag betreft de betrokkenheid van de Kamer. Wij gaan natuurlijk een best lastige periode in, ook gezien de beschikbaarheid van de Kamer. Kan de minister-president iets zeggen over de fase waarin naar zijn mening betrokkenheid van de Kamer goed zou zijn, los van wat wij daarvan vinden?
Minister Balkenende:
Op basis van mijn toch meerjarige ervaring met deze Kamer moet ik zeggen dat de Kamer altijd wordt geïnformeerd. Dat hebben wij ook gezien rond de maatregelen die wij moesten nemen in de richting van Griekenland. Ik heb zelf -- en dit geldt ook voor de minister van Financiën -- bijvoorbeeld steeds een voorbehoud moeten maken wat betreft de manier waarop het Nederlandse parlement, gegeven de huidige politieke situatie, tegen zaken aankijkt. De Kamer kent onze methode: voorafgaand aan elke Europese Raad hebben wij met elkaar een algemeen overleg en daarna een debat. Er wordt informatie gegeven als dat nodig is. Wij zijn ons zeer bewust van de kwetsbare ontwikkeling. Je kunt dit soort zaken niet doen zonder goed overleg tussen parlement en regering. Dat is steeds onze intentie geweest. Daarmee zullen wij ongetwijfeld ook doorgaan. Dat heeft ook goed gewerkt tot nu toe. Ik voeg hieraan nog één opmerking toe. Juist de goede afstemming tussen de visie van het parlement en de opstelling van de regering draagt bij aan een krachtig signaal van Nederland. Ik heb meer dan eens gezegd, bijvoorbeeld ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan IJsland, dat het noodzakelijk is dit hard te markeren. Dat is ontzettend belangrijk. Daarom hecht ik ook zeer aan het goede samenspel tussen Tweede Kamer en de regering.
Voorzitter, ik had het zonet verzuimd, maar mag ik nog de heer Dijkgraaf en ook de heer Braakhuis van harte gelukwensen met hun maidenspeech? Ik heb hen al gefeliciteerd tijdens de korte schorsing, maar ik wil dit ook graag nu vanaf deze plaats zeggen. Zij hebben mooie inleidingen gehouden. Ik wens hen heel veel succes in hun werk als Kamerlid na het uitspreken van hun maidenspeech.
De heer Ormel (CDA):
Ik begrijp goed dat de stresstest en de openbaarmaking zorgvuldig moeten worden voorbereid en dat er nauw overleg moet zijn met de Kamer. Er wordt gesproken over juli. Nu is de realiteit dat de Kamer in juli op reces is, dat het kabinet demissionair is en dat er een informatiefase plaatsvindt. De minister-president pleit voor een krachtig antwoord van Nederland. Wordt er in de voorbereiding ook rekening gehouden met deze bijzondere situatie?
Minister Balkenende:
Wij praten nu niet voor niets over de uitkomsten van de Europese Raad. Tijdens de Europese Raad is gezegd dat uiterlijk in de tweede helft van juli deze stresstests naar voren zullen komen. Uiteraard zullen wij de Kamer op de hoogte houden van de uitkomsten daarvan. Het doel is transparantie. Mocht er aanleiding zijn voor overleg, dan zullen wij dat met elkaar moeten zoeken. Of het nodig is, weet ik niet. De bedoeling is nu juist om bestaande onzekerheden te voorkomen en transparantie te bieden. De Kamer wordt geïnformeerd; dat spreekt vanzelf.
De heer Ten Broeke heeft de terechte vraag gesteld hoe de verhouding is tussen de publicatie en de kredietverlening. Ik denk niet dat er sprake zal zijn van een belemmering. Het effect op de kredietverlening kan ook heel goed positief zijn. Nu verdenken de markten elke financiële instelling en gaan uit van het ergste. Dat is slecht voor het onderlinge vertrouwen. De stresstests zullen daar realisme in brengen. Dat zal voor veel instellingen betekenen dat het vertrouwen kan worden vergroot. Dit kan ook zorgen voor een betere uitgangspositie.
De heer Dijkgraaf stelde de vraag hoe moet worden omgegaan met banken die hun kapitaaleisen niet op tijd op orde krijgen. Zoals ik al heb gezegd, kan ik nu niet vooruitlopen op de resultaten van de test, maar als onverhoopt blijkt dat bepaalde instellingen onvoldoende sterk zijn, blijven overheden bereid om te doen wat nodig is om de financiële stabiliteit te bewaren. In Nederland is de garantieregeling van de overheid om banken te ondersteunen bij het aangaan van leningen verlengd tot het einde van dit jaar. Net als bij de eerdere verlenging worden de premies opnieuw verhoogd.
Ik kreeg zonet nog de volgende informatie: de Ecofin-raad buigt zich nog in juli over de stresstest. Dat betekent dat ook in het algemeen overleg met minister De Jager hierover kan worden gesproken. De Kamer heeft dus nog een mogelijkheid na dit debat om hierbij stil te staan.
Ik kom toe aan het blok over de heffingen en belastingen voor banken. Tijdens de Europese Raad zijn wij het in beginsel eens geworden over heffingen en belastingen voor banken. Hiermee moet worden voorkomen dat de kosten van de financiële crisis door de belastingbetaler worden gedragen. De financiële sector moet juist zelf bijdragen in de kosten van het redden van banken. Een bankenbelasting draagt tevens bij aan het verminderen van systeemrisico's en aan het crisismanagement ten tijde van een financiële crisis. De details van een bankenbelasting moeten nog verder worden uitgewerkt door de Ecofin-raad en de Commissie.
Ik heb er in de Europese Raad wel op gewezen dat aan drie voorwaarden moet worden voldaan. Dit sluit aan bij de opmerkingen die de heer Ormel, de heer Ten Broeke en de heer Dijkgraaf maakten. Er moet ten eerste sprake zijn van Europese coördinatie rondom de doelstelling, grondslag en reikwijdte van de belasting, om zo een internationaal level playing field te handhaven. Er moet ten tweede rekening worden gehouden met de mogelijke cumulatieve effecten van de maatregelen, zoals de samenloop van de gevolgen van de bankenbelasting met aangescherpte kapitaaleisen. Ten derde moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de bankenbelasting voor de kredietverlening. De Unie zal tijdens de G20-bijeenkomst in Toronto pleiten voor het introduceren van een bankenbelasting, juist omdat een internationale aanpak sterk de voorkeur verdient uit oogpunt van het waarborgen van een level playing field. Op dit moment is nog niet te voorspellen hoe de discussie hierover zal verlopen, maar uiteraard zal ik, zodra ik meer weet, de Kamer daarvan op de hoogte stellen.
De heer Schouw (D66):
Het is mij toch een beetje onduidelijk wat voor besluit er nu precies is genomen. Is er een principebesluit genomen om de belasting in te voeren en maakt het niet uit welke modaliteit? Wordt zij sowieso ingevoerd? Of is het besluit genomen dat het een goed idee is dat uitgewerkt kan worden, waarna het principebesluit volgt als de uitwerking er is? Ik wil daar graag een helder antwoord op hebben. En welke voorwaarden heeft de Nederlandse regering gesteld aan de invoering van de bankenbelasting? De minister-president noemt aandachtspunten. Dat is prachtig, maar ik neem aan dat er gewoon harde voorwaarden zijn, zoals bijvoorbeeld een Europese invoering.
Minister Balkenende:
De heer Schouw heeft gelijk met zijn vraag naar de precieze status van de besluitvorming. Ik pak even de stukken erbij. In conclusie 16 staat: "De Europese Raad is het erover eens dat de lidstaten regelingen voor heffingen en belastingen moeten invoeren op financiële instellingen teneinde de lasten billijk te verdelen en stimuli vast te stellen om systeemrisico's in te perken". Hier staat een intentie: wij willen dat er een heffing komt. Is hier de juridische bepaling gemaakt dat er een heffing komt? Dat is nog te vroeg. Het is de intentie, die aangeeft dat landen dit zullen gaan doen. Er staat niet: per die datum wordt een bankenheffing ingevoerd. Dat kan ook nog niet. De intentie in Europa is echter volstrekt helder: wij willen een bankenheffing.
Die bankenheffing wordt uiteraard ook mondiaal besproken. Dat is evident. En nu krijg je het grote verschil tussen een bankenheffing en de Tobintaks. Een bankenheffing zou je ook in de Europese context kunnen doen. Het is wel verstandig dat ook de Verenigde Staten meedoen; een van de sprekers heeft dat ook gezegd. Een heffing op financiële transacties, de Tobintaks, is echter van andere orde. Daar moet je echt mondiale afspraken over maken; dat is te risicovol. Als je dat niet doet, verschuiven de bancaire activiteiten zo naar andere delen van de wereld.
De uitspraak is helder: landen behoren te gaan werken aan een bankenheffing. Dat zal naar voren worden gebracht bij de G20. Over de exacte invulling ervan wordt nu nog verder gesproken: wat is de grondslag, wat is het tarief en waar komt de revenu in terecht? Zoals de heer Schouw weet, is de Nederlandse positie: als je revenuen hebt, behoren die naar de nationale middelen te gaan. Al die dingen moet je goed met elkaar afspreken. Als die zaken namelijk niet goed zijn afgekaart, krijg je problemen. Dat is de intentie. Ik verwijs voor de letterlijke tekst naar conclusie 16.
De heer Schouw (D66):
Ik ben blij met deze uitleg. Er wordt dus nog gekeken naar modaliteiten. Als het zover is, leidt dat tot een pakketje over de bankenbelasting. Zouden we dat pakketje hier dan ook met elkaar kunnen bespreken?
Minister Balkenende:
In de discussies van de afgelopen tijd over steun aan banken, over Griekenland en het IMF en over de macro-economische afstemming zijn zaken steeds in overleg met de Kamer gebeurd. Als de Kamer spreekt met minister De Jager kan dit punt opnieuw aan de orde worden gesteld. Dat is ook het moment om verder in te gaan op de techniek, voor zover dat nu kan.
De heer Van Dam (PvdA):
Er moet verder worden ingegaan op de techniek, maar nu gaat het erover wat er precies is besloten in de Europese Raad. Daar is de afspraak gemaakt dat lidstaten het gaan invoeren, met één uitzondering: Tsjechië wil niet meewerken. Tegelijkertijd is er gezegd dat zal moeten worden gestreefd naar gelijk speelveld. Dat veronderstelt dat er afspraken worden gemaakt over harmonisatie van deze regeling. Interpreteer ik dat juist?
Minister Balkenende:
Ik heb aangegeven dat de intentie helder is. Wij willen een bankenheffing. Omdat de financiële sector mondiaal opereert, behoort erover te worden gesproken bij de G20. Vervolgens is aan Europa de weging of wij daarmee in feitelijke zin willen beginnen. De heer Van Dam heeft gelijk dat je dan moet bekijken hoe je dat gaan doen.
Misschien kan ik gelijk de vraag van de heren Ten Broeke en De Roon beantwoorden. Ze stipten het punt van Tsjechië aan. Als landen zich willen terugtrekken en twee landen doen dat, is het level playing field in Europa weg. Die bankenheffing moet zo breed mogelijk worden ingevoerd in verband met het gelijke speelveld. Het voorlopige voorbehoud van Tsjechië is in dat verband te betreuren, maar niet doorslaggevend. Een gelijk speelveld is een van de drie criteria waarop Nederland een bankenheffing zal beoordelen. Tsjechië heeft dit nu aangegeven en wij nemen daar kennis van. Ik heb echter ook gemerkt dat het wel eens zo kan zijn dat als de situatie verder gaat en we met elkaar in Europa tot de conclusie komen dat wij het gaan doen, wij dan nog moeten zien of landen zich daaraan gaan onttrekken. Ik beschouw de opmerking van de heer Van Dam eerlijk gezegd als een aansporing om juist te werken aan het level playing field en de afstemming. Dat is van belang.
De heer Van Dam (PvdA):
Ik neem aan dat er in de Europese Raad over is gesproken of de invoering van de heffing op basis van volledige harmonisatie zal gebeuren, aangezien er gesproken is over het level playing field. Het is niet gebruikelijk dat er in Europa afspraken worden gemaakt over de precieze inrichting van belastingmaatregelen. Daarmee kom je meteen bij een ander punt. Als je niet werkt op basis van harmonisatie kunnen lidstaten zich eraan onttrekken.
Minister Balkenende:
U praat nu feitelijk al over de techniek en de exacte invulling. Ik geef net aan dat de conclusie moet worden gelezen zoals die hier staat. Over de verdere invulling zal absoluut nader overleg moeten plaatsvinden. Dat is ook mijn boodschap geweest.
De heer Van Dam (PvdA):
Ik vind dat geen kwestie van techniek. Er is over gesproken. Wij gaan het invoeren. Dan neem ik toch aan dat er is afgesproken of het gezamenlijk op dezelfde manier wordt ingevoerd of dat het aan de lidstaten zelf is en we daarmee grote verschillen riskeren.
Minister Balkenende:
Ik moet oppassen dat ik me niet ga herhalen. De intentie moet worden afgeleid uit conclusie zestien. Daarin staat glashelder wat de Europese Raad wil, maar verder dan dat zijn wij niet gegaan. Uit deze tekst vloeit niet direct iets voort over de exacte invulling of de harmonisatie. Deze tekst geeft aan wat op dit moment de stand van zaken is. Wij zijn er nog niet. Het is echter wel helder dat de Europese Raad er alles aan zal doen om het te gaan invoeren en dat vind ik een belangwekkend signaal. De heer Schouw vroeg terecht of wij hiermee besloten hebben dat het per 1 november wordt ingevoerd. Nee, dat is nog niet het geval. Het is wel een buitengewoon belangrijke afspraak die een vervolg zal krijgen.
De heer Dijkgraaf (SGP):
Ik begrijp dat wij nu niet over techniek praten. Daarover ga ik dus ook geen vragen stellen. Er is wel een algemeen uitgangspunt dat uitmondt in een bepaalde vorm en dat gaat vooral over de grondslag. Deelt de minister-president het uitgangspunt dat voor een vorm gekozen moet worden waarbij banken die risicovol beleggen wel betalen en banken die niet risicovol beleggen niet betalen?
Minister Balkenende:
Dat lijkt me eerlijk gezegd een lastige. Dit raakt ook de techniek dus ik wil daar terughoudend in zijn. Je moet oppassen een situatie te krijgen waarin je wel zegt een bankenheffing te willen met daarnaast een arbitraire discussie over wie wel en niet wil. Een bankenheffing is een bankenheffing. Ik heb tot nu toe in het debat in de Europese Raad geen onderscheid bemerkt zoals de heer Dijkgraaf dat nu brengt. Dat kan wel als onbillijk worden ervaren, maar een instrument moet ook generiek werken. Ik voorzie een discussie over de vraag "wie wel en wie niet". In de grote lidstaten wordt ook gesproken over een bankenheffing. Ik bemerk geen discussie over de punten die de heer Dijkgraaf nu aangeeft.
De heer Dijkgraaf (SGP):
Nee, maar het heeft wel veel te maken met de te kiezen grondslag. Het kan heel nauw luisteren hoe dat uiteindelijk uitwerkt voor specifieke banken. Ik ben er ook niet voor om te zeggen: bank A wel en bank B niet. Daar moeten wij eigenlijk helemaal niet aan beginnen. Ik vraag echter wel aandacht voor die grondslagkeuze, want het primaire doel is risicovol gedrag afwennen.
Minister Balkenende:
Het is een goed punt dat je bij de definitie van de grondslag rekening hebt te houden met verschillen. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn. Dat debat zal de Kamer tegen die tijd ongetwijfeld voeren met de minister van Financiën.
De heer Ormel (CDA):
Wij spreken nu natuurlijk niet in detail over de bankenheffing. Wij spreken slechts over de contouren, maar die zijn toch wel van groot belang. De minister-president gaf aan geen voorstander te zijn van de Tobintaks. Die gaat te ver. De heer Barroso schrijft in zijn brief over een financial transaction tax. Dat lijkt toch wel verdacht veel op een vorm van een Tobintaks.
Minister Balkenende:
Ik heb niet gezegd dat ik tegen een Tobintaks ben. Ik heb gezegd dat het geïsoleerd invoeren van zo'n taks het grote gevaar is.
Ik heb buitengewoon intensief meegedaan aan het debat in de Europese Raad, omdat er aanvankelijk conclusies waren waarin die zaken werden samengevoegd. Ik heb toen gezegd dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de bankenheffing, die ook op kleinere schaal kan worden ingevoerd, en een heffing op financiële transacties, waarover mondiale afspraken gemaakt zouden moeten worden. Dat is ook de reden waarom dit onderwerp is gekoppeld aan de G20. Ook in het algemeen overleg heb ik naar voren gebracht dat ik eigenlijk niets zie in transactieheffingen in alleen een Europese context. Dan weet ik wat er gaat gebeuren met de financiële instellingen hier. Die zijn wij dan zo kwijt. Daarom heb ik ook gezegd dat je onderscheid moet maken tussen deze twee zaken. Dat is een.
Ten tweede praat het IMF over dit onderwerp. Men weet dat de Europese Commissie bezig is met dit onderwerp. Dat alles is ook aangegeven. Het rapport is nog niet klaar. Ik heb aan Barroso ook gevraagd hoe het ermee staat. Hij zegt dat het probleem is dat er heel verschillend wordt gedacht over een Tobintaks. Als er mondiaal draagvlak is, zou je op een gegeven moment zo'n instrument kunnen invoeren. De essentie is dat ik er niet tegen ben, maar dat je het mondiaal moet doen als je het invoert. Anders loop je veel te grote risico's. Dat is mijn punt.
De heer Braakhuis (GroenLinks):
De minister-president sprak zich uit over de zorgen die hij heeft over de vele kapitaaleisen die op de banken afkomen. Die zorgen deel ik op zichzelf met hem. Ik vraag mij wel af of de heffing invloed zou hebben op de huidige kapitaaleisen die wij stellen aan banken, ook in het kader van Basel, of dat de minister-president andere oplossingen ziet.
Minister Balkenende:
Dat is een heel goed punt van de heer Braakhuis. Het zat ook in het betoog van de heren Ten Broeke en Ormel. Als wij te maken krijgen met extra eisen, moet je wel de samenhang der dingen gezien. Er kan op een gegeven moment een stapeling van verplichtingen zijn waarbij misschien het hele bouwwerk wel netjes in de steigers is gezet of gerealiseerd, maar als dit ten koste gaat van bijvoorbeeld de kredietverstrekking zijn wij ook ver van huis. Dit debat, van het ene in relatie tot het andere, gaat de komende tijd spelen. Sommigen zeggen dat je in elk geval moet beginnen met Basel III, dat dit essentieel is. Bij de bankenheffing moet je heel goed bekijken hoe je daarmee omgaat, wat de grondslag is en wat dan de aard van de heffing is. Ik onderschrijf dat je deze zaken nooit geïsoleerd kunt bezien en dat je moet letten op de stapeling.
De heer Van Bommel (SP):
Wij praten over de bankenheffing alsof die al aanstaande is. Ik voorspel dat het nog wel even gaat duren voordat de bankenheffing er is, omdat er vanuit de sector ook nog wel een woordje zal worden mee gesproken, zeker wanneer wij gaan praten over de implementatie, de invoering ervan en de techniek. Daar moeten wij het nu niet over hebben. Dat ben ik eens met de minister-president. Het gaat om het politieke commitment dat nu Europees lijkt te bestaan. Daarom ben ik blij met de houding van de grote drie, Engeland, Frankrijk en Duitsland, die voortvarend op dit onderwerp te werk willen gaan. Sluit Nederland zich nu aan bij deze kopgroep in Europa, omdat daarmee het signaal wordt afgegeven dat Nederland ook in die voorhoede wil zitten die echt wil trekken aan dit onderwerp, of gaat het volgen? Wat is de houding van de Nederlandse regering?
Minister Balkenende:
Wij hebben dezelfde houding als iedereen die conclusie 16 heeft onderschreven, wij willen toe naar een bankenheffing. Dat is wat in deze Kamer aan de orde is geweest. Men weet wat het standpunt van de regering daarover is. Wij doen het echter wel in samenspel met anderen. Anders werkt het niet. De winst van de discussie op het moment is dat er in elk geval veel meer commitment ontstaat dat je zaken in samenhang moet zien, als je dit soort dingen doet. Dat is de positie van de Nederlandse regering en wij doen het stap voor stap.
De heer Van Bommel (SP):
Conclusie 16 heb ik gelezen, ook met de bepaling dat Tsjechië voorlopig niet meedoet. Het gaat erom dat ook op dit onderwerp zal gelden dat de grote landen bepalend zullen zijn voor het tempo waarin iets gebeurt in Europa en voor de vraag of er überhaupt iets gebeurt, want nogmaals: er zal ook weerstand zijn. Ik vind het dan van belang dat Nederland aangeeft of het aan de kant staat van de sterke voorstanders die echt grote stappen willen zetten of dat het afwacht en kijkt wat er gebeurt. Waar staat Nederland?
Minister Balkenende:
In de eerste plaats wachten wij nooit af. Dat geldt voor onze opstelling. Wij weten ook dat je gezamenlijk hebt op te trekken als je dit soort dingen doet. Men kan ervan verzekerd zijn dat ik niet achter zal blijven als de grote Europese lidstaten bij de G20 hierover spreken.
Dat roept nog wel een andere vraag op die is gesteld over de G20, de vraag wie eigenlijk het woord voert. Ik vind dat de voorzitter van de Europese Raad als eerste zijn bijdrage zou moeten leveren. Ambtelijk ondersteunend zijn heeft ook te maken met de vraag met welke mond Europa spreekt. Dat is essentieel. Zullen anderen hun mond houden? Ik denk het niet. Het ligt ook niet in mijn aard, ik zeg het maar eerlijk.
De voorzitter:
Dank u wel. U vervolgt uw betoog.
Minister Balkenende:
Over de G20 kan ik kort zijn. Wij hebben al gesproken over de bankenbelasting en de transactiebelasting. Wij zullen in de G20 ook praten over het houdbaar maken van de overheidsfinanciën, over structurele maatregelen gericht op sterke en duurzame groei en de hervorming van regelgeving van de financiële sector. Men kent de brief. Ik kan daar nu kort over zijn.
Ik kom bij een aantal vragen die samenhangen met het werk van de werkgroep-Van Rompuy. De heer Ormel en de heer Schouw hebben erover gesproken en er zijn afzonderlijke vragen gesteld.
De heer Van Dam (PvdA):
De minister-president zegt over de G20: u kent de brief en ik kan er kort over zijn. In die brief stond niet zo heel veel. Dan begrijp ik dat de minister-president er kort over kan zijn. De discussie gaat in de kern onder andere over de verschillen in positie tussen bijvoorbeeld Obama en een aantal EU-landen. Ik heb de minister-president niet voor niets gevraagd om ook daarop in te gaan.
Minister Balkenende:
Dat is een goed punt, excuus. Wij zien op het ogenblik een discussie rondom het financieel beleid die erdoor wordt gekenmerkt dat er in Europa consensus bestond en bestaat dat je hebt te stimuleren op de kortere termijn en hebt te saneren op de langere termijn. Wij hebben gezegd dat je moet werken aan de exitstrategie: doe je dat niet, dan krijg je enorme problemen. Wij zitten met de spreads; u kent de discussie. Niet voor niets zijn er door de EU en het IMF harde eisen gesteld aan Griekenland en zijn Portugal en Spanje evenzeer genoodzaakt om tal van maatregelen aan te kondigen. Dat hangt met dit fenomeen samen.
Men ziet nu ineens in Europa dat sommige landen behoorlijke problemen hebben, maar dat bepaalde landen zoals Duitsland en Nederland een groot handelsoverschot hebben. Ik was wat minder gecharmeerd van de kritiek die daarover bestaat aan Amerikaanse zijde, want het handelsoverschot van landen zoals Duitsland en Nederland vormt de structuur van onze economie. Ik voel helemaal niet voor een soort geïsoleerd stimuleringsbeleid, als wij een financieringstekort van 6% hebben. Mind you! Ik voel er helemaal niets voor om dan nog te zeggen: wij gaan nog meer doen dan dat. Wij doen al geweldig veel. Ik begrijp wel dat je moet kijken hoe de economie kan functioneren. Maar dan zeg ik ook tegen de Amerikanen: kijk naar de tekorten in landen zoals Duitsland en Nederland, want daarmee wordt behoorlijk gestimuleerd; let op de structuur van de economie. Dat zou mijn antwoord zijn en dat zal ik ook naar voren brengen.
De heer Van Dam (PvdA):
Dus zolang de posities zo uiteen blijven lopen, is het voornemen om op de G20-top duidelijke afspraken te maken over begrotingsbeleid en over het bevorderen van economisch herstel waarschijnlijk onhaalbaar.
Minister Balkenende:
Ik heb begrepen -- ik moet even terughoudend zijn -- dat er contact is geweest tussen mevrouw Merkel en president Obama. Dat draagt ook weer bij aan het vinden van consensus. Het zal niet zo gemakkelijk zijn. Wij weten dat er verschillende posities zijn en dat er vooruitlopend op zo'n top de nodige onderlinge contacten plaatsvinden. Er zal deze week nog over worden gesproken. Uiteraard zal er verslag worden gedaan van de G20-top en dat zal u ook bereiken. Ik geef even aan wat mijn positie is en hoe de Nederlandse regering ertegen aankijkt. Ik heb dit punt trouwens ook al met mevrouw Merkel besproken.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van Dam (PvdA):
Ik begrijp de terughoudendheid van de minister-president. Ik neem aan dat hij niet uit de school kan klappen over alles wat hij in vertrouwelijkheid bespreekt met collega's. Maar als ik hem goed hoor, lijkt het erop dat er op de G20-top wordt gestreefd naar een soort compromistekst. Of wordt er gestreefd naar daadwerkelijke afspraken hoe de G20-landen gezamenlijk verder zullen werken aan het economisch herstel? Er is niet voor niets gewezen op het belang daarvan en ook van die gezamenlijke aanpak.
Minister Balkenende:
Ik stel het op prijs dat de heer Van Dam zich ervan bewust is dat ik hier niet moet speculeren over uitkomsten van informele contacten. Weet wel dat ik destijds met Stephen Harper, de premier van Canada, heb gesproken over de noodzaak om de zaak financieel op orde te krijgen. Ik hecht aan de consistentie in G20-verband, waar ook altijd is gesproken over stimuleren op de korte termijn, maar wel financieel saneren op de langere termijn. Dat is eerder naar voren gekomen. Ik vind dat wij die consistentie in acht moeten nemen. Dat kan ik er nu over zeggen en dat zal ik uiteraard ook namens Nederland inbrengen.
De voorzitter:
De heer Schouw van D66.
De heer Schouw (D66):
Misschien op het gevaar af dat ik het helemaal mis heb, maar dan heb ik dat tenminste even gezegd. Als betrekkelijke nieuwkomer hier vind ik dat de hele voorbereiding van zo'n G20-verhaal toch wat scharrig verloopt. Ik vind de agenda onduidelijk. De minister-president legt het accent op de verantwoording achteraf in plaats van sturing vooraf. Ik ben benieuwd hoe de minister-president daartegen aankijkt, natuurlijk met alle mitsen en maren van het diplomatieke verkeer. Willen wij zo'n internationaal overleg echt serieus behandelen in de Kamer, dan zou de minister-president kunnen bevorderen dat de G20-agenda duidelijker is, dat die hier op tijd ligt en dat wij die volwaardig kunnen bespreken.
Minister Balkenende:
Met alle respect, wij hebben nu de vierde G20-bijeenkomst met lastige onderwerpen. In het verleden hebben wij gesproken over de bonuscultuur in de bankwereld, over meer transparantie in de sector, over het sanctiemechanisme en de supervisie. Al die zaken zijn in het verleden in G20-verband aan de orde geweest. De bankenheffing ligt gewoon lastig. De premier van Canada denkt er bijvoorbeeld heel anders over dan de hoofdrolspelers hier. Tot nu toe worden zaken steeds ordentelijk voorbereid, maar een aantal zaken ligt gewoon moeilijk. Nederland is altijd een actieve speler geweest; wij brengen onze inbreng steeds met documenten naar voren. Daar gaan wij mee door. Als er op dit moment op een bepaald dossier minder helderheid te verkrijgen is, dan hangt dat samen met de weerbarstigheid van de onderwerpen. Op een aantal terreinen zijn wij het eens, maar op het punt van de heer Van Dam over de verhouding tussen stimuleren en saneren zijn er verschillen. Datzelfde geldt voor de visie op de bankenheffing. Dat kan een keer gebeuren. Het grote voordeel van de G20 is dat mondiaal wordt gesproken over zaken die op dat niveau besproken moeten worden. Dat is de grote winst. Obama had volkomen gelijk. Bij de crisis in de jaren dertig heeft het twaalf jaar geduurd voordat de landen eens bij elkaar kwamen. Nu gebeurt het binnen zes, zeven maanden. Ik weet dat wij er nog niet zijn, maar het is een groot voordeel dat er op deze manier over wordt gesproken.
De heer Schouw (D66):
De minister-president reageert alsof het een verwijt van mij aan zijn adres was. Dat is geenszins de bedoeling. Ik heb proberen aan te geven dat de G20-overleggen de komende paar jaar heel belangrijk worden en dat ik het op prijs zou stellen als de minister-president zou bevorderen dat het parlement er wat intensiever bij betrokken wordt. Dat kan bijvoorbeeld door te komen met duidelijke brieven en voorstellen, zodat wij die hier kunnen bespreken.
Minister Balkenende:
Bij alle G20-bijeenkomsten hebben wij de Kamer vooraf en na afloop geïnformeerd. Wij zullen daar uiteraard mee doorgaan. Ik zeg er iets bij. Het is opnieuw gelukt om er als Nederland bij te zijn, maar als de G20 straks definitief in plaats van de G8 komt, is er een probleem met onze participatie. Maar goed, die discussie zullen wij nog wel met elkaar voeren.
Ik kom op de werkgroep-Van Rompuy. Tijdens de lunch hebben wij met de heer Van Rompuy gesproken over de werkgroep die hij voorzit. Die werkgroep gaat over het verbeteren van het begrotingsbeleid en de economische coördinatie. Wat positief is, is dat er overeenstemming bestaat over een aantal concrete maatregelen om het Stabiliteits- en Groeipact te versterken. Er zal beter worden gekeken naar de staatsschuld en de houdbaarheid ervan. Er komen scherpere sancties. Deze maatregelen zullen in de Van Rompuygroep worden besproken. Ik benadruk dat landen zeggenschap over hun eigen begroting houden, maar overtreders van de Europese afspraken moeten wel kunnen worden aangepakt, omdat zij een risico vormen voor landen die zich wél aan de regels houden. Dit debat hebben wij vorige week in een goed algemeen overleg gevoerd. De soevereiniteit moet worden gewaarborgd, maar landen die zich niet willen houden aan de afspraken, moeten weten dat er sancties volgen. Je moet daarnaast voorkomen dat je tot die sancties komt. Daarom kun je beter van tevoren aangeven wat er moet gebeuren. Ik was het eens met de inbreng hierover van de heer Ten Broeke, de heer Ormel en anderen. Ik heb dit ook in de Europese Raad naar voren gebracht.
De heer Schouw sprak over "economic government" versus "economic governance". Het is een gevoelig punt. Tijdens de vorige Europese Raad kregen wij een discussie over de Franse woorden "gouvernement économique", die twee betekenissen hebben. Er is nadrukkelijk gekozen voor "economic governance" en niet voor "economic government". Er leven verschillende ideeën om te komen tot een economische regering of een reguliere topontmoeting van eurozoneregeringsleiders. Ik heb mij daartegen verzet. Het optuigen van eurozonetoppen kan tot een tweedeling in de Europese Unie leiden, de positie van de Europese Commissie verzwakken en de onafhankelijkheid van de ECB in gevaar brengen. Dit is steeds de mening van Nederland geweest: onafhankelijkheid ECB en respect voor de communautaire methode en de verantwoordelijkheidsverdeling krachtens het Verdrag van Lissabon. Dat zijn echt essentiële dingen waar je niet aan moet gaan tornen.
De heer Braakhuis vroeg naar de soevereiniteitsoverdracht inzake de economic governance. Ik zeg in alle duidelijkheid dat die discussie niet aan de orde en ook niet nodig is.
De inzet van Nederland in de werkgroep-Van Rompuy is in eerste instantie gericht op aanpassingen die mogelijk zijn op de korte termijn. De situatie is namelijk urgent. We hebben het dan vooral over maatregelen die we vrijwel direct kunnen realiseren. Er moeten maatregelen worden genomen binnen de kaders van het geldend verdrag, waarvoor legio mogelijkheden zijn. Dat uitgangspunt wordt breed aanvaard in de werkgroep-Van Rompuy. Ik weet dat van Franse zijde af en toe wordt gesproken over een economische regering. Er zijn zoals bekend ideeën geweest om de regeringsleiders van de eurolanden bij elkaar te brengen. Maar je moet wel enorm oppassen, want daarmee wordt de huidige structuur in de verhouding tussen Ecofin, Europgroep en Europese Commissie doorbroken. Het Verdrag van Lissabon, dat er niet voor niets is, biedt een goed kader om zaken aan te pakken. Je kunt ellenlange discussies hebben over een economische regering, maar veel wezenlijker is de vraag wat de principia en de te hanteren regels zijn. Ik heb namelijk niets aan een economische regering als wij een loopje zouden nemen met het Stabiliteits- en Groeipact. Ik heb niets aan een economische regering als wij de onafhankelijkheid van de ECB aan de orde zouden stellen. Daarover heb ik uitgebreid met de heer Juncker gesproken: het gaat om de inhoud, die leidend moet zijn. Dat relativeert de discussie over de structuur, want dat zijn vaak discussies om de discussie, en dat moet je vooral niet hebben.
De heer Braakhuis (GroenLinks):
Ik begrijp wat u zegt. Tegelijkertijd wilt u zelf ook graag vooraf kunnen toetsen of landen voldoen aan de gewenste begrotingsdiscipline. Daarmee moet er toch een stukje soevereiniteit naar Brussel. Of zie ik dat helemaal verkeerd?
Minister Balkenende:
Dat is vorige week in het AO daarover heel duidelijk besproken. Ik heb toen gezegd: het principe is dat er nationale soevereiniteit geldt voor begrotingen. Maar wanneer landen en er een potje van maken, niet bereid zijn om hervormingen door te voeren en te gemakkelijk omgaan met de eisen ten aanzien van het begrotingstekort, dan behoren ze niet alleen te maken te krijgen met sancties als het al te ver is gegaan, dan zijn ze gehouden om vooraf aan de Commissie aan te geven waarmee ze bezig zijn. Dat heeft te maken met bescherming van deze landen zelf, en verder wordt daarmee voorkomen dat andere landen daarvoor een prijs betalen.
De voorzitter:
De heer Braakhuis, tot slot.
De heer Braakhuis (GroenLinks):
Ik begrijp wat de minister-president zegt. Maar hij wacht eerst op een crisis, of op een land dat de regels schendt, voordat hij bereid is vooraf te gaan checken.
Minister Balkenende:
Nee, ik zeg net het volgende. Waarom horen landen bij de Commissie aan te geven waarmee ze bezig zijn? Om te voorkomen dat landen in situaties komen als die waarin Griekenland terecht is gekomen. We zeggen niet voor niets dat er meer werk moet worden gemaakt van transparantie, en dat Eurostat meer bevoegdheden moet krijgen. Wij willen nooit meer hebben dat landen een loopje nemen met de eisen van de statistiek. Dat is in Griekenland volledig misgelopen. Wat we ook niet willen, is dat landen noodzakelijke maatregelen voor zich uit schuiven. Ik geloof dat de heer Van Dam sprak over het pensioenstelsel. Dat is een zaak van de nationale autonomie. Maar wat gebeurt er met een land als Griekenland? Zoals bekend wordt de pensioenleeftijd daar in één klap enorm verhoogd. Dat is gewoon afgedwongen door de conditionaliteit, en dat is maar goed ook. Wij zijn hier in Nederland nu jaren bezig geweest om te hervormen, en de landen die die bereidheid niet hebben, zouden vervolgens wel de euro in gevaar kunnen brengen, of iets anders. Daarom is het zo noodzakelijk dat je zegt: die landen die zich gewoon houden aan de spelregels hebben ook niets te vrezen. Maar van die landen die zichzelf in een moeilijke positie brengen, mag je vooraf vragen om aan te geven waarmee ze bezig zijn, om te voorkomen dat je over moet gaan tot sancties. Dat is vorige week goed aan de orde gekomen in het AO.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Schouw wil interrumperen. Ik wil het wel toestaan, maar volgens mij moet ik hem een beetje gaan afremmen. Anders denkt hij dat het hier altijd feest is!
Minister Balkenende:
De heer Van Bommel heeft gevraagd of de regering de visie van de heer Van Rompuy deelt dat we met het Europese stabilisatiemechanisme drie jaar tijd hebben gewonnen om structurele maatregelen door te voeren. De optuiging van de Europese financiële stabilisatiefaciliteit was noodzakelijk om een urgente crisis in de staatsschulden van een aantal Europese landen af te wenden. In die zin is daarmee inderdaad tijd gekocht. Ik zou echter niet zeggen dat we drie jaar tijd hebben voor het gezond maken van de overheidsfinanciën en het doorvoeren van noodzakelijke structurele hervormingen van de Europese economie. Het is zaak om daarmee direct te beginnen. Dat is de belangrijkste boodschap van de Europese Raad geweest.
De heer Schouw stelde een vraag over de modellen van economic governance. Ik heb gezegd dat moet worden opgepast met allerlei bestuurlijke modellen. Afspraken moeten gewoon worden nagekomen, waarbij het gaat om content en het intensief monitoren van economische ontwikkelingen. Het Stabiliteits- en Groeipact moet worden versterkt. Betere preventie, scherpere sancties, meer aandacht voor schuld, een sterker automatisme in het toepassen van regels. Als het rapport van de werkgroep-Van Rompuy klaar is, zal dat hier uiteraard worden besproken.
Dan het rapport van de groep-González. Deze groep is in het leven geroepen om stil te staan bij het perspectief van Europa. De regering komt in het najaar met een reactie op de motie-Pechtold. Daarin zal worden vervlochten de regeringsreactie op het rapport van de groep-González. Dat nemen wij mee in een breder verhaal. Voor zover bekend zijn de uitkomsten van het rapport-González meegenomen in de voorbereiding van de 20/20-strategie, die tot doel heeft Europese concurrentie te versterken. Daarnaast zullen de aanbevelingen worden meegenomen in de taskforce van de heer Van Rompuy en de voorstellen van de Commissie voor het versterken van de interne markt.
De heer Van Dam heeft een vraag gesteld over naked short selling. Hij vroeg hoe uitvoering wordt gegeven aan de Kamermotie op dit punt. De regering heeft naar aanleiding van de motie steeds gezegd dat zij de mogelijkheden tot een verbod zal onderzoeken. Minister De Jager heeft echter ook gewezen op de complexiteit en het feit dat naked short selling ook wordt gebruikt door bonafide instellingen als verzekeraars, pensioenfondsen en dergelijke om de financiële risico's af te dekken. Wij moeten hier dus behoedzaam mee omgaan en puur speculatief gebruik en andere gebruik niet op één hoop gooien. Het is goed dat de Commissie dit onderzoekt, want ik heb een voorkeur voor een Europese oplossing. Ik ben dus niet tegen maatregelen, maar ik heb wel gezegd -- ook in het debat van vorige week -- dat je uit moet kijken dat landen afzonderlijke maatregelen nemen. Dat was ook mijn punt van discussie met Duitsland.
De heer Van Dam (PvdA):
In het verslag staat: minister-president Balkenende gaf aan dat hij geen voorstander is van een algeheel verbod op naked short selling. Ik moet daaruit dus lezen dat hij heeft aangegeven dat hij een verbod op naked short selling wel bespreekbaar vindt.
Minister Balkenende:
Misschien is de bewoording niet helemaal goed. Dat geef ik graag toe. Ik heb beoogd te zeggen dat je uit moet kijken met de instrumenten die je puur nationaal inzet, gegeven de internationale context. Verder moet je goed kijken wat de functie is van dergelijke activiteiten. Dat is de achtergrond. Ik ben blij dat ik dat hier heb kunnen aangeven.
De heer Van Dam (PvdA):
Dat is ook bij de Europese collega's duidelijk? Die hebben nu niet de indruk dat Nederland tegen een verbod van naked short selling is?
Minister Balkenende:
Nee. Wij zijn wel tegen het nemen van geïsoleerde maatregelen. Dat heb ik in het AO ook al gezegd.
De heer Van Dam heeft verder gevraagd wat de Nederlandse positie is ten aanzien van de Chinese wisselkoers. Nederland is van mening dat flexibele wisselkoersen behulpzaam zijn bij het reduceren van wereldwijde onevenwichtigheden in de economie. Uiteraard geldt dat ook voor de Chinese wisselkoers. In dat verband zijn de recente stappen van China bemoedigend. De Chinese centrale bank heeft na haar aankondiging van verleden week daadwerkelijk de speelruimte van de munteenheid ten opzichte van de dollar vergroot. Dit zijn kleine, maar positieve stapjes. De Chinese munt is sindsdien ook echt geapprecieerd. Dat is een voordeel.
Dit wat betreft een aantal financieel-economische ontwikkelingen. Ik zal nu ingaan op enkele opmerkingen over de millenniumontwikkelingsdoelen en klimaatverandering. Daarna zal ik ingaan op IJsland en de resterende vragen beantwoorden.
Voorzitter: Dijsselbloem
Minister Balkenende:
Ik schakel nu over op "mijnheer de voorzitter". Ik zal eerst kort ingaan op de millenniumontwikkelingsdoelen. Ik ben tevreden over de stevige inzet die de Unie heeft voor de MDG-top in New York in september. De Europese Raad heeft het duidelijke politieke signaal afgegeven dat de Europese Unie ook in tijden van crisis vasthoudt aan het streven om uiterlijk in 2015 ten minste 0,7% bnp voor officiële hulp te realiseren. Dat is een belangrijk signaal voor ontwikkelingslanden, maar ook voor rijke landen die hun belofte nog niet zijn nagekomen. Het is ook gelukt om in de Europese Raad af te spreken dat landen elk jaar zullen rapporteren hoe het er op dit punt voorstaat. Daarmee houdt men druk op die landen die bij lange na nog niet hun belofte omtrent die 0,7% nakomen.
Over klimaatverandering is slechts kort gesproken tijdens de Europese Raad omdat wij daar in oktober ter voorbereiding van Cancún uitgebreider over zullen spreken. De commissie zal ter voorbereiding daarvan aan de slag gaan met het verder analyseren van een mogelijke transitie van 20-30% emissiereductie en zal dan met name kijken wat de gevolgen zullen zijn op lidstaat- en sectoraal niveau.
De heer Van Bommel (SP):
Is de minister-president klaar met het beantwoorden van de vragen over de millenniumdoelstellingen? Ik heb namelijk nog een concrete vraag gesteld over de armoedebestrijding in Afrika.
Minister Balkenende:
Kunt u die vraag nog even herhalen? Dit was namelijk wat ik wilde zeggen.
De heer Van Bommel (SP):
Er is gezegd dat de bijdrage voor die armoedebestrijding in Afrika verdubbeld zou worden. Dat blijkt nu echter volkomen achter te blijven. Het komt in de G20 aan de orde. Gastland Canada heeft gezegd dat er geen nieuwe afspraken zullen worden gemaakt, maar dat het accent moet liggen op het nakomen van de afspraken die zijn gemaakt. Dat betekent dus dat een aantal Europese landen daarop aangesproken moet worden. Deelt Nederland die visie?
Minister Balkenende:
Ja. Bij elke top van de G20 heb ik naar voren gebracht dat het niet alleen gaat om de financieel-economische crisis, maar ook om de andere dingen, zoals WTO, klimaat en de MDG's, de ontwikkelingsdoelen. Het is een punt van grote zorg dat landen niet voldoen aan datgene wat eerder is toegezegd. Ik zal daar opnieuw op wijzen.
Er zijn veel vragen gesteld over IJsland, ook vorige week al. De Europese Raad heeft het besluit genomen om de toetredingsonderhandelingen met IJsland te openen. IJsland is op veel punten een gelijkgezinde partner, maar de snelheid van de onderhandelingen hangt af van de snelheid waarmee IJsland aan alle voorwaarden voldoet. De Europese Raad is helder in zijn conclusie dat IJsland, net als alle andere kandidaat-lidstaten, aan de toetredingscriteria moet voldoen. Dat zijn om te beginnen de verplichtingen die IJsland is aangegaan in het kader van de Europese Economische Ruimte. Het naleven van de richtlijn inzake het depositogarantiestelsel is onderdeel van die verplichtingen. IJsland is Nederland 1,3 mld. schuldig. De Europese Raad verwijst ook glashelder naar het oordeel van het ESA op 26 mei dat IJsland in strijd met het Europees depositogarantiestelsel heeft gehandeld. Met deze twee voorwaarden hebben wij een stevige stok achter de deur om IJsland aan zijn verplichtingen te houden. We hebben nu de volledige Europese Raad en de Commissie achter ons. Dat is van grote waarde.
Daarnaast heb ik, conform mijn toezegging aan de Kamer, in de Europese Raad gezegd dat wij de onderhandelingen over Hoofdstuk 9, de financiële diensten, niet zullen afsluiten als IJsland niet aan de verplichtingen heeft voldaan. Dat werd goed begrepen door de overige regeringsleiders. De druk op IJsland om te komen tot een leenovereenkomst met Nederland en het Verenigd Koninkrijk neemt hiermee verder toe. Ik heb ook een bilateraal gesprek gehad met David Cameron, de nieuwe premier van het Verenigd Koninkrijk. Daarbij hebben wij tegen elkaar gezegd dat wij op dit onderdeel steeds samen zullen optrekken. In de Europese Raad is dus glashelder gemarkeerd dat Nederland zegt dat de onderhandelingen over Hoofdstuk 9 niet worden afgesloten als de regeling niet is vastgesteld. Ik denk dat dit niet duidelijker gezegd kan worden.
In het verlengde hiervan heeft de heer De Roon gezegd dat Nederland en het Verenigd Koninkrijk vooraan stonden om IJsland te hulp te schieten en dat de Commissie dit ziet als een bilaterale kwestie. Dit ligt echt anders. De Nederlandsche Bank heeft gedupeerde spaarders in Nederland gecompenseerd. Dat geld moet IJsland terugbetalen. Dat is de inzet van een overeenkomst. De Europese Commissie heeft zich juist achter Nederland en het Verenigd Koninkrijk geschaard met een brief aan IJsland waarin de uitspraak van het ESA volledig wordt onderschreven.
De heer Van Dam heeft iets gezegd over de walvisjacht. Dat vraagstuk zal worden meegenomen in de toetredingsonderhandelingen. Als IJsland lid wil worden, zal dat land aan het acquis moeten voldoen. Dat geldt dus ook voor een verbod op de walvisjacht. Dat weet IJsland ook.
De heer Braakhuis heeft gerefereerd aan het thema "olieboringen". Dat thema is ook vorige week aan de orde gesteld door GroenLinks. Ik heb overigens niet gezegd dat dit geagendeerd zou worden in de Europese Raad. Ik heb gezegd dat ik dit in bilaterale contacten aan de orde zou stellen en dat heb ik gedaan. Ik heb hierover gesproken met Commissievoorzitter Barroso. De Europese Commissie heeft bevestigd dat zij onderzoek doet naar preventiemaatregelen die oliemaatschappijen hanteren. Daarnaast loopt een evaluatie van de geldende Europese regels. Op basis van die uitkomsten zal Commissaris Oettinger van Energie de komende maanden laten weten of er aanleiding is voor aanvullende regels. Ik heb dus tegen Barroso gesproken over de zorgen die vanuit de Kamer naar voren zijn gekomen. De Europese Commissie heeft contacten met oliemaatschappijen, is met onderzoek bezig en zal hierover later in het jaar rapporteren. Daarmee heb ik recht gedaan aan de inbreng van GroenLinks.
De heer Ormel heeft een vraag gesteld over de verdragswijziging inzake de aanpassing van het aantal leden van het Europees Parlement. In de Intergouvernementele Conferentie die zich heeft gebogen over de wijziging van Protocol 36 bij het verdrag, waarin deze kwestie wordt geregeld, is gisteren een akkoord bereikt. De ministerraad zal zich binnenkort over het voorstel tot ratificatie buigen, waarna dit voorstel naar de Kamer zal worden gestuurd.
Dit waren de punten die ik wilde bespreken in eerste termijn. Ik heb de woorden van dank van verschillende sprekers zeer op prijs gesteld. Dat geldt voor de heer Ten Broeke, de heer Ormel, de heer Dijkgraaf en anderen. De heer Van Dam heeft zijn oordeel nog even opgezout en heeft mij succes gewenst bij de G20. Het verschil was significant, maar ik heb aan beide typen opmerkingen genoeg om in ieder geval de komende tijd nog met plezier door te gaan. Ik heb deze opmerkingen zeer op prijs gesteld. Dank u zeer.
Minister Verhagen:
: Mijnheer de voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer voor de aan mij gestelde vragen. In aanvulling op hetgeen de minister-president naar voren heeft gebracht, zal ik met name ingaan op de vragen over Iran, Servië en SWIFT. De heren Van Bommel, Van Dam, Ormel en Dijkgraaf hebben allemaal over Iran gesproken.
Zij vroegen welke bedoeling de Europese Unie nu precies heeft met het sanctieregime. Allereerst sluiten de door de Europese Unie voorziene maatregelen in ieder geval nauw aan bij zaken die in de Veiligheidsraadresolutie genoemd worden. Specifiek in antwoord op de vragen van de heer Dijkgraaf deel ik mee dat er met name gekeken wordt naar verdere bevriezing van tegoeden en naar verboden op visumverlening in het bijzonder aan leden van de islamitische revolutionaire garde. Dat is zeer nadrukkelijk aan de orde in aanvulling op hetgeen in de motie-Van der Staaij gevraagd is. Het gaat per sector meer in het bijzonder om de beperking van de uitvoer van zogenaamde dual use-goederen en handelsverzekeringen. Het gaat bovendien om het bevriezen van de tegoeden van Iraanse banken en om beperkingen op bankverrichtingen en verzekeringen van financiële instellingen die nauw gelieerd zijn aan de revolutionaire garde en het regime.
Nederland voert zelf al aanvullende controle uit en nu wordt er specifiek gekeken naar maatregelen tegen de Islamic Republic of Iran Shipping Lines, evenals tegen dochterondernemingen en de luchtvaartondernemingen van de IRISL. Daarnaast zijn de sleutelsectoren uiteraard de aardgas- en aardolie-industrie. In dit verband bestaat er een verbod op nieuwe investeringen, technische bijstand, overdracht van technologie en uitrusting evenals op diensten op het vlak van raffinage, vloeibaarmaking en LNG-technologie. Hierover is een aantal specifiekere vragen gesteld.
De heer Ormel vroeg waarom de implementatie van de sancties van de Veiligheidsraadresolutie zo lang duurt. De inkt van de resolutie van de Veiligheidsraad is nog nauwelijks droog. Zeer snel daarna is er in de Raad van de Ministers van Buitenlandse Zaken daarover gesproken. Bovendien heeft de Europese Raad nu het besluit genomen, de ministers van Buitenlandse Zaken opdracht te geven om dit verder uit te werken. Het gaat hierbij enerzijds om de implementatie van de Veiligheidsraadresolutie en anderzijds om de aanvullende maatregelen in lijn hiermee. Men kan zich wellicht voorstellen dat de belangen niet geheel parallel lopen. Het ene land zal anders geraakt worden of nadelen ondervinden van sancties dan het andere land. Niet iedereen heeft dus bij voorbaat dezelfde opvatting als Nederland. Daarom hebben de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie in de afgelopen periode bekeken welk pakket aan maatregelen zij gezamenlijk kunnen treffen. Juist vóór aanname van de Veiligheidsraadresolutie -- waaraan wij uiteraard ook middels onze contacten met bijvoorbeeld Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bilateraal hebben bijgedragen -- heeft een verkennend overleg plaatsgevonden. Het is dus juist de bedoeling om op basis van de tekst van de Veiligheidsraadresolutie tot een effectief, zorgvuldig en breed gedragen pakket te komen. Het heeft namelijk geen zin om met een minder effectief pakket genoegen te nemen, alleen omdat je daarmee eerder overeenstemming kunt bewerkstelligen. Een deel van de maatregelen van de Veiligheidsraad kan zonder aanvullend Raadsbesluit geïmplementeerd worden, omdat die maatregelen directe werking hebben. Dit betreft met name de listings van personen. Deze maatregelen zijn door de Europese Unie genomen. Hieruit blijkt ook dat de EU zo snel mogelijk werkt.
Terecht werd er ook gevraagd of er over de schrijnende situatie met betrekking tot mensenrechten in Iran is gesproken. Die is tijdens de Europese Raad niet als zodanig aan de orde gekomen. Bij de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken in Luxemburg op de maandag voorafgaande aan de Europese Raad is echter wel uitgebreid daarover gesproken. De mensenrechtensituatie in Iran behoudt terecht de volle aandacht van de Europese Unie. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, mevrouw Ashton, heeft recent een heel stevige verklaring uitgegeven. Zij deed dit naar aanleiding van het feit dat een jaar geleden verkiezingen hebben plaatsgevonden met bloedige onderdrukking van demonstraties nadien. Zij riep Iran namens de hele Europese Unie onder andere op om de vrijheid van meningsuiting te respecteren en eerlijke procesgangen te garanderen. Bovendien heeft zij namens ons allen de doodstraf veroordeeld en aangekondigd dat de Europese Unie zich zal blijven uitspreken tegen mensenrechtenschendingen.
De heer Van Bommel weet dat wij in het kader van aanvullende maatregelen en sancties spreken met Frankrijk. Wij hebben gezamenlijk een initiatief genomen om de vrijheid van meningsuiting te bekijken in relatie tot de bescherming van de toegang tot internet. Wij willen maatregelen treffen voor een gedragscode en voor een exportverbod voor software en andere technologie die het regime in staat stelt om de toegang tot het vrije internet en het vrije woord te beknotten.
De heer Van Bommel stelt, in lijn met wat de Nederlandse regering eerder heeft gezegd, dat wij degenen moeten raken die geraakt moeten worden en dus niet degenen die al te lijden hebben onder een regime waarvoor zij niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden. Dat is de andere kant van het verhaal. In de komende weken wordt besproken welke sancties de Europese Unie in aanvulling op de maatregelen van de Veiligheidsraad zal nemen. Daarover wordt een besluit genomen in de Raad Buitenlandse Zaken van 26 juli aanstaande. De Europese Unie beziet nu welke maatregelen in met name de olie- en gassector genomen moeten worden. Ik heb de Kamer al geschetst aan welke sectoren wij denken. De regering blijft zich, met de Kamer, sterk maken dat er maatregelen genomen worden die zich tegen het regime richten en zo min mogelijk de bevolking treffen.
In het licht hiervan zijn wij geen voorstander van een verbod op energielevering als zodanig in haar totaliteit of op zogenaamde downstream-activiteiten. Andere landen zijn dat wel. Nederland is dat niet omdat een verbod de bevolking rechtstreeks raakt. Er kan echter niet uitgesloten worden dat er negatieve effecten zijn voor de bevolking. Daar wil ik open over zijn. Wel kan ervoor gezorgd worden dat die effecten zo klein mogelijk zijn. Dat is ook de bedoeling.
Met name bij dual use-goederen, waarvoor handelsbeperkende maatregelen getroffen zullen worden, zal het civiele eindgebruik van bepaalde producten goed bekeken worden. Wij moeten daarbij zeer nadrukkelijk voor ogen houden dat het afzien van additionele maatregelen op dit moment het onderdrukkende regime alleen maar in de kaart speelt en het nucleaire programma alleen maar zal versnellen. Dat is ons standpunt.
De heer Van Dam wijst erop dat de minister-president eerder een brief heeft toegezegd. Dat is inderdaad het geval. De gedachte was om die brief te sturen op een moment dat in de tijd bezien vrij dicht bij het moment ligt dat de Raad Buitenlandse Zaken bijeenkomt. Daar worden immers de besluiten genomen. Dan moet ook duidelijk zijn welk type maatregelen genomen moet worden. Ik kan de Kamer nu niet meer vertellen dan ik zo-even heb gezegd en wat in de besluiten van de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken staat. De heer Van Dam wil die brief binnen een werkdag hebben, vanwege het reces van de Kamer. Als het echt urgent is, heeft de Kamer altijd de gelegenheid om zich uit te spreken, ook als het reces is. Ik neem aan dat de heer Van Dam geen twee maanden ophoudt met zich druk te maken over de situatie in de wereld! Als hij insisteert, kan hij uiteraard een brief krijgen. Die is ook toegezegd. Als de heer Van Dam morgen een brief wil hebben, dan krijgt hij die. Het lijkt mij op zich beter om een en ander te behandelen in een algemeen overleg of in een schriftelijk overleg vóór de Raad Buitenlandse Zaken van 26 juli. Wij kunnen dan meer over de inhoud zeggen. Dan is ook op basis van het nader ambtelijk overleg voorafgaande in Brussel meer specifiek te duiden waarop wij ons richten. Anders krijgt de heer Van Dam het lijstje zoals ik net heb voorgelezen.
De heer Van Dam (PvdA):
Het gaat nog niet echt van harte. Misschien dat ik er iets aan kan doen. Volgens mij leeft er een misverstand bij de minister over het type brief dat de Kamer wenst. Het gaat niet zozeer over een brief over de precieze maatregelen die genomen worden, maar veeleer over de vraag wat het effect is op andere mondiale spelers als de EU met aanvullende sancties komt. Er is immers net moeizaam eenheid bereikt binnen de Veiligheidsraad.
Dat was de brief waarom wij tijdens het algemeen overleg hebben gevraagd opdat wij daarover een debat kunnen voeren. Dat debat kunnen wij volgens mij nu al met elkaar voeren.
Minister Verhagen:
Dat kunnen wij nu zelfs voeren. Dit is een van de redenen waarom wij zeer nadrukkelijk hebben gezegd dat de maatregelen van de Europese Unie aanvullend moeten zijn op de resolutie van de Veiligheidsraad. Ze mogen het effect van die resolutie uiteraard niet ondergraven. Die toezegging kan ik bij dezen doen omdat wij er met het oog op de effectiviteit van sancties natuurlijk alle belang bij hebben dat ze zo breed mogelijk worden gedragen. Dat is ook de reden waarom wij zeggen dat de maatregelen die wij voorstellen in lijn moeten zijn met en aanvullend op ... en voor een deel de implementatie moeten omvatten van de sancties die zijn voorzien in de resolutie van de Veiligheidsraad.
Mede met het oog op de effectiviteit kost het de nodige tijd om tot overeenstemming te komen. De maatregelen mogen de resolutie van de Veiligheidsraad niet ondergraven of andere landen ertoe brengen hun steun daaraan te onttrekken, maar anderzijds moeten ze een zo groot mogelijk effect hebben. Dit betekent dat je niet iets voor de bühne doet -- u kent mij en weet dat ik daar überhaupt niet zo van houd -- maar dat je naar de effectiviteit moet kijken. De heer Teeven weet dat als geen ander. Daarnaast moet ook worden nagegaan of je gezamenlijk, bijvoorbeeld met de Verenigde Staten, Japan of andere gelijkgezinde landen, een totaalpakket kunt maken waardoor dit alles nog effectiever wordt. Ik ben het echter volledig met de heer Van Dam eens dat het haaks zou staan op de bedoeling, namelijk een gedragsbeïnvloeding in Iran, als wij daarmee het draagvlak voor de resolutie van de Veiligheidsraad of het effect daarvan zouden ondergraven.
De heer Van Dam (PvdA):
Er is nog een tweede vraag, namelijk wat het effect zal zijn van een eigen agenda van de EU, eventueel samen met de VS en Japan, op die twee ontzettend belangrijke spelers in de Veiligheidsraad, Rusland en China. Hoe zullen die dit appreciëren? Wat zal dit betekenen voor toekomstige ontwikkelingen waarbij beide landen keihard nodig zijn om de eenheid in de Veiligheidsraad te bewaren?
Minister Verhagen:
Het zal niet ten koste gaan van de steun aan de resolutie van de Veiligheidsraad die Rusland en China hebben uitgesproken. Dat moge evident zijn om de doodeenvoudige reden dat wij anders in onze eigen voet zouden schieten.
Het tweede element waarop wij moeten letten -- daarom wil ik ook nauw overleg met de Verenigde Staten -- is dat wij ons altijd hebben verzet tegen de exterritoriale werking van een "Alleingang" van bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Ook daar geldt dat wij willen bereiken dat er een level playing field blijft voor het bedrijfsleven. Het mag niet voorkomen dat bedrijven of landen met bedrijven die investeringen kunnen hebben in de Verenigde Staten, worden gedwongen extra maatregelen te nemen vanwege de exterritoriale werking van afzonderlijke VS-wetgeving, terwijl andere lidstaten van de Europese Unie daar niet toe hoeven over te gaan. Ook op dit punt geldt dat enerzijds het effect, dat wil zeggen druk op Iran, en anderzijds een level playing field en draagvlak voor de resolutie van de Veiligheidsraad in het oog moeten worden gehouden. Zoiets zou ook in de brief staan die ik morgen aan de Kamer zou sturen als zij dat nog steeds wenst.
Ik meen dat de heer Braakhuis zei dat hij een motie zal indienen over Servië. Ik weet niet hoe de Kamer in het kader van de vernieuwing tegenwoordig met moties omgaat, maar normaal gesproken krijgt de regering de gelegenheid om met argumenten de indiener eventueel te overtuigen om af te zien van het indienen van een motie. Ik weet echter niet wat de heer Braakhuis zou zeggen over Servië. Ik zal daar niet op vooruitlopen door in te gaan op hetgeen ik in het verleden over Servië heb gewisseld met GroenLinks, laat staan dat ik nu al reageer op de inbreng van het voormalige lid van het Europees Parlement, Joost Lagendijk, die mij in kranten kapittelde omdat ik Servië nog niet omarm. Ik hoop dat ook in tweede termijn enige consistentie in de gedachtegang van GroenLinks zal blijken.
Nu de vriendelijke opmerkingen van de heer Ten Broeke, die mijn handelingen omtrent Servië omschreef als "een vluggertje". Nu weet ik niet wat hij daaronder verstaat, maar ik wil hem het volgende zeggen. Op 7 december vorig jaar, dus enige tijd geleden, kondigde ik in de Kamer duidelijk aan dat de beslissing over het starten van een ratificatieprocedure -- de heer Ten Broeke weet als geen ander dat het parlement daarover gaat, via de aanbieding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst aan het parlement -- in juni zou volgen, indien de heer Brammertz, de procureur-generaal van het Joegoslaviëtribunaal, in de bevindingen van zijn rapport op eenzelfde wijze zou oordelen over een samenwerking met de Servische autoriteiten als in december vorig jaar. In de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken van 14 juni jongstleden heb ik bevestigd dat ik, consistent en consequent, dezelfde opstelling als in december zou hanteren: als er dus een soortgelijke beoordeling van Brammertz zou zijn als in december vorig jaar, ging ik dat dus doen. In het schriftelijk overleg naar aanleiding van vragen, ongetwijfeld ook van de heer Ten Broeke, heb ik aangekondigd dat ik me daaraan zou houden. Met andere woorden: december en juni, dus twee keer; en geen "vluggertje" dus, maar consistent en consequent en helder, waarover ik de Kamer ook volledig heb geïnformeerd. Voor de Kamer mag dit dus geen verrassing zijn.
Maar het gaat toch om de inhoud. De kern blijft dat Brammertz,als procureur-generaal verbonden aan het Joegoslaviëtribunaal, van opvatting is en dat ook in zijn rapportage, zowel bij de bijeenkomst in Luxemburg aan de minister van Buitenlandse Zaken als elders, duidelijk heeft gemaakt, dat hij de samenwerking van de Servische autoriteiten met het Joegoslaviëtribunaal positief waardeert, dus dat hij van mening is dat die positief is. Uiteraard vind ik, met hem, dat de inspanning altijd kan worden verhoogd, om de doodeenvoudige reden dat er nog steeds twee voortvluchtigen zijn, die wij hier in Den Haag in het tribunaal willen hebben, om zich te verantwoorden voor misdaden die zij schijnen te hebben gepleegd. Hij heeft voor de verdere verhoging van die inspanningen aanbevelingen gedaan. Wij willen dat Servië die aanbevelingen opvolgt, om de effectiviteit van die inspanningen en samenwerking te vergroten. Daarbij past enerzijds waardering voor die positieve samenwerking met het Joegoslaviëtribunaal en het continueren daarvan, anderzijds voldoende druk om zeker te stellen dat die samenwerking ook in de toekomst effect heeft. Dat is de reden waarom ik, conform hetgeen ik in december heb gezegd, de stap zet naar ratificatie, althans het ter ratificatie aanbieden van de stabilisatie- en associatieovereenkomst aan het parlement, een en ander om de doodeenvoudige reden dat ik mijn beloftes uit december wil nakomen.
Ik heb wel moeite met zijn vraag of de instemming met het starten van de ratificatieprocedure in de verschillende parlementen in de Europese Unie, een voordeeltje opleverde in de begrotingsraad. Het is bekend dat ik -- als ik daartoe de gelegenheid krijg en dat is niet altijd het geval -- houd van onderhandelen. En in Brussel verbind ik met plezier allerlei dossiers, als daarmee de Nederlandse belangen zijn gediend, maar er zijn grenzen. Ik denk dat ik als geen ander in de Europese Unie duidelijk heb gemaakt dat ik vind dat Mladic hier in Den Haag voor het tribunaal hoort te staan.
Ik heb als geen ander de voortgang met Servië geblokkeerd, gebaseerd op mijn overtuiging dat recht gedaan moet worden aan de slachtoffers van de massaslachting in Srebrenica. Wij zijn verplicht om alles te doen wat in ons vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken van die slachting voor de rechter komen. Mladic moet dus terechtstaan! Ik denk ook dat wij daarover totaal niet van mening verschillen.
Maar als het gaat over het volgende, is het anders. Weet je wat, je krijgt even een paar miljoen in de Begrotingsraad in je zak, als je nu maar je verzet opgeeft. Daar pas ik voor! Om Servië tot samenwerking te bewegen, heb ik alles gedaan wat ik kon om meer medewerking daarvoor te verkrijgen. Dat heeft succes gehad, want zonder die druk had Servië niet gedaan wat het nu doet en zat Karadzic nu niet in Scheveningen. Om dan echter überhaupt de gedachte te hebben "om door maar even af te zien van Mladic een voordeeltje in de Begrotingsraad te krijgen", nee, dat vind ik met u niet alleen onwenselijk, maar ook ongepast. Dus: nee, wij hebben niet op deze wijze een voordeeltje in de Begrotingsraad gerealiseerd.
De heer Ten Broeke (VVD):
Ik heb niet de voorwaarde verzonnen van "Mladic on the plane" voor het toezenden van de SAO. Dat heeft deze minister verzonnen; vervolgens heeft hij het losgelaten. Ik heb niet verzonnen dat er volledige compliance moest zijn; dat heeft deze minister bij herhaling gezegd. Dat was ook de strekking van ons debat in december. Dat zegt Brammertz nog steeds niet. Wij mochten in de geannoteerde agenda vernemen dat de minister er wel degelijk mee had ingestemd, toen wij dat rapport nog niet eens kenden. Terecht heb niet alleen ik namens mijn fractie, maar hebben ook andere fracties hier aangegeven dat Brammertz nog helemaal niet zo ver was. Misschien was ter zake van oude gevallen een verbetering te zien, maar over nieuwe gevallen wordt nog steeds gesproken. Met andere woorden: het is maar zeer de vraag of wij nu wel zo veel vooruitgang geboekt hebben. Die vraag kunnen wij niet meer beantwoorden, want de minister heeft de kluis al open gemaakt. Nu stuurt hij dit akkoord ter ratificatie door. Het is dus aan de parlementen om daarover vervolgens hun oordeel te geven.
Minister Verhagen:
Ik ben het van a tot z volstrekt oneens met de heer Ten Broeke. Ik vind het ook werkelijk stuitend. Wat hier door mij gezegd is, is dat ik vind dat Servië volledig moet samenwerken met het Joegoslavië Tribunaal. Ik heb in december het volgende gezegd naar aanleiding van de opmerking van Brammertz dat sprake is van volledige samenwerking. Ik ga akkoord. Dat is gedeeld door de meerderheid van de Kamer. Daarmee kunt u het oneens zijn, maar de meerderheid van de Kamer heeft mij wel gesteund, toen ik zei: op basis daarvan kan de interim-overeenkomst in werking treden.
Ook heb ik in december gezegd en in juni herhaald dat ik, indien Brammertz in juni tot hetzelfde oordeel zou komen, de stap zou zetten om de Stabilisatie- en Associatie-Overeenkomst (SAO) met Servië ter ratificatie aan het parlement voor te leggen. Brammertz zei hetzelfde als in december. Als u het niet gelooft, stuur ik u morgen het rapport van de heer Brammertz.
Als u voorts van mening bent dat u meer recht doet aan de slachtoffers van Srebrenica en meer kans van slagen hebt om Mladic hier voor het gerecht te krijgen door de Stabilisatie- en Associatie-Overeenkomst tegen te houden, gebruike u uw recht als parlementariër om niet in te stemmen met ratificatie.
De heer Ten Broeke (VVD):
De rechten die wij als parlementariër hebben, staan vandaag ter discussie, niet alleen als het over dit onderwerp gaat, maar ook over het onderwerp dat mijn collega straks ter sprake brengt. Daar komen wij dus vol voor op. Het is ook geen kwestie van ver plassen in verband met de vraag wie zich hier het meest heeft ingespannen om Mladic en/of Karadzic naar het Haagse tribunaal te krijgen. Daar gaat het niet om. Het gaat er wel om dat er verwachtingen gewekt zijn. U hebt wel degelijk aangegeven dat sprake zou moeten zijn van volledige medewerking. Dat heeft Brammertz niet vastgesteld. Het was mevrouw Peters die verleden week heel terecht opmerkte dat dit nu wederom niet het geval was. Het is jammer dat de fractie van GroenLinks dat in december niet heeft opgemerkt. Wij zeiden dat wel; wij zijn dus consistent, u ietsje minder. Ik snap echter dat het is gebeurd. Nu kunnen wij daar alleen nog maar kennis van nemen.
Maar ik zou heel blij zijn als u mij dat rapport toestuurt, want dat was u even vergeten bij de geannoteerde agenda. Toen mochten wij alleen maar vernemen wat Brammert tegen u had gezegd. Dat rapport kenden wij toen nog niet.
Minister Verhagen:
Ik was helemaal niets vergeten.
De voorzitter:
Het rapport is inmiddels aan de Kamer gestuurd, is mij gemeld.
Minister Verhagen:
Ik kan niet een rapport aan de Kamer sturen voordat dat is uitgebracht, maar dat zult u misschien ook vergeten zijn. Dat zult u in de toekomst nog wel eens leren.
Ik denk dat wij genoeg hebben gezegd over Servië. Ik kom nu bij de overeenkomst van Swift. Ook daarvoor geldt dat de Nederlandse regering van mening is dat de overeenkomst die is gesloten tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten recht doet aan hetgeen eerder door onder andere Nederland als wensen naar voren is gebracht. Wij verwelkomen die nieuwe overeenkomst, om de doodeenvoudige reden dat die op belangrijke punten tegemoetkomt aan onze wensen en aan de wensen die ook eerder door het Europees Parlement zijn geuit. Anders dan in de overeenkomst die in februari door het Europees Parlement was verworpen, voorziet de overeenkomst niet meer in toepassing van bilaterale rechtshulpovereenkomsten als mechanisme voor informatieoverdracht. In plaats daarvan voorziet deze overeenkomst nu in een centrale rol voor Europol. Europol zal dus verzoeken verifiëren die door de Amerikanen worden uitgevaardigd. Die overeenkomst voorziet nu bovendien in de aanwijzing van onafhankelijke toezichthouders, onder andere iemand die is aangewezen door de Europese Commissie. Ook dat was een wens van Nederland en van het Europees Parlement.
Ten slotte bevat de ontwerpovereenkomst ook betere waarborgen op het gebied van dataprotectie en individuele rechtsbescherming, beter dan de vorige overeenkomst.
Tegelijkertijd hebben wij ook hier steeds in het parlement met elkaar de noodzaak gewisseld dat er, juist om effectief stappen te kunnen zetten voor de bestrijding van terrorisme en de financiering daarvan, ook hier nauw moet worden samengewerkt met de Verenigde Staten. Dat is ook de reden waarom Nederland voorstander was van een nieuw akkoord op korte termijn. Tegelijkertijd mocht dat natuurlijk ook weer niet ten koste gaan van de vereiste zorgvuldigheid en de terechte wensen en zorgen van veel lidstaten en van het Europees Parlement.
Ik vind dat het bereikte akkoord in voldoende mate daaraan is tegemoetgekomen. Ik hoop dat ook het Europees Parlement die verbeteringen ziet. Over het onderhandelingsmandaat met betrekking tot de Nederlandse inzet heeft de Kamer informatie gekregen voorafgaande aan de JBZ-Raad van 23 en 24 april jl. In het verslag van die JBZ-Raad is daar nog nader op ingegaan. De Kamer heeft ingestemd met het onderhandelingsmandaat zoals dat is aangenomen door de Raad van Algemene Zaken in mei jl.
Het akkoord zal volgende week worden aangenomen. Dat doet dus recht aan het onderhandelingsmandaat. Vandaar dat er geen verdere discussie of verder verschil van mening meer wordt voorzien door de ministers die daarover zouden gaan. Nu is het als iets wordt aangenomen, als dat tevoren bekend is en als geen debat meer voorzien is, gebruikelijk dat het bij de eerstvolgende Raad dan als A-punt, ofwel zonder discussie, wordt aanvaard. De eerstvolgende Raad is bij toeval de Landbouwraad. Dit heeft niets met landbouw te maken, maar het is een procedure die normaal gebruikelijk is. Indien alle lidstaten kunnen instemmen en er geen discussie meer voorzien is, wordt zoiets als A-punt toegevoegd bij de eerstvolgende Raad die plaatsvindt. Dat is in dit geval de Landbouwraad. Daarna wordt het ter goedkeuring voorgelegd aan het Europees Parlement. Uw Kamer zal in ieder geval voor definitieve besluitvorming in de Raad een brief ontvangen van de minister van Justitie waarin hij het akkoord nader toelicht. Daarin zal hij dus ook nader ingaan op de verschillende elementen die de zorgen beantwoorden van onder andere Nederlandse parlement. Wij vinden het dus van belang dat er snel een overeenkomst komt tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten. Doordat de vorige overeenkomst was verworpen, hebben wij nu eigenlijk de situatie waarin er geen data kunnen worden overgedragen en er dus ook op bepaalde terreinen een security gap kan ontstaan.
Als wij tot de volgende JBZ-raad zouden moeten wachten, is het oktober. Dat achten wij niet verantwoord. Om die reden wordt het als A-punt op de eerstvolgende Raad, zijnde de Landbouwraad, op de agenda gezet. Mocht de Kamer er een andere Raad voor wensen, kan ik de Raad van Buitenlandse Zaken in de aanbieding doen. Ten aanzien van de discussie tussen de lidstaten zal dit inhoudelijk weinig veranderen. Ik zeg de Kamer in ieder geval op korte termijn een brief van de minister van Justitie toe waarin u volledig over de ins en outs zult worden geïnformeerd voordat de besluitvorming op de Landbouwraad op de agenda staat.
Hiermee ben ik gekomen aan het einde van de beantwoording van de aan mij gestelde vragen.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Ik ga meteen door met de tweede termijn en keer terug naar de oorspronkelijke sprekersvolgorde. Ik geef het woord aan mevrouw Hennis-Plasschaert van de fractie van de VVD. Het is ook voor haar de maiden speech. U weet allen wat dit betekent, namelijk rustig zitten en geïnteresseerd luisteren.
Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):
Wat een luxe!
Voorzitter. De eerste december staat niet langer alleen maar bekend als de verjaardag van Woody Allen, wereldaidsdag of de dag waarop IJsland afhankelijk werd van Denemarken. Sinds 2009 staat 1 december ook te boek als de dag waarop het Verdrag van Lissabon in werking is getreden. Zoals bekend, zou dit verdrag onder meer moeten zorgen voor een sterkere rol van zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen. Ten aanzien van die versterkte positie hebben de Europarlementariërs niets aan duidelijkheid te wensen overgelaten toen zei medio februari hebben besloten om het zogenoemde SWIFT-akkoord af te wijzen. Anders dan zojuist werd gezegd, is het dan ook op zijn zachtst gezegd merkwaardig dat het Spaanse voorzitterschap heeft gemeend om het nieuwe SWIFT-akkoord als hamerstuk te agenderen voor de Landbouw- en visserijraad van maandag aanstaande. Na overleg met de collegae in het Europees Parlement, vanmorgen vroeg en zojuist nog, stelt de VVD vast dat nog altijd wordt onderhandeld over de finale tekst. Er bestaan nog steeds grote verschillen tussen Raad en Parlement. De agendering is dan ook prematuur. Het kan gewoonweg niet zo zijn dat ministers, die weliswaar veel verstand hebben van visquota en andere zaken, dit dossier simpelweg even afhameren. Daarvoor is het te belangrijk en ligt het te gevoelig.
Mijn fractie realiseert zich terdege dat de druk ook nu weer hoog is. En ja, ook mijn fractie, net als de toenmalige rapporteur, acht een sterke trans-Atlantische verhouding van groot belang. Dit akkoord dient echter te worden behandeld in de eerstvolgende JBZ-raad, waar het thuishoort. Ik denk dat de Nederlandse regering net zo goed als ik weet dat wij het er nu niet per se doorheen hoeven jassen en dat er mogelijkheden zijn om de behandeling ervan naar september of oktober te verplaatsen.
De VVD is zich ervan bewust dat de Kamer heeft ingestemd met het onderhandelingsmandaat. Dat wil echter niet zeggen dat er carte blanche gegeven is voor een deal waarvan de Kamer de definitieve inhoud niet kent. De onderhandelingsresultaten dienen op een fatsoenlijke wijze te worden besproken, ook met deze Kamer. Er moet dus niet alleen per brief van gedachten gewisseld worden.
Het nieuwe akkoord lijkt, voor zover wij überhaupt op de hoogte zijn van de inhoud ervan, wellicht een stap vooruit als het bijvoorbeeld gaat om de bescherming van persoonsgegevens. Tegelijkertijd lijkt het akkoord nog altijd haaks te staan op het beginsel van proportionaliteit en daar ligt nu net nog het punt van discussie tussen Raad en Parlement. Lijkt, want de finale tekst kent dit huis niet. Met het oog op de geplande besluitvorming op maandag zou je op zijn minst mogen verwachten dat de tekst inmiddels publiekelijk toegankelijk is. De Europeanen, de Nederlanders hebben immers het recht om te weten wat er met hun gegevens gebeurt.
De VVD verwacht hoe dan ook dat de Raad en de Commissie parallel aan de overeenkomst met de VS en conform de resolutie van het Europees Parlement van 5 mei jongstleden zo spoedig mogelijk een Europese oplossing presenteren. In dat kader wijst mijn fractie nog maar eens op het belang van volledige wederkerigheid.
Gelet op het antwoord van de minister dien ik mede namens mijn collega's van de PvdA, GroenLinks en D66 de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Spaanse voorzitterschap heeft besloten het onderhandelingsresultaat tussen de VS en de EU betreffende het zogenoemde SWIFT-akkoord toe te voegen als een A-punt aan de agenda van de Landbouw- en Visserijraad;
verzoekt de regering, hier niet aan mee te werken en bij het EU-voorzitterschap te bevorderen dat dit akkoord tijdens de eerstvolgende JBZ-raad wordt behandeld, en verzoekt voorts over de inhoud van dit akkoord de Kamer zo spoedig en volledig mogelijk te informeren en van gedachten te wisselen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hennis-Plasschaert, Van Dam, Braakhuis en Schouw. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 476 (21501-20).
De vergadering wordt enkele minuten geschorst.
De heer Van Bommel (SP):
Voorzitter. We hebben dat allemaal al persoonlijk gedaan, maar ook vanaf deze plaats feliciteer ik mevrouw Hennis-Plasschaert graag met haar maidenspeech. Ik wens haar veel succes.
De EU 2020-agenda is de opvolger van de mislukte Lissabon-strategie, de economische doelstellingen om van Europa, de Europese Unie althans, wereldwijd de meest concurrerende economie te maken, een absurde economische doelstelling die in de voormalige Sovjet-Unie niet zou hebben misstaan. Er is nu een opvolger, de EU 2020, minder ambitieus, want minder absoluut gesteld, maar nog wel ambitieus omdat de economische doelstellingen later een nationale invulling zullen krijgen waarover wij in het Nederlandse geval nog veel het debat zullen zoeken met de regering. De minister-president is heel erg duidelijk geweest in het gebruik van de termen "economic government" en "economic governance". Ik ben daar blij mee. Wij hebben er eerder in de commissie over gesproken. Waar het gaat over de nationale soevereiniteit, de Nederlandse begroting, blijft het Nederlandse parlement natuurlijk vol aan zet. Wij moeten ervoor waken dat er niet sluipenderwijs van economic governance wordt overgegaan op een economic government. Daar is geen behoefte aan. In Europa is daar op basis van het Verdrag van Lissabon ook geen plaats voor. Zo iets zal er als het aan de SP-fractie ligt ook niet komen.
De minister-president heeft in zijn beantwoording ruim stilgestaan bij het verschil tussen de discussie over de bankenheffing, een Europees iets, en die over de Tobintaks, een heffing op kapitaaltransacties. Voor het laatste zou je een mondiaal verband nodig hebben. Ik ben het daarmee eens. Tegelijkertijd kunnen wij ook vaststellen dat er Europees een voorhoede is als het gaat om de bankenheffing. De grote landen, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk willen die voorhoede zijn, maar wat de SP-fractie betreft zou er op het punt van een heffing op kapitaaltransacties ook sprake moeten zijn van een voorhoede. Laat de Europese Unie dan maar die voorhoede zijn. In ieder geval is die wens Europees ook geuit. Barroso heeft zich in die richting uitgelaten. Mijn fractie is daar zeer gelukkig mee, maar het onderwerp als zodanig moet wel nader worden geagendeerd. Daarom wil ik de Kamer de volgende motie voorleggen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Europese Raad de invoering van een mondiale transactiebelasting tijdens de G20 top wil bespreken;
constaterende dat het IMF vorig jaar heeft ingestemd met het verzoek van de G20 om de invoering van een mondiale transactiebelasting te onderzoeken;
van mening dat de noodzaak om het aantal speculatieve transacties op de financiële markten terug te dringen, vraagt om een spoedige invoering ervan;
verzoekt de regering, zich tijdens de G20 top in te zetten dat het IMF wordt gevraagd voorbereidingen te treffen om binnen een bepaalde tijd de invoering van een mondiale transactiebelasting door te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Bommel en Braakhuis. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 477 (21501-20).
De heer Van Bommel (SP):
Voorzitter. Dan nog iets over Iran. De minister van Buitenlandse Zaken heeft daar uitgebreid over gesproken. Ik ben het eens met zijn inzet. Aanvullende maatregelen moeten altijd zijn gericht op het regime. Wij willen de bevolking van Iran niet straffen. Zij zijn al het slachtoffer van een zeer hardvochtig regime. Laat ze niet ook nog eens het slachtoffer worden van internationale maatregelen die het regime in een andere richting willen sturen. Wij wachten 26 juli af en zullen de regering indien nodig nader onderhouden over berichten die wij van de kant van de regering krijgen met betrekking tot aanvullende maatregelen die dan in de RBZ worden genomen.
De heer Ormel (CDA):
Voorzitter. Ik bedank beide bewindslieden voor de beantwoording in eerste termijn. Ik zou ook mevrouw Hennis namens de CDA-fractie van harte willen feliciteren met haar maidenspeech. Mevrouw Hennis kennen wij als een ervaren Europarlementslid. Wij vinden het een verrijking dat zij nu te midden van ons is. Nu houden de complimenten op, want ik moet zeggen dat wij de motie die is ingediend door mevrouw Hennis en anderen over het SWIFT-akkoord dat als A-punt wordt toegevoegd aan de agenda van de Landbouw- en Visserijraad, niet zullen kunnen ondersteunen. Het verbaast ons ook enigszins dat juist mevrouw Hennis deze motie indient, omdat ten aanzien van dit SWIFT-akkoord het Europees Parlement het laatste woord zal hebben. Het Europees Parlement zal in juli over dit SWIFT-akkoord spreken in Straatsburg. Wie zijn wij als nationaal parlement dan om dit nu nog door middel van een "vluggertje", om met de woorden van de heer Ten Broeke te spreken, via een motie te proberen tegen te houden, terwijl wij dat niet eens kunnen? Mevrouw Hennis weet wat haar plaats was in het Europees Parlement. Ik zou haar aanraden om te letten op haar plaats als parlementslid in het nationale parlement.
De voorzitter:
U mag daar onmiddellijk op reageren, mevrouw Hennis. Dit is misschien een vreemde uitlokking door de voorzitter, maar het is nogal een principieel punt of ons parlement hierin een stem heeft.
Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):
Inderdaad, het Europees Parlement gaat instemmen, maar de heer Ormel gaat ervan uit dat het parlement in juli tot stemming overgaat. De laatste stand van zaken is echter dat er nog volop wordt onderhandeld door Parlement en Raad. De Kamer is niet geïnformeerd. Ik heb net gezegd dat wij als Kamer geïnformeerd dienen te worden. Wij hebben ingestemd met een onderhandelingsmandaat, maar daarmee geen carte blanche gegeven. Het is dus wel zo netjes om ook de Kamer op normale wijze te informeren, er niet van uit te gaan dat het Parlement wordt overruled en niet zonder meer uit te gaan van een ja vanuit het Europees Parlement. Als de Nederlandse regering dit akkoord erdoorheen wil jagen omdat het belangrijk is, vraag ik haar om de tijd te nemen en ervoor te zorgen dat het Europees Parlement wordt gehoord.
De heer Ormel (CDA):
Ik ga niet uit van een ja van het Europees Parlement, maar mevrouw Hennis doet dat kennelijk. In juli wordt dit behandeld in het Europees Parlement. Mevrouw Hennis zegt dat dit in juli door het Europees Parlement geaccordeerd zal worden. Mijn informatie is dat het besproken zal worden in het Europees Parlement.
Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):
Volgens mij ben u nu een klein beetje Oost-Indisch doof.
De heer Ormel (CDA):
Waarschijnlijk zal het worden aangenomen door het Europees Parlement. Daar zijn wij zeer verheugd over, omdat wij met de VVD-fractie van mening zijn dat het van groot belang is dat de veiligheid van het vliegverkeer wordt gediend en dat terrorisme wordt bestreden. Daar gaat het om bij dit SWIFT-akkoord.
Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):
Volgens mij luistert u selectief, want het is nog geen gegeven dat het Parlement in juli gaat stemmen. Mij gaat het erom dat ik de Nederlandse regering oproep om ervoor te zorgen dat er een goed akkoord ligt en het er niet doorheen te jassen met het risico van een nee. Daartoe roep ik de Nederlandse regering op.
De heer Ormel (CDA):
Ik heb hierover gezegd wat ik heb gezegd en ik ben van mening dat de bal nu ligt bij het Europees Parlement. Wij zullen deze motie dus niet steunen.
De heer Van Dam (PvdA):
Voorzitter, u lokte mevrouw Hennis uit, maar in wezen is de kwestie inderdaad wat de parlementaire bevoegdheden zijn als het gaat om Europese besluitvorming. Ik neem toch aan dat de heer Ormel het met mij eens is dat ook in dit soort zaken het nationale parlement wel degelijk een rol heeft. Aan de ene kant is er het Europees Parlement en aan de andere kant de Europese Raad. Wat de leden van de regering in de Europese Raad doen, doen zij op basis van een mandaat van onze Kamer, van ons parlement. Ik vond dat de heer Ormel dat zeer makkelijk aan de kant schoof.
De heer Ormel (CDA):
Absoluut niet, maar wij moeten wel op de volgtijdelijkheid letten. Wij hebben gesproken over SWIFT. Er is vervolgens een akkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten gekomen. Dat akkoord wordt geaccordeerd door het als A-punt op de eerstvolgende raad te zetten, en dat is bij toeval de Landbouwraad. Dat wil niet zeggen dat ik vind dat wij opzijgeschoven zijn. Wij hebben volop onze mening gegeven. Wij hebben de regering het mandaat gegeven om dit te accorderen. De regering doet dat. De Europese Unie doet dat in de eerstvolgende raad. Dan is er nog de finale bezegeling door het Europees Parlement. Het lijkt mij dat wij allen ons mandaat ten volle gebruiken.
De heer Van Dam (PvdA):
Maar we zijn het er wel over eens dat het nu aan ons is om te bepalen of we de regering het mandaat geven om het als A-punt af te handelen op de Landbouwraad.
De heer Ormel (CDA):
Ja, en daarvan geef ik dus aan dat wij de regering dat mandaat willen geven.
De minister van Buitenlandse Zaken heeft de vragen van de gehele CDA-fractie beantwoord over Iran. Ik ben hem zeer dankbaar voor deze beantwoording. Ik begrijp dat het niet sneller kan dan snel. Wij hebben met onze inbreng willen aangeven dat wij ons grote zorgen maken over Iran. Met "wij" bedoel ik de gehele CDA-fractie.
De heer Schouw (D66):
Voorzitter. Ik heb nog een paar puntjes.
Mijn eerste punt gaat over de stresstest. Ik zou er toch graag, de woorden van de minister-president herhalend, alles aan willen doen om te voorkomen dat de markten als gevolg van het presenteren van de resultaten weer in elkaar storten. Ik krijg ook graag de toezegging van de minister-president dat hij het parlement vroegtijdig zal betrekken als hij signalen heeft dat het daartoe komt.
Mijn tweede punt betreft de bankenbelasting. Ik stel vast dat de discussie heeft opgeleverd dat die in beginsel wordt uitgewerkt, ook in Europees verband, maar dat er natuurlijk wel een aantal voorwaarden te formuleren is waaronder dit gaat werken. Ik heb het zelf in mijn eerste termijn zo geformuleerd dat de bankenbelasting geen afkoopsom mag zijn om niets meer te doen aan het verbeteren van het financiële stelsel in Europa. Het mag niet een soort symboolmaatregel worden. Ik wil dus van de minister-president weten wanneer hij het hele pakket over het beheersbaar krijgen, verbeteren en optimaliseren van het financieel economisch stelsel in Europa in de Kamer denkt te krijgen.
Mijn derde opmerking is eigenlijk een kleine, maar wel een met groot gevolg. Ik heb de minister-president gevraagd wie het woord voert in de G20. Toen zei hij iets als: nou, ik hoop die en die, maar ik verwacht ook niet dat die en die hun mond kunnen houden. Ik heb dat geïnterpreteerd als een soort grapje, maar mijn vraag was eigenlijk wel serieus. Als Europa echt serieus genomen wil worden in de G20 en het ook de volgende keren aan tafel wil zitten, dan zal het toch echt met één mond moeten leren praten. Wil de minister-president daaraan ook enkele zinnen wijden in het verslag over het verloop van de vergadering van de G20? Hoe is dat gegaan?
Mijn vierde opmerking gaat over de economic governance. Daarvan heeft de minister-president gezegd: je moet niet gelijk beginnen bij structuren; laten we maar een aantal andere zaken veranderen. Ik heb echter in mijn eerste termijn gezegd dat het er op een gegeven moment natuurlijk wel om gaat wie er bijvoorbeeld beslist over sancties. Wie gaat er in de toekomst beslissen over sancties? Is dat de Europese Commissie, wat onze voorkeur heeft, of blijft het de Raad van Ministers? Dat is echt een structuurafspraak en wat mij betreft ook een structuurverbetering. Ik wil graag weten wat de inzet van de Nederlandse regering is op dat punt.
Tot slot mijn vijfde punt; misschien komt de heer Van Dam daar ook op terug. Dat gaat over de toetreding van IJsland en de eventuele relatie met het vangen van walvissen. IJsland lijkt dat coûte que coûte te blijven doen en volgens mij is dat van invloed op het al dan niet toetreden. Zou de minister-president daarover iets willen zeggen?
Helemaal tot slot sluit ik mij gemakshalve aan bij de woorden van de woordvoerder van de VVD-fractie over de SWIFT-complexiteit.
De heer Dijkgraaf (SGP):
Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor de beantwoording in eerste termijn. Ik moet zeggen dat mij dat wel vertrouwen heeft gegeven, zo ik dat al niet had, in de aanpak op grote lijnen. Er komen nog allerlei details en daarover gaan wij met elkaar spreken. Ik moet zeggen dat die wel erg belangrijk zijn voor hoe de akkoorden en de voorstellen uitpakken. Ik wil er een paar dingen uitlichten.
Ik begin met de stresstest. Ik had een debatje met de minister-president over de harmonisatie binnen de EU. Later begreep ik uit andere bronnen dat er toch wat discussie is over de vraag of wij 27 stresstesten krijgen omdat de nationale banken dat oppakken of dat dit centraal wordt gedaan. Ik heb sterk de voorkeur voor het laatste omdat dat ervoor zorgt dat er voldoende duidelijkheid en transparantie in de financiële markt is. En daar gaat het ons precies om. Graag hoor ik de visie van de minister-president hierop. Gaan wij nu voor een eenmalige stresstest of gaan we die jaarlijks herhalen? Ik weet niet of wij die discussie nu moeten voeren of later, maar het lijkt me in termen van structureel toezicht een goede zaak als er regelmatig transparantie in de markt wordt gecreëerd.
Dan kom ik op de bankenheffing. Ik pleit sterk voor een vorm op basis van het uitgangspunt waarvoor wij primair de discussie over de bankenheffing zijn gestart, namelijk het afremmen van risicovol gedrag. De grondslag zou dan zo gekozen moeten worden dat het primaire doel overeind blijft. Banken die veel risico nemen, moeten veel betalen en banken die weinig risico nemen, moeten minder of niet betalen. Ik pleit er ook sterk voor de heffing te gebruiken ter aflossing van de staatsschuld en niet voor het creëren van een aparte pot. Hoe kijkt de minister-president daar tegenaan in vergelijking met de discussie binnen de EU? Wordt daar een centrale beslissing over genomen of kunnen wij daarin ook differentiëren? Ik zie de bankenheffing, zoals de minister-president ook in zijn beantwoording heeft aangegeven, als een unieke kans om hieraan wat te doen. Lange tijd was dat niet mogelijk. De crisis heeft dat mogelijk gemaakt. Tegelijkertijd is het wel een risico. Als er een politiek compromis uit komt, kan dat ook verkeerd uitpakken voor de financiële sector. Het is dus maar de vraag hoe dat precies uitpakt. Wij hopen met elkaar dat dat goed komt.
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Braakhuis van de GroenLinks-fractie. De heer De Roon laat zich verontschuldigen.
De heer Braakhuis (GroenLinks):
Voorzitter. Ik wil namens de fractie van GroenLinks de heer Dijkgraaf en mevrouw Hennis van harte feliciteren met het feit dat wij nu collega's zijn. Ik wil uiteraard de minister en de minister-president bedanken voor hun antwoorden. Mijn tijd is beperkt dus kan ik maar beter zo snel mogelijk inzoomen op de motie die hier voor me ligt.
Onze fractie is blij met de samenwerking van de Servische autoriteiten met het Joegoslavië-tribunaal. Toch zijn wij misschien iets minder blij dan de minister. Tenslotte heeft deze samenwerking nog niet geleid tot alle gewenste resultaten, zoals het kunnen berechten van een belangrijke hoofdverdachte als generaal Mladic. Ook is ons opgevallen dat het recente rapport van de officier van het tribunaal, de heer Brammertz, minder positief was dan het rapport van een jaar eerder. Beide argumenten geven aanleiding tot de volgende motie. Overigens, het is natuurlijk wel geweldig dat er een minister is die er vreselijk naar uitziet als je voor het eerst een motie indient. Dank daarvoor.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering de start van het ratificatieproces van het Europese Stabilisatie- en Associatie-akkoord met Servië, niet langer blokkeert;
overwegende dat volledige medewerking van Servië aan het Joegoslavië-tribunaal voorwaarde zou moeten zijn voor nauwere samenwerking tussen de EU en Servië;
overwegende dat de heer Brammertz, hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal, recentelijk een nieuw rapport heeft geschreven voor de VN Veiligheidsraad over de medewerking van Servië aan het Joegoslavië-tribunaal;
verzoekt de regering, de Kamer te informeren over de medewerking van Servië aan het Joegoslavië-tribunaal en de mate waarin Servië de aanbevelingen van de heer Brammertz opvolgt, alvorens het Stabilisatie- en Associatie-akkoord met Servië ter ratificatie aan de Kamer voor te leggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De heer Braakhuis (GroenLinks):
Deze motie is medeondertekend door mevrouw Peters, de heren Ten Broeke, Van der Ham en Van Dam. En daarmee heb ik maar gezegd dat dit een verrassende combinatie van partijen is. Dus het kan allemaal best.
De heer Van Dam (PvdA):
Ik hoor mijn naam noemen, maar ik heb geen motie gezien. Ik kan mij niet voorstellen dat ik dan een motie heb medeondertekend.
De heer Braakhuis (GroenLinks):
Dan halen wij die naam weg.
De voorzitter:
Als ik snel reken, wordt de motie daarmee nog steeds voldoende ondersteund en maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Deze motie is voorgesteld door de leden Braakhuis, Peters, Ten Broeke en Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 478 (21501-20).
De heer Van Dam (PvdA):
Voorzitter. Allereerst mijn felicitaties voor mevrouw Hennis met haar maidenspeech. Ik wens haar veel geluk. Haar inzet voor privacy, nu ook hier, is verfrissend. Het is verheugend om er hier een bondgenoot bij te hebben -- ik neem aan om er daarmee 31 bondgenoten bij te hebben in deze Kamer -- in het bewaken van de balans tussen privacy en veiligheid. Die balans is ontzettend kwetsbaar. Een ingrijpend verdrag als SWIFT vereist een zorgvuldige behandeling. Vandaar ook onze steun aan de eerste motie die mevrouw Hennis in deze Kamer heeft ingediend. En ik zou bijna zeggen: ik hoop dat er meer volgen.
Dank aan de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken voor hun beantwoording in eerste termijn. De beantwoording was zeer uitvoerig en volledig. Ik heb dat zeer op prijs gesteld. Tegelijkertijd moet de conclusie ook zijn dat er zaken blijven waarvan wellicht door de fase in het proces nog enigszins onduidelijk is hoe zij precies zullen uitpakken, die pas later in volle omvang duidelijk worden. Dat is bijvoorbeeld de invulling van het controle- en sanctiemechanisme, waarbij uiteindelijk natuurlijk de devil in de details schuilt. Dan gaat het om de bevoegdheden van de Europese Commissie dan wel de Europese Raad ten aanzien van de bemoeienis met de invulling van de begroting van de Europese lidstaten. Juist over de invulling zal de discussie gaan. Als ik de minister-president goed heb begrepen, valt daarover nu vanwege het moment in het proces nog niet zoveel te zeggen. Dat maakt de discussie ook wel moeilijk.
Net zoiets geldt eigenlijk voor de bankenheffing. Daarvan moeten wij constateren dat de EU besloten heeft om die in te voeren, maar dat op dit moment nog niets te zeggen valt over de manier waarop, de wijze waarop een gelijk speelveld wordt bewaakt binnen de EU en het moment waarop de bankenheffing geëffectueerd zou moeten worden. Hopelijk is ook daarover in het najaar meer duidelijkheid. Ik begrijp dat het ingewikkelde discussies zijn, maar ik neem aan dat als in de Europese Raad erover gesproken wordt, het ook over dit soort belangrijke vragen gaat. Je kunt wel afspreken dat je een bankenheffing invoert, maar het gaat er juist om of je die gezamenlijk invoert, of je dat ook op elkaar afstemt en hoe je precies bewaakt dat het een gelijk speelveld blijft .
Een soortgelijke opmerking geldt ook voor de precieze inzet voor de G20. Eerlijk gezegd, ik vond de brief van president Obama over zijn inzet voor de G20 heel duidelijk. Ik vond de brief van Barroso en Van Rompuy over hun inzet voor de G20 enigszins duidelijk. Ik vond de brief van de Nederlandse regering over de Nederlandse inzet voor de G20 behoorlijk onduidelijk. Ik begrijp het wel, want wij zijn er slechts te gast, maar er werd wel zeer vakkundig om de echte hete brij heen gedraaid. Als ik de minister-president goed begrijp, zegt hij eigenlijk over de discussie tussen Obama en Merkel dat de G20 in het verleden op één lijn zaten doordat het op korte termijn nodig is om te stimuleren, het op middellange termijn nodig is om te saneren en het op de echt lange termijn nodig is om de structuur van de economie te hervormen. Zoals ik in eerste termijn ook al zei, het is jammer dat de heer Ten Broeke er nu niet is, maar wij zullen het debat nog wel eens op een andere plek verder voeren. De Europese economie is toch op een ander model gestoeld dan bijvoorbeeld de Aziatische economie of de Amerikaanse economie.
Bij ons gaat het er niet om groei te genereren omwille van de groei, maar groei te genereren omwille van de welvaart van de Europese bevolking in de breedte. Het is niet voor niets dat ook doelstellingen op het gebied van het onderwijs en het tegengaan van sociale uitsluiting onderdeel van de EU 2020-strategie zijn, met onze volle instemming.
Ik had in eerste termijn nog een paar vragen gesteld over Iran en had gevraagd om een brief van de regering. Na het korte debatje dat ik zojuist met de minister van Buitenlandse Zaken heb gehad, kan ik mij voorstellen dat wij het er voor dit moment bij laten en dat wij de discussie verder voeren in de aanloop naar de Raad Buitenlandse Zaken op 26 juli.
Toch breng ik nogmaals mijn zorgen over in de richting van de minister van Buitenlandse Zaken. Er is op moeizame wijze eenheid bereikt in de VN-Veiligheidsraad. Die moeizaamheid zit natuurlijk vooral aan de kant van Rusland en China. Je zag direct in de dagen na het afkondigen van een nieuw sanctieregime dat beide landen zich een klein beetje in bochten wrongen om de relatie met Iran en vooral met landen daaromheen goed te houden. Die eenheid is wel wat waard. Wat mij betreft moeten wij niet, doordat wij nu harder gaan lopen dan beide landen, de eenheid binnen de VN-Veiligheidsraad op het spel zetten. Uiteindelijk gaat het erom dat Iran een conflict heeft met de wereld, niet dat Iran een conflict heeft met het Westen. Dat moet volgens mij als een paal boven water staan.
Minister Balkenende:
: Voorzitter. In de reeks sprekers die mevrouw Hennis hebben gelukgewenst, wil ik mij graag voegen. Ik deed dat al persoonlijk, maar wil haar ook graag vanaf deze plaats alle goeds toewensen na het uitspreken van haar maidenspeech in dit huis. Haar opmerkingen waren gericht tot de minister van Buitenlandse Zaken. Ik zal daarbuiten blijven.
De heer Van Bommel is ingegaan op enkele zaken die eerder aan de orde is geweest. Hij sprak over economic governance, ging in op de bankenheffing en de Tobintaks en heeft op dat punt een motie ingediend. Deze motie gaat verder dan datgene wat is neergelegd in conclusie 17 van de Europese Raad. In de conclusie wordt gesproken over bestuderen en ontwikkelen. Europa zal dat zeker inbrengen. Het IMF heeft een rol bij dit alles, maar niet als enige. De vraag is ook of het de meest aangewezen instelling zou moeten zijn. Ik vind dat deze motie veel verder gaat dan de implicaties van de EU-besluitvorming daarover. Tegen die achtergrond ontraad ik de motie.
De heer Van Bommel (SP):
Wat de minister zegt, is in ieder geval op een onderdeel raadselachtig. Hij verwijst naar het IMF en stelt zichzelf de vraag of dat de meest aangewezen instelling zou moeten zijn. Welke instelling zou hij anders op dit onderwerp aan zet willen laten zijn?
Minister Balkenende:
Het is de volgorde. Het IMF doet studie naar de mogelijkheid van een Tobintaks; zo ook de Europese Commissie. Het begint natuurlijk met het mondiaal vaststellen dat je zo'n taks wilt. Daarvoor heb je politiek draagvlak nodig. Vervolgens is het aan dat orgaan, in dit geval de G20, om te zeggen: dan moet die daarmee worden belast. Komt het IMF in aanmerking? Ja, dat komt het, maar dit moet dan wel voortvloeien uit een gemeenschappelijk besluit. Wij hebben nog andere internationale gremia, zoals wij destijds ook hebben gezien in de bankwereld. Wij hadden het niet alleen over het IMF, maar ook over andere internationale instellingen die zich bezighouden met de financiële stabiliteit. Dat is de achtergrond van mijn opmerking. Ik ontzeg u helemaal niet het recht om over het IMF te spreken. Ik vind het ook vrij logisch, maar wij moeten wel de zaken in de goede volgorde leggen.
Ik onderschrijf de opmerking van de heer Schouw dat je steeds oog moet hebben voor de effecten van het publiceren van een stresstest. Je moet juist voorkomen dat er onrust ontstaat. Ik heb dat ook gezegd in de richting van de heer Trichet toen wij onze Europese Raad hadden.
Ik onderschrijf ook een ander punt van de heer Schouw; dat heb ik al eerder gedaan: wanneer je hebt over een bankenbelasting, let dan op het samengaan met andere maatregelen. Je hebt ook te maken met Bazel III en andere zaken, dus je moet oppassen voor die stapeling. Dat onderschrijf ik.
Ik kom bij het spreken met een mond door de G20. Ik heb aangegeven dat, als wij het over de EU hebben, de voorzitter van de Europese Raad als eerste het woord zou moeten voeren, want die is juist het gezicht van Europa. Ik heb tegelijkertijd gezegd dat ik ook wel een beetje weet hoe de hazen lopen. Dat verklaart mijn glimlach erbij, omdat ik ook wel weet dat anderen het woord voeren. Ik heb gezegd dat het geldt voor de regeringsleiders van grote landen en voor mijzelf evenzeer.
Essentieel is dat er met één mond wordt gesproken. Er moet één geluid vanuit Europa komen. In die zin is er in de afgelopen tijd het nodige gebeurd.
De heer Schouw (D66):
Ik koppelde er de vraag aan of u er enige zinnen aan wilt wijden in het verslag van de G20.
Minister Balkenende:
Ik zal er aandacht aan besteden.
Wanneer volgt het hele pakket aan maatregelen voor hervormingen van het financieel stelsel? Wanneer kan de Tweede Kamer dat tegemoetzien? Iedereen onderschrijft de urgentie. De Commissie zal met nadere voorstellen komen die uiteraard met de Kamer zullen worden besproken. Met de voorbereiding ervan is nog wel enige tijd gemoeid, maar wij moeten de zorgvuldigheid natuurlijk in het oog houden, net als de randvoorwaarden, bijvoorbeeld het level playing field en het voorkomen van een stapeling van maatregelen. Het is de bedoeling dat een scherper toezicht begin volgend jaar van start kan gaan.
Hoe zit het met de sancties? Is dat een kwestie van de Europese Commissie of van de Europese Raad? In het verleden is gebleken dat de regels van het pact niet goed zijn nageleefd. Nederland vindt dat slimmere sancties noodzakelijk zijn, zodat ze sneller en meer vanzelfsprekend kunnen worden toegepast. Wij moeten bijvoorbeeld de mogelijkheid onderzoeken om structuurfondsen of andere subsidies op te schorten als landen niet voldoen aan de eisen van de buitensporigtekortprocedure. Ook zou de Raad moeten kijken naar gevallen waarin het te rechtvaardigen is om meteen sancties uit te vaardigen, bijvoorbeeld bij statistische onjuistheden. Het Verdrag van Lissabon legt de besluitvorming over sancties bij de Raad. In de Van Rompuygroep worden de mogelijkheden onderzocht om de ruimte voor politieke oordelen te verminderen, bijvoorbeeld via gedragsregels. Het lijkt mij goed om op dit punt terug te komen, want er moet een rules based system komen. Dat zou de rol van de Raad een beetje kunnen relativeren. Het zou de Europese Commissie kunnen zijn. De regering neemt goede nota van de opmerkingen van de heer Schouw hierover. De discussie zal worden hernomen in het kader van de werkgroep-Van Rompuy. Verdragsrechtelijk is het de Raad, maar ik begrijp de opmerkingen.
Hoe zit het met de walvisjacht? Naar aanleiding van een opmerking van de heer Van Dam in eerste termijn heb ik al gezegd dat, als IJsland lid wil worden van de EU, het land aan het acquis moet voldoen. Dat geldt ook voor het verbod op de walvisvangst. IJsland weet dat.
De heer Dijkgraaf heeft meerdere opmerkingen gemaakt over de stresstest. Gaat het om een centrale stresstest en niet om 27 nationale stresstests? De modaliteiten moeten nog worden bekeken. Het zal eerder decentraal maar gecoördineerd gebeuren dan centraal, ook omdat de uitvoering bij de nationale toezichthouders berust. Er zal nog over dit alles worden gesproken in de Ecofin-raad, waarover nog een algemeen overleg zal plaatsvinden. Bij die gelegenheid kan dit debat nog worden hernomen.
De heer Van Dam heeft gelijk: wij zitten in een fase waarin sommige zaken nog in procedure moeten worden besproken. Op het sanctiemechanisme komt de commissie-Van Rompuy terug. Wat de bankenheffing betreft zou ik misschien wel meer willen zeggen, maar het is afhankelijk van de verdere invulling. Over de inzet voor de G20 hebben wij vandaag genoegzaam met elkaar gesproken.
De heer Van Dam (PvdA):
Er was net enige onduidelijkheid, ook aan mijn kant, over een motie die door GroenLinks werd ingediend over Servië. Het bleek te gaan om een motie die eerder was opgesteld, voorafgaand aan de Europese Raad. Daarin werd de regering verzocht, de Kamer te informeren over wat in het rapport-Brammertz komt te staan. Dat was een motie waar ik mijn naam onder had gezet, en zo kwam de onduidelijkheid tot stand. In deze motie wordt de regering verzocht de Kamer te informeren. Deze motie kan ik onderschrijven, aangezien ze in mijn ogen niet meer vraagt. Maar ik wacht de beantwoording van de minister af om te zien of we ook nu voor deze motie zullen stemmen.
De voorzitter:
U onderschrijft de motie, maar u bekijkt nog of u voor zult stemmen. Ik raak nu in verwarring.
De heer Van Dam (PvdA):
Ik probeerde de verwarring juist weg te nemen. GroenLinks verkeerde in de veronderstelling dat mijn naam eronder stond. Dat was namelijk een motie die vorige week is ingediend. Op dat moment was het rapport-Brammertz nog niet openbaar. De regering werd daarom verzocht de Kamer daarover te informeren. Ik wacht de beantwoording van de minister af. Hij kent de positie van mijn fractie: wij hebben hem steeds gesteund in zijn lijn.
Minister Verhagen:
: Voorzitter. Ik schaar mij in het koor van gelukwensen richting mevrouw Hennis, voor haar maidenspeech, maar dat geldt, zoals zij kan verwachten, niet voor de inhoud van de motie. Ik verzoek alle ondertekenaars van de motie om even met mij mee te denken. Het is belangrijk -- steeds onderstreept door een meerderheid in de Tweede Kamer -- dat er snel een akkoord komt om zeker te stellen dat er een juridische basis is om gegevens uit te wisselen met de VS, om daarmee terrorisme effectief te kunnen bestrijden.
Ik geef de ondertekenaars verder het volgende in overweging. Het is belangrijk te weten dat de besluitvorming in de Raad zal met gekwalificeerde meerderheid plaatsvinden. De positie van Nederland als zodanig is niet doorslaggevend voor het besluit van de Raad. Het Europees Parlement zal naar verwachting, zo heeft het voorzitterschap ons laten weten, in juli besluiten nemen over de voorstellen. Met andere woorden: het voorzitterschap hoeft niet op Nederland te wachten. Ik zou dat op zich ook een slecht signaal vinden, onder andere richting de VS en de noodzaak om terrorisme effectief te kunnen bestrijden, als Nederland aandringt op uitstel. De Kamer heeft inhoudelijk met de regering gesproken over het onderhandelingsmandaat. De Kamer is daarmee akkoord gegaan. Het resultaat -- ik kan mij voorstellen dat de Kamer daar meer over wil weten -- is binnen het onderhandelingsmandaat gebleven. Op dit moment overlegt het Spaans voorzitterschap met de leiding van het Parlement over de modaliteiten van de afronding. De verwachting is dat het Parlement in meerderheid -- ik zeg niet: de liberale fractie of delen daarvan -- voor het akkoord zal zijn. Ik zeg de Kamer toe dat de minister van Justitie haar deze week een brief stuurt over de inhoud en de resultaten. Als het bij de Landbouwraad aan de orde is, kan daarover niet meer met de minister van Justitie van gedachten worden gewisseld, is gesteld.
De Kamer wil weten of er voldoende rekening is gehouden met de rechten en mogelijkheden van een nationaal parlement om zijn stem te laten horen over de inhoud van deze overeenkomst. Van de andere kant moeten wij echter niet, zoals voorgesteld, wachten tot de eerstvolgende JBZ-raad, waardoor die lacune nog langer zou bestaan.
Wat betreft het tweede deel van de motie met de inhoud "verzoekt voorts over de inhoud van dit akkoord de Kamer zo spoedig en volledig mogelijk te informeren en van gedachten te wisselen" zeg ik de Kamer toe dat de minister van Justitie deze week een brief stuurt. Als wij het besluit echter uitstellen tot oktober, zal de Raad met gekwalificeerde meerderheid gewoon zijn gang gaan. Wat willen de indieners nu? Willen zij de mogelijkheid hebben om op basis van de brief van de minister van Justitie het tweede deel van de motie te kunnen uitvoeren of willen zij vasthouden aan het eerste deel? Het eerste verzoek moet ik ten stelligste ontraden. Wat betreft het tweede deel van de motie heb ik reeds een toezegging gedaan.
Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):
Voor zover mijn informatie op dit moment strekt, is de eerstvolgende JBZ-raad op 16 juli, maar wellicht vergis ik me.
Minister Verhagen:
Dat is een informele raad. Daar mogen geen besluiten worden genomen.
Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):
Daarnaast hebben wij als Kamer ingestemd met een onderhandelingsmandaat, maar dat is natuurlijk iets anders dan volledige carte blanche. Als er maandag definitief besloten wordt bij het afhameren in de Landbouwraad, zou je toch mogen verwachten dat de finale tekst nu publiekelijk toegankelijk is. Dat is echter niet het geval. De Europeanen en de Nederlanders, en zeker de vertegenwoordigers in de Kamer, hebben het recht om te weten wat er met de gegevens gebeurt en wat er precies besloten is. Op dit moment, as we speak, wordt er nog onderhandeld.
Minister Verhagen:
Een van de redenen dat de volledige tekst nog niet bekend is, is juist dat er nog onderhandeld wordt. Overigens is er sprake van een volledige parlementaire bevoegdheid, omdat het Europees Parlement hierbij de laatste stem heeft. Het Europees Parlement wees de zaak de vorige keer af en die mogelijkheid bestaat nu nog steeds. Er is wel degelijk sprake van parlementaire controle op besluitvorming ter zake. Het vreemde is natuurlijk dat, als u blokkeert vanuit een nationaal parlement -- de vraag is of dat zou kunnen, want de Raad gaat toch zijn gang omdat er op basis van gekwalificeerde meerderheid wordt besloten -- en daarmee de mogelijkheid wilt ontzeggen om het akkoord aan het Europees Parlement voor te leggen, u ook geen recht doet aan de bevoegdheden die het Europees Parlement heeft. Het Europees Parlement heeft volledige zeggenschap. Er wordt op dit moment onderhandeld met het voorzitterschap over de modaliteiten. Om het Europees Parlement de mogelijkheid tot instemming of afkeuring te geven, hebben wij een besluit van de Raad nodig. Ik vind het dus niet helemaal correct om op twee manieren iets proberen te blokkeren, terwijl normaal gesproken het Europees Parlement er in volledigheid zijn mening over moet kunnen geven.
Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):
Ik vraag de minister de motie nog een keer goed te lezen. Er wordt niets geblokkeerd, maar er wordt gevraagd of hij een en ander wil bevorderen. Het gaat erom dat er rust in het proces wordt gebracht. Wij zijn ontzettend hard van start gegaan. Er ligt nu een belangrijk akkoord. Het Europees Parlement heeft instemmingsrecht in Brussel, maar geen amenderingsrecht. Het gaat erom dat het gemeenschappelijk standpunt, zoals dat wordt ingenomen door de Raad, volledig en juist is, zodat het Europees Parlement zeker gaat instemmen. De Raad koerst nu op een nipte meerderheid of geen meerderheid en dan is de minister nog veel verder van huis.
Minister Verhagen:
Wij hebben op dit punt nu geen behoefte aan rust. Die behoefte is er in andere processen overigens wel, zoals ik al een paar keer uiteengezet heb. Op dit punt geldt dat er door het afwijzen van de interim-overeenkomst geen juridische basis is om gegevens uit te wisselen ten aanzien van iets wat uiterst noodzakelijk is.
Verder heb ik in reactie op het verzoek om de Kamer te informeren reeds gezegd dat zij nog deze week een brief van de minister van Justitie krijgt. Als daarenboven, zoals in de motie wordt gedaan, de regering wordt verzocht er niet aan mee te werken om op de agenda van de Landbouwraad hierover een besluit te nemen en te bevorderen dat het in de eerstvolgende JBZ-raad wordt behandeld, dan wordt het doorgeschoven naar oktober. Dat ontraad ik ten stelligste.
Dit los van het feit dat mevrouw Hennis er niets mee bereikt, want als wij dat doen, worden wij overruled door de rest van de Raad. Het enige wat zij hiermee doet, is de Nederlandse positie beschadigen en een verkeerd signaal uitzenden, terwijl zij er inhoudelijk niets aan verandert. Als zij dat deel van de motie schrapt en op basis van de brief van de minister van Justitie met de minister van Justitie gaat spreken, zijn wij weer terug waar wij moeten zijn. Dan wisselt het nationale parlement namelijk met de Nederlandse regering van gedachten over de vraag of het onderhandelingsmandaat al dan niet juist is gebruikt en laat men het Europees Parlement de bevoegdheden die het al heeft. Ik doe dus een klemmend beroep op de indieners van deze motie om het eerste verzoek aan de regering te schrappen.
De heer Schouw (D66):
Er zijn al heel veel woorden aan gewijd, maar in de kern gaat het volgens mij om het volgende. Hoe gaat deze regering om met het onderhandelingsmandaat dat zij heeft gekregen van deze Kamer? Dat was een breed mandaat. Even los van de casus -- want u hebt helemaal gelijk dat het Europees Parlement hierover beslist -- vind ik dat de Nederlandse regering, al was het maar uit een soort hoffelijkheidsbeweging, altijd deze Kamer zou moeten informeren over het resultaat van het onderhandelingsmandaat dat zij heeft gekregen. Ik ga nu terug naar deze casus. Het onderhandelingsresultaat is nog niet bekend. Het had de regering gesierd als zij zelf het initiatief had genomen om te zeggen: wij kunnen daar maandag eigenlijk niet onze goedkeuring aan verlenen, aangezien wij ons nationale parlement niet kunnen vertellen hoe wij om zijn gegaan met het vertrouwen dat wij van hem hebben gekregen. Dat is ook de belangrijkste reden waarom wij die motie hebben gesteund. Het zou de minister sieren als hij die redenering zou kunnen volgen.
Minister Verhagen:
Ik dank de heer Schouw ervoor dat hij op een constructieve wijze meedenkt. De Nederlandse regering was en is ervan overtuigd dat het resultaat past binnen het onderhandelingsmandaat dat wij geaccordeerd hebben bevonden door het nationale parlement.
Ik treed even niet in wat de minister van Justitie had kunnen doen. Ik heb, gelet op het debat hier, wel toegezegd dat de minister van Justitie deze week een brief zal sturen, waarin hij de Kamer volledig zal informeren. Ik zeg ook toe dat hij de tekst van het akkoord bij deze brief zal voegen, zodat de Kamer er een oordeel over uit kan spreken of onze opvatting dat wij binnen het onderhandelingsmandaat gebleven zijn, door haar wordt gedeeld.
De heer Schouw (D66):
Er komt één principieel puntje achter weg. Dat zou ik graag willen arresteren. Dat is dat de regering in de toekomst en ook ten aanzien van deze casus zou willen afspreken met deze Kamer dat zij in Europees verband niet instemt met zaken als het onderhandelingsresultaat nog onduidelijk is. Als de minister van Justitie ons informeert, moet die informatie niet luiden: de onderhandelingen zijn nog gaande. Die informatie kan alleen maar gaan over het definitieve onderhandelingsresultaat. Dat zou de eerste afspraak kunnen zijn. Verder vraag ik of de minister van Buitenlandse Zaken met ons mee wil denken. Maandag moet er namelijk besloten worden. De minister van Justitie informeert ons morgen. Hoe kunnen wij dan een gesprek met de minister van Justitie voeren over die informatie?
Minister Verhagen:
Vrijdag is een gewone dag. Als u het echt wilt, kunt u dus vrijdag met hem spreken. Ik zal echter navragen of de brief vandaag naar de Kamer kan komen. Dan kunt u desnoods vannacht de minister van Justitie naar de Kamer halen.
Op het eerste deel van het verzoek kan ik geen antwoord geven, om de doodeenvoudige reden dat ik niet weet wat de minister van Justitie met de Kamer heeft afgesproken naar aanleiding van het debat in mei, waarin het akkoord is gegeven voor het onderhandelingsmandaat.
Los daarvan constateer ik dat de vertegenwoordiger van de fractie van D66, die zich in het verleden altijd ten stelligste heeft verzet tegen het introduceren van Deense toestanden, blijkbaar nu een andere opvatting heeft over de precieze rol van de Tweede Kamer versus de ministers.
De heer Schouw (D66):
Ik weet niet waar deze opmerking weer voor nodig is. Volgens mij was mijn punt duidelijk en u knikte ook "ja". Het gaat erom hoe deze regering omgaat met het onderhandelingsmandaat dat zij van deze Kamer heeft gekregen. Volgens mij is dat altijd een heel rechte lijn geweest van D66. Ik snap dat u behoefte hebt aan een sneer, maar dit klopt dus echt niet.
Minister Verhagen:
Nee, het was geen sneer. Het was een ander element, want u stelde …
De voorzitter:
Ik stel voor dat wij het debat via de voorzitter blijven voeren.
Minister Verhagen:
De heer Schouw stelde dat het altijd gaat om "voorafgaand aan". Dat was de referentie aan de Deense toestanden. Daar is blijkbaar nu een andere opvatting over. Dat staat los van de discussie die de minister van Justitie met de Kamer heeft gevoerd, waaraan ik heb gerefereerd. Zoals gezegd: ik zal de minister van Justitie vragen om de Kamer vandaag te informeren en om daarbij ook de tekst van het akkoord te voegen, opdat de Kamer kan beoordelen of onze opvatting dat wij binnen het onderhandelingsmandaat zijn gebleven, gedeeld wordt.
Dan de motie van de heer Braakhuis en anderen over Servië. Ik refereerde daar in mijn eerste termijn al een beetje aan, omdat de heer Braakhuis toen een motie aankondigde. Voor mijn opstelling ten opzichte van Servië heb ik altijd de volledige steun gehad van de fractie van GroenLinks in het nationale parlement. In het Europees Parlement vond men dat ik te terughoudend was ten aanzien van Servië. Lagendijk verweet mij een Alleingang en het blokkeren van besluitvorming die door heel Europa gewenst werd en noodzakelijk werd gevonden om Servië te integreren in het Europese samenwerkingscircuit. Ik ga er dus van uit dat die opvattingen inhoudelijk niet gewijzigd zijn en dat GroenLinks de lijn van de Nederlandse regering op dit punt nog steeds steunt.
De motie vraagt om de Kamer te informeren over de samenwerking en met name over de wijze waarop Servië invulling geeft aan de aanbevelingen van de proceureur-generaal van het Joegoslavië-tribunaal voordat ik het Stabilisatie- en associatieakkoord ter ratificatie aan de Kamer voorleg. Ik zie daarin geen enkel probleem om de doodeenvoudige reden dat ik weliswaar -- naar ik aanneem nog steeds gesteund door GroenLinks -- de stap ter ratificatie zal voortzetten, maar de Kamer bij de aanbieding tegelijkertijd ook zal informeren over de wijze waarop Servië sinds de laatste rapportage van Brammertz invulling heeft gegeven aan die aanbeveling. Als ik de motie zo mag lezen, zal ik haar uiteraard op die wijze uitvoeren. Prima, dank u!
Daarmee ben ik gekomen aan het einde van de beantwoording van de aan mij gestelde vragen.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Er zal aanstaande dinsdag over de moties worden gestemd. Ik denk dat wij straks bij de regeling van werkzaamheden terugkomen op het punt van de aangekondigde brief van de minister van Justitie en het eventueel nog vandaag voeren van een debat. Ik hoop dat de woordvoerders dit hebben gehoord.
De vergadering wordt van 14.05 uur tot 14.40 uur geschorst.
De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.
Regeling van werkzaamheden
De voorzitter:
Op verzoek van de aanvragers stel ik voor, het spoeddebat over mogelijke wachtlijsten voor het pgb alsmede het spoeddebat over een eerder verzoek van de NAVO voor het leveren van trainers buiten Uruzgan van de agenda af te voeren.
Ik stel voor, toe te voegen aan de agenda van volgende week:
- het debat over de Voorjaarsnota 2010 met de volgende spreektijden: 12 minuten voor de fracties van de VVD en de PvdA, 10 minuten voor de fracties van de PVV en het CDA, 7 minuten voor de fracties van de SP, D66 en GroenLinks, 5 minuten voor de fracties van de ChristenUnie, het SGP en de PvdD;
- de suppletoire begrotingen naar aanleiding van de Voorjaarsnota.
Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.
De voorzitter:
Op verzoek van de PvdA-fractie benoem ik:
- in de Tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel het lid Vermeij tot lid in de bestaande vacature.
Op verzoek van de D66-fractie benoem ik:
- in de vaste commissie voor Justitie het lid Schouw tot lid in plaats van het lid Pechtold en het lid Berndsen-Jansen tot lid in de bestaande vacature;
in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken het lid Schouw tot lid in plaats van het lid Pechtold en het lid Berndsen-Jansen tot lid in de bestaande vacature en het lid Pechtold tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Van der Ham;
- in de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het lid Van der Ham tot lid in plaats van het lid Pechtold en het lid Dijkstra tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken het lid Hachchi tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken het lid Van Veldhoven-van der Meer tot lid en het lid Hachchi tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Defensie het lid Berndsen-Jansen tot lid in plaats van het lid Pechtold en het lid Hachchi tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het lid Van Veldhoven-van der Meer tot lid in plaats van het lid Van der Ham en het lid Verhoeven tot lid en het lid Koolmees tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacatures;
- in de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat het lid Koolmees tot lid in plaats van het lid Van der Ham en het lid Verhoeven tot lid in de bestaande vacatures;
- in de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het lid Van Veldhoven-van der Meer tot lid in plaats van het lid Van der Ham en het lid Verhoeven tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Europese Zaken het lid Schouw tot lid in plaats van het lid Pechtold en het lid Hachchi tot lid in de bestaande vacature;
- in de algemene commissie voor Wonen Wijken en Integratie het lid Koolmees tot lid in plaats van het lid Van der Ham en het lid Verhoeven tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Financiën het lid Koolmees tot lid in plaats van het lid Koºer Kaya en lid Verhoeven tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Economische Zaken het lid Van Veldhoven-van der Meer tot lid in plaats van het lid Van der Ham en het lid Verhoeven tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het lid Dijkstra tot lid in de bestaande vacature en het lid Van der Ham tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Pechtold;
- in de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport het lid Dijkstra tot lid in plaats van het lid Koºer Kaya en het lid Van der Ham tot lid in de bestaande vacature en het lid Koºer Kaya tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Van der Ham;
- in de algemene commissie voor Jeugd en Gezin het lid Van der Ham tot lid in plaats van het lid Koºer Kaya en het lid Dijkstra tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor de Rijksuitgaven het lid Koolmees tot lid in plaats van het lid Koºer Kaya;
- in de Commissie voor de Werkwijze het lid Schouw tot lid in plaats van het lid Van der Ham.
Op verzoek van de fractie ChristenUnie benoem ik:
- in de vaste commissie voor Justitie het lid Rouvoet tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het lid Slob tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het lid Slob tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat het lid Slob tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het lid Wiegman-van Meppelen Scheppink tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor Financiën het lid Rouvoet tot lid in de bestaande vacature;
- in de vaste commissie voor de Rijksuitgaven het lid Rouvoet tot lid in de bestaande vacature.
Voorts deel ik mede dat ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement van Orde voor de volgende moties de termijnen zijn vervallen: 31954, nr. 26, 29684, nr. 80 en 28684, nr. 270.
Ik stel voor, toe te voegen aan de agenda van heden het VAO Landbouwraad, inclusief stemmingen, met als eerste spreker het lid Ouwehand van de Partij voor de Dieren.
Verder stel ik voor, toe te voegen aan de agenda van hedenavond het VAO Kinderopvangtoeslag, met als eerste spreker het lid Van Gent.
Ik stel voor, aan de agenda van volgende week toe te voegen het VAO Fietsen, met als eerste spreker het lid De Rouwe van de fractie van het CDA.
Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Agema.
Mevrouw Agema (PVV):
Voorzitter. Dementerende bewoners van een verpleeghuis in Warmond krijgen vanaf 1 juli limonade in plaats van soep, terwijl de bestuurders vertrokken zijn met 7 ton aan vertrekbonussen. Dat vinden wij zo schandalig dat wij daarover graag een spoeddebat willen voeren.
Mevrouw Leijten (SP):
Ik steun dit graag. Bovendien verzoek ik om de antwoorden op de schriftelijke vragen over deze vertrekbonus die ik eerder heb gesteld, ter beschikking te hebben, zodat wij die kunnen betrekken bij het debat.
De voorzitter:
Het woord is aan..., ik heb een totale black out qua namen. Mevrouw Van Toorenburg, ik geef u het woord!
Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik wou u even laten bungelen, mijnheer de voorzitter!
Dit soort berichten is altijd schokkend. Wij krijgen graag een brief van het kabinet om na te gaan wat hier aan de hand is.
De voorzitter:
Mevrouw Agema, u heeft voldoende steun voor een spoeddebat. Wij zullen het proberen toe te voegen aan de agenda van volgende week.
Mevrouw Agema (PVV):
Deze maatregel gaat per 1 juli in. Mijn verzoek is om het spoeddebat voor die tijd te plannen, als dat mogelijk is.
De voorzitter:
Wij zullen het proberen. Het stenogram van dit gedeelte van de vergadering zal worden doorgeleid naar het kabinet.
Landbouw- en Visserijraad
Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 24 juni 2010 over de Landbouw- en Visserijraad.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Er zijn al twintig jaar afspraken over de walvisjacht, namelijk dat wij die niet meer doen. Al twintig jaar houdt Japan zich daar niet aan. Het daartoe opgerichte comité is tot nu toe niet in staat gebleken om de afspraken te handhaven. Nederland vindt echter dat er een einde moet komen aan de walvisjacht. Australië daagt Japan voor de rechter om een einde te maken aan die illegale walvisjacht. Wat is er in dit kader zinniger dan dit initiatief openlijk en publiekelijk te steunen? Waarom doet dit demissionaire kabinet wel een persbericht uitgaan over het aanpakken van de actievoerders tegen de walvisjacht -- terwijl dit onderwerp controversieel is verklaard -- en geen persbericht over het feit dat wij het initiatief van Australië prachtig vinden? Dit is een principiële zaak. Als je van de walvisjacht af wilt, moet je initiatieven die daartoe leiden, voluit ondersteunen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Australië bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag een aanklacht heeft ingediend tegen Japan vanwege haar illegale walvisjacht;
overwegende dat de Internationale Walviscommissie (IWC) tot nu toe niet in staat is gebleken de afspraken over de bescherming van de walvis daadwerkelijk te handhaven, dat Japan het moratorium op de walvisjacht al decennialang structureel schendt en dat het overleg over de walvisjacht zich inmiddels in een impasse bevindt;
van mening dat, mede gelet op het officiële Nederlandse standpunt over de walvisjacht, initiatieven zoals die van Australië, waarmee getracht wordt de illegale jacht op walvissen daadwerkelijk te beëindigen, de volle en openlijke steun verdienen van ons land;
verzoekt de regering om middels een brief aan de Australische regering haar duidelijke steun uit te spreken voor het initiatief om Japan voor het Internationaal Gerechtshof te dagen inzake de illegale walvisjacht;
verzoekt de regering, de Australische regering daarbij te laten weten dat Nederland van harte bereid is waar nodig hulp en ondersteuning te bieden bij het proces,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 402 (21501-32).
Mevrouw Jacobi (PvdA):
Wij hebben vanmorgen uitvoerig en meerdermalen over dit onderwerp gediscussieerd. Wij zijn allemaal blij met de inzet van onze minister op dit dossier. Over de motie niets dan goeds, behalve als het gaat over de brief. Wij hebben vanmorgen van de minister gehoord dat zij er alles aan doet in haar contacten met Australië. Mevrouw Ouwehand weet dat haar motie niet wordt gesteund door de andere partijen. Dit soort getuigenispolitiek ergert mij dan ook. Ik snap de stampvoetende opstelling van mevrouw Ouwehand niet. Wat is volgens haar de meerwaarde van het indienen van een motie die het niet gaat halen?
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben verbaasd over de ergernis van mevrouw Jacobi. Japan schendt jaar na jaar na jaar na jaar het moratorium. Het wordt dus eens tijd voor actie. Als een land het lef heeft om naar het Internationaal Gerechtshof te stappen, vind ik dat de andere landen die tegen de walvisjacht zijn dat land publiekelijk en voluit moeten steunen. De minister heeft alleen bilateraal tegen Australië gezegd dat het best een goed idee is. In de brief aan de Kamer schrijft zij dat het haar goed lijkt als er straks een uitspraak ligt. Dat is niet genoeg. Wij zijn het er allen over eens dat wij harder moeten optreden tegen Japan. Ik vraag mevrouw Jacobi wanneer wij dat eens gaan doen.
Mevrouw Jacobi (PvdA):
Dat is een mooie vraag van mevrouw Ouwehand. Volgens mij zijn wij al lange tijd bezig om de walvisjacht uit de wereld te helpen en om de walvis te redden. Zij doet nu echter alsof de brief dat alsnog gaat doen. Dat is echter absoluut niet aan de orde. Wij moeten dan ook betere maatregelen zoeken dan de maatregel die mevrouw Ouwehand te berde brengt.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Het is misschien flauw om in wedervragen te vervallen, maar ik wil dan weleens horen wat de PvdA-fractie heeft voorgesteld over hoe de rug recht te houden tegenover Japan. Het is immers alleen maar pappen en nathouden als het om de walvisjacht gaat. Er moet duidelijk een schepje bovenop. De strijd van de afgelopen twintig jaar heeft tot nu toe nog geen walvis gered.
Minister Verburg:
: Voorzitter. Wij hebben hierover vanmorgen uitvoerig gesproken. Ik heb op herhaald verzoek van mevrouw Ouwehand aangegeven dat de procedure al zo'n anderhalf jaar wordt voorbereid. Die procedure loopt in goed overleg en in goede afstemming met Nederland. Wij steunen Australië van harte en dat weet het ook. Australië kan elk moment, "day by day", een beroep op ons doen. Wij trekken ook samen op in de IWC. Mij doet de gevraagde brief denken aan het volgende. Neem iemand die al een tijdlang een geliefde heeft. Stel dat het mevrouw Ouwehand betreft. Die geliefde zegt: schat, ik houd al anderhalf jaar van je. Mevrouw Ouwehand vraagt vervolgens om dat schriftelijk te bevestigen. Met een brief redden wij geen walvis extra. Ik ben het er zeer mee eens dat Japan moet worden aangepakt. Daar is de Kamer het ook mee eens. Ik heb de waardering van de Kamer hierover vanochtend ook tot mij mogen nemen. Ik ontraad echter deze motie. Hier schiet niemand iets mee op.
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De minister heeft misschien niet zoveel ervaring met liefdesbriefjes. Die kunnen immers heel leuk zijn, weet ik uit eigen ervaring. Dit is echter een principiële zaak. Laten wij helder zijn. Het gaat erom dat dit kabinet persberichten uit laat gaan over wetswijzigingen om actievoerders aan te kunnen pakken, waar het niet eens aan mag beginnen omdat die door de Kamer controversieel zijn verklaard.
Daarover kunnen wel persberichten worden uitgezonden, maar een persbericht "Nederland steunt het initiatief van Australië" kan niet. Een persbericht is toch iets anders dan bilateraal even in een achterkamertje zeggen "best een goed idee wat je daar doet". Het is een signaal. Het is belangrijk dat de Nederlandse regering zich openlijk uitspreekt. Ik baal ervan -- dat zeg ik maar rustig -- dat wij wel iedere keer als Japan om de hoek komt kijken, persberichten uitdoen waarin staat dat wij de actievoerders zullen aanpakken. Zo werkt het immers. Japan klaagt over Sea Sheperd en Nederland zegt daar gaan wij snel iets aan doen, maar er komt geen openlijke steunbetuiging aan Australië. Dat zou een signaal zijn en daar is het naar mijn mening tijd voor.
Minister Verburg:
Dit is allemaal vanochtend al gewisseld. Kortom, het is oude koek. Ik heb gezegd dat wij Australië steunen, maar blijkbaar zit mevrouw Ouwehand iets anders dwars en is dat de reden dat zij dit nu wil afdwingen. Hier wordt geen walvis mee gered en Australië wordt hier ook niet wijzer van. Australië en andere walvisbeschermende landen weten waar Nederland voor staat; wij maken dat een en andermaal duidelijk. Wij maken constructieve plannen en zoeken oplossingen en deze brief voegt daar niets aan toe. Kortom, ik ontraad de aanneming van deze motie.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij stemmen om half vier.
De vergadering wordt van 14.55 uur tot 15.30 uur geschorst.
Voorzitter:
Verbeet
Stemmingen toelating en uitzetting BES
Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet toelating en uitzetting BES (32282),
en over:
- de motie-De Krom c.s. over aanhouden van het wetsvoorstel (32282, nr. 13);
- de motie-Brinkman over maatregelen tegen een verkapt generaal pardon van Curaçao en Sint-Maarten (32282, nr. 14);
- de motie-Brinkman over opsporen van illegalen op de BES-eilanden voordat deze bij Nederland worden gevoegd (32282, nr. 15);
- de motie-Brinkman over beëindigen van de strenge toelatings- en verblijfseisen op de Nederlandse Antillen en Aruba voor Europese Nederlanders (32282, nr. 16).
(Zie vergadering van 23 juni 2010.)
De voorzitter:
Aangezien de motie-De Krom c.s. (32282, nr. 13) vraagt om aanhouding van het wetsvoorstel, zal er eerst worden gestemd over deze motie alvorens er wordt gestemd over het wetsvoorstel en de overige moties.
In stemming komt de motie-De Krom c.s. (32282, nr. 13).
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de SP, de VVD en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
De artikelen I t/m IV en de beweegreden worden zonder stemming aangenomen.
In stemming komt het wetsvoorstel.
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks, D66, de PvdD, de ChristenUnie, de SGP en het CDA voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.
In stemming komt de motie-Brinkman (32282, nr. 14).
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD, de SGP en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Brinkman (32282, nr. 15).
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
In stemming komt de motie-Brinkman (32282, nr. 16).
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD, de SGP en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Stemmingen Landbouwraad
Aan de orde zijn de stemmingen over een motie, ingediend bij het debat over de Landbouwraad,
te weten:
- de motie-Ouwehand over steun aan het initiatief om Japan voor het Internationaal Gerechtshof te dagen inzake de illegale walvisjacht (21501-32, nr. 402).
(Zie vergadering van heden.)
In stemming komt de motie-Ouwehand (21501-32, nr. 402).
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de SP, GroenLinks en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.
Stemmingen Europese Top
Aan de orde zijn de stemmingen over een motie, ingediend bij het debat over de Europese Top,
te weten:
- de motie-Hennis-Plasschaert c.s. over de behandeling van het zogenoemde SWIFT-akkoord tijdens de eerstvolgende JBZ Raad (21501-20, nr. 476).
(Zie vergadering van heden.)
De voorzitter:
De motie-Hennis-Plasschaert c.s. (21501-20, nr. 476) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Spaanse voorzitterschap heeft besloten, het onderhandelingsresultaat tussen de VS en de EU betreffende het zogenoemde SWIFT-akkoord toe te voegen als een A-punt aan de agenda van de Landbouw- en Visserijraad;
verzoekt de regering, bij het EU-voorzitterschap te bevorderen dat dit akkoord tijdens de eerstvolgende JBZ-Raad wordt behandeld, tenzij er eerder sprake is van een politiek akkoord tussen Raad en Europees Parlement, en
verzoekt voorts, over de inhoud van dit akkoord de Kamer zo spoedig en volledig mogelijk te informeren en van gedachten te wisselen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Naar mij blijkt, wordt de indiening van deze gewijzigde motie voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 402 (21501-20).
De gewijzigde motie is reeds rondgedeeld. Ik neem aan dat wij daar nu over kunnen stemmen.
In stemming komt de gewijzigde motie-Hennis-Plasschaert c.s. (21501-20, nr. 402).
De voorzitter:
Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, D66, de PvdD, de VVD, de ChristenUnie en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de aanwezige leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Kraakwet
Aan de orde is het debat over de uitvoering van de zogenaamde Kraakwet.
De voorzitter:
Ik wil hier niemand zijn of haar finest hour op welke manier dan ook belemmeren, maar er zijn leden die mij op de een of andere manier gevraagd hebben of met het oog op iets (ik weet niet wat, maar er schijnt vanavond iets aan de hand te zijn) de onderwerpen in een rap tempo behandeld kunnen worden. Maar ja, daar gaat u allemaal zelf over; u kent mijn standpunt daarover. Wel gaan wij ons best doen.
De spreektijd voor dit onderwerp is vastgesteld op 4 minuten. Ik vraag u allen om ook aan uw collega's te denken die volgens het vergaderschema later hun bijdrage aan het debat zullen leveren.
De heer Slob (ChristenUnie):
Mevrouw de voorzitter. Dank u wel voor het snel agenderen van dit onderwerp naar aanleiding van mijn aanvraag afgelopen dinsdag van een "gewoon" debat. Dit werd toch heel spoedig op de agenda geplaatst. Misschien is dit wel de manier om een spoeddebat snel op de agenda geplaatst te krijgen.
Dit onderwerp is geagendeerd als "zgn." Kraakwet, maar het betreft gewoon de initiatiefwet Kraken en leegstand, die zeer uitvoerig is besproken in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Volgens mij is de inhoud van die wet helder; de wet stelt namelijk een heel duidelijke norm: algeheel kraakverbod waarmee het eigendomsrecht beschermd wordt; daarnaast krijgen gemeenten aanvullende instrumenten om het leegstandbeleid verder op te pakken. Dit laatste is ook nodig, want het kan niet zo zijn dat panden ongewild heel lang leeg blijven staan. Er mag dan ook best wel enige druk worden uitgeoefend om die panden een goede bestemming te geven, maar dat moet wel gebeuren op een democratisch gelegitimeerde wijze.
Het debat over deze wet is zowel in beide Kamers als in de samenleving geweest. Er waren voor- en tegenstanders; meer "smaken" leken er niet echt te zijn. Uiteindelijk is, zoals het hoort, over het wetsvoorstel gestemd. Zowel in de Tweede als de Eerste Kamer heeft dit wetsvoorstel uiteindelijk een meerderheid "gekregen". Daardoor konden wij ernaar uitzien dat dit wetsvoorstel 1 oktober aanstaande ook officieel wet zou zijn. Er was en is sprake van voorbereiding met het oog op de inwerkingtreding van deze wet door alle betrokkenen bij de uitvoering en de handhaving van de wet, zoals het hoort bij een democratisch tot stand gekomen wetgeving.
Nu moeten alle verantwoordelijken die betrokken zijn bij de uitvoering en de handhaving van de wet ook in beweging komen. Daarom was bij ons verbazing over uitspraken van een woordvoerder van het College van procureurs-generaal, waarin werd aangegeven dat het beleid inzake kraken, ook na aanneming van dit wetsvoorstel, niet gewijzigd zou worden. Er was sprake van verbazing bij ons, omdat je zo niet omgaat met democratisch tot stand gekomen wetgeving, alsook vanwege de uitspraken van de minister van Justitie bij de behandeling van het wetsvoorstel. Hij zei namelijk in beide Kamers dat stapsgewijs zou worden gegaan naar een striktere handhaving. De minister heeft ook letterlijk in de Tweede Kamer gezegd: als de wetgever in een initiatiefvoorstel nota bene tot de conclusie komt dat iets strafbaar gesteld moet worden, zal het Openbaar Ministerie dat uiteraard de vereiste prioriteit geven. Dit staat toch wel enigszins op gespannen voet met de uitspraken van die woordvoerder.
Ongeveer een half uur geleden heb ik de brief van de minister ontvangen, waarin hij aangeeft dat het niet waar is dat het Openbaar Ministerie niet verder met deze wet aan de slag zou gaan, om het zo maar even kort samen te vatten. Kan ik hier de conclusie aan verbinden dat óf de voorlichter van het College van procureurs-generaal op persoonlijke titel heeft gesproken óf dat deze uitspraak is teruggenomen en dat nu gewoon gehandeld wordt conform de wijze die de minister van Justitie in de Kamers heeft aangegeven waarop met deze wet zal worden omgegaan? Ik acht het van belang om hierover echt strikte duidelijkheid te krijgen.
Over het volgende dient ook duidelijkheid te komen bij heel veel Nederlandse gemeenten die nu ook met deze wet aan de slag moeten. Ik moet zeggen dat mijn fractie het betreurt dat gemeentebesturen met in de gemeenteraden een meerderheid van partijen die behoren tot de partijen die in de Kamers tegen de wet gestemd hebben, zich nu ook weer heel nadrukkelijk tegen deze wet uitspreken. Het gaat zelfs zo ver dat bij de gemeente Utrecht een motie van de fractie van GroenLinks is aangenomen, terwijl de wet al van kracht is, waarin staat dat het college van burgemeester en wethouders zich moet uitspreken tegen het kraakverbod.
Het is heel vreemd -- want de wet is inmiddels al gewoon aangenomen -- dat je een eigen keuze maakt. Met betrekking tot het leegstandsbeleid is het iets anders hoe je met de wet omgaat. Dat staat ook al in de motie, maar je uitspreken tegen een op democratisch tot stand gekomen wet is uitermate vreemd. Ik vraag de minister ook om mee te nemen - al is dit niet zijn hoedanigheid als minister van Justitie en van Binnenlandse Zaken - dat er nog wat missiewerk moet worden verricht richting deze gemeenten. Het kan niet zo zijn dat gemeenten zich blijven verschuilen achter de rug van krakers als het gaat om leegstand. Men zal gewoon zelf in beweging moeten komen en dat kan. Je kunt een democratisch gelegitimeerd leegstandsbeleid voeren en leegstand, die natuurlijk ook slecht is, aanpakken met de aanvullende instrumenten, zoals die in de nieuwe wetgeving naar de gemeenten toe zijn gegaan. Laten wij met elkaar proberen om op een reële wijze -- voorzichtig ook iets opbouwend, want natuurlijk moet er even een overgangsperiode zijn -- ervoor te zorgen dat deze wet ook daadwerkelijk wet is en dat wij iets doen aan het grote probleem, zowel van het kraken als van de leegstand in Nederland.
De heer Jansen (SP):
De heer Slob hecht eraan dat een democratisch aangenomen wet wordt uitgevoerd. Dat kan ik heel goed begrijpen. Die wet heeft twee componenten, namelijk het strafbaar maken en vervolgen van kraken en het aanpakken van leegstand. Is de heer Slob van mening dat alle partijen, ook bij de lagere overheden, ook aan dat andere deel actief invulling moeten geven?
De heer Slob (ChristenUnie):
Het zal denk ik geen verbazing wekken dat ik het fijn zou vinden als gemeenten de aanvullende mogelijkheden die zij krijgen om leegstand aan te pakken ook oppakken en daarmee aan de slag gaan. U weet met mij dat wij dat niet voor alle gemeenten verplicht hebben gesteld omdat er ook nogal wat gemeenten zijn waar het kraken zich helemaal niet voordoet. Dan zou het vreemd zijn als wij hen zouden gaan verplichten om met verordeningen en dergelijke te komen als dat in hun situatie niet relevant is. Wij hebben daarvoor de kan-bepaling in de wet opgenomen. Men mag hierin dus een eigen afweging maken. Maar iets anders is, wat wij nu zien gebeuren, dat gemeenten gewoon de wet verwerpen en hun college oproepen om zich uit te spreken tegen een wet die gewoon op democratische wijze tot stand is gekomen. Zo gaan wij in Nederland niet met wetgeving om. Dat is ook in strijd met de funderingen van onze democratische rechtsstaat.
De heer Jansen (SP):
Dat vind ik ook, dus daarover ben ik het met u eens. Maar ik constateer dat bijvoorbeeld in de gemeente Vlaardingen de collegepartijen ChristenUnie en VVD, mede-indieners van dit wetsvoorstel dat inmiddels wet is geworden, niet bereid zijn om zelfs maar te gaan onderzoeken of leegstand een probleem is, als eerste stapje naar een mogelijke aanpak van die leegstand. Vindt u dat verstandig van uw partijgenoten?
De heer Slob (ChristenUnie):
Wij hebben ook in de debatten, zowel in de Tweede Kamer als n de Eerste Kamer, aangegeven dat wij ook de verschillende verantwoordelijkheden die de overheden hebben willen respecteren. Dat was dus ook een reden voor ons om, ook vanwege het feit dat niet iedereen zo'n verordening hoeft te hebben, de afwegingen die daarover moeten worden gemaakt op die plek te laten liggen waar zij horen.
De heer Jansen (SP):
Maar zelfs onderzoek vindt u niet nodig in zo'n situatie?
De heer Slob (ChristenUnie):
Ik behoor niet tot een partij die van bovenaf oplegt aan lokale bestuurders wat zij moeten doen. Zij mogen dus hun eigen afwegingen maken. Ik weet niet hoe dat bij de SP geregeld is, maar het is een eigen afweging die zij moeten maken. Dat moet je ook respecteren. Het zou fijn zijn als mogelijkheden die zij krijgen ook worden gebruikt.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Betekent dit dan dat als gemeenten zouden zeggen: wij leggen een lagere prioriteit bij het uitvoeren van de antikraakwet, u dan zegt dat u dat respecteert?
De heer Slob (ChristenUnie):
Als het gaat om het hele opsporings- en vervolgingsverhaal is dat natuurlijk een verantwoordelijkheid die via de justitiële weg moet worden gevoerd en iets wat uiteindelijk ook in een lokale driehoek aan de orde moet komen. Daar worden de prioriteiten gesteld. Het opportuniteitsbeginsel is daarin leidend, zoals wij ook uitvoerig hebben besproken bij de behandeling van het wetsvoorstel. Als het om het leegstandsbeleid gaat, is dat een keuze die de gemeenten zelf mogen maken. Ik zou het zelf zeer betreuren, als je nu aanvullende instrumenten krijgt om op een democratisch gelegitimeerde wijze heel actief leegstandsbeleid te voeren, dat gemeenten zeggen: daarvan maken wij geen gebruik, want wij vinden dat kraken eigenlijk wel makkelijk, de krakers lossen dat probleem voor ons op. Niet de straat, maar de staat moet hier bepalen hoe wij hiermee omgaan. Daarvoor biedt ons wetsvoorstel ook duidelijk alle mogelijkheden.
De voorzitter:
Wij gaan nu luisteren naar mevrouw Helder van de PVV. Wij hebben daarbij te maken met een maiden speech. Na de inbreng van mevrouw Helder zullen wij de vergadering even schorsen opdat wij haar kunnen feliciteren. U mag haar niet interrumperen, maar dat wist u allemaal al.
Mevrouw Helder, ik zou zeggen: geniet ervan.
Mevrouw Helder (PVV):
Ik doe mijn best.
Voorzitter. Dit is echter niet mijn eerste maiden speech. Toen ik in 2004 bij een advocatenkantoor ging werken, was het ook al raak. Ook daar was het gebruikelijk dat je als nieuweling een speech hield. Voor mij was dat toen heel gemakkelijk want ik werkte er al een jaar toen ik die speech pas hoefde te houden. Op dat moment had ik alle blunders van collega's genoteerd. Ik heb deze in mijn speech gewerkt. Voor de volledigheid voeg ik hieraan toe dat ik er daarna nog twee jaar met veel plezier heb gewerkt. Het is mij dus niet aangerekend.
In dit geval zal het echter zeker anders zijn. Als kersvers volksvertegenwoordiger kan ik mij niet alleen geen blunders veroorloven, maar ook kijk ik met ontzag naar alle Kamerleden en naar u als herkozen voorzitter. Ik kijk uit naar mooie, maar wel scherpe debatten. Ik ben van plan om mijn uiterste best te gaan doen om de rol van volksvertegenwoordiger zo goed mogelijk te gaan vervullen. Kijkend naar mijn fractie met al die enthousiaste mensen, mag dat geen enkele moeite kosten.
Kern van het debat van vandaag is de weigering van het college van procureurs-generaal om het kraakverbod te gaan handhaven. Het college heeft bij monde van een woordvoerder laten weten niet te zullen gaan ontruimen voor leegstand. Om even iemand te citeren: veel gekker moet het niet worden! Het mag niet zo zijn dat een aangenomen wet zo eenvoudig terzijde wordt geschoven. Het is niet aan het college om te bepalen dat leegstand erger zou zijn dan het in bezit nemen van de woning van iemand anders. Ik wil daarvan een voorbeeld geven. Als je woning er wat onvolkomen uit ziet en men denkt dat je er al langer dan een jaar niet meer woont, staat het een ander vrij om die woning te kraken. Aangezien de strafrechtelijke weg onder de huidige wetgeving dan is afgesloten, moet je als eigenaar zelf een procedure starten om de krakers er uit te laten zetten. Dit met alle risico's en bijkomende kosten van een procedure. Het zal je maar gebeuren. Dit kan vanzelfsprekend niet! Het toe-eigenen van andermans eigendom is gewoon strafbaar, of het nu om een auto, een huis of een rolletje drop gaat.
De PVV-fractie heeft het kraakverbod, en uiteindelijk dus de wet, daarom gesteund nadat de strafmaat op het kraken naar boven was bijgesteld. Dat is terecht. Deze wet is een belangrijke overwinning voor het eigendomsrecht. En nu zou dit alles voor niets zijn geweest? En dat simpelweg door de weigering van het college van procureurs-generaal om het kraakverbod te gaan handhaven?
Tijdens de behandeling van het wetsontwerp heeft de minister gesteld dat de uitvoering van deze wet op een zorgvuldige wijze door het openbaar ministerie ter hand zou worden genomen.
Ik hoor dan ook graag van de minister hoe hij ervoor gaat zorgen dat het college het handhaven van het kraakverbod alsnog tot prioriteit zal bestempelen. Als dat te veel is gevraagd, dan hoor ik graag van de minister hoe hij ervoor gaat zorgen dat het college het kraakverbod in ieder geval gaat handhaven. Wat betreft de brief van het kabinet sluit ik aan bij mijn voorganger, collega Slob. Ik vraag mij ook af of de woordvoerder op persoonlijke titel heeft gesproken, of dat hij voor zijn beurt heeft gesproken. Graag opheldering daarover.
Gemeenten als Utrecht en Amsterdam hebben al aangegeven dat het handhaven van het kraakverbod te veel beslag zal leggen op de politie. De mankracht die ervoor nodig zou zijn om het kraakverbod te handhaven, zou niet meer beschikbaar zijn voor het vangen van boeven. Daargelaten dat krakers volgens de PVV-fractie ook gewoon boeven zijn, geldt dat die mankracht er dan maar moet komen. Niet voor niets wil de PVV 900 mln. uittrekken voor het uitbreiden van de politie met maar liefst 10.000 politieagenten. Graag hoor ik van de minister of hij het eens is met de gemeenten Amsterdam en Utrecht dat het te veel mankracht zou vergen om het kraakverbod te handhaven. Zo ja, dan krijg ik graag antwoord op de vraag hoe dit zo snel mogelijk wordt opgelost.
De nieuwe Kraakwet staat als een huis. Nu de fundering van de uitvoering nog even leggen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik heb de eer om u als eerste te feliciteren. Van harte gefeliciteerd.
(applaus)
De voorzitter:
Het zag eruit alsof u hier al veel vaker hebt gestaan, maar dat kwam natuurlijk door de vorige maidenspeech.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Wij hebben met de andere leden die hun maidenspeech houden afgesproken dat wij aan het einde van de inbreng in eerste termijn van de kant van de Kamer weer schorsen voor een ronde felicitaties.
Het woord is aan mevrouw Van der Burg.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Voorzitter. Op 1 juni heeft in navolging van de Tweede Kamer ook de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel tegen kraken en leegstand, een historisch moment. Het kraakverbod is een feit. Ook de leegstand kan daadwerkelijk aangepakt worden. Een moment waarop de wetgever een einde heeft gemaakt aan de aantasting van het eigendomsrecht. Een moment ook waarop een einde is gemaakt aan het recht in eigen hand nemen door één groep in de samenleving: de krakers. En een moment waarop eindelijk een einde is gekomen aan een van de overblijfselen uit het tijdperk-Den Uyl, namelijk het gedogen. Een fantastisch moment.
Je maakt een wet om deze te laten uitvoeren en handhaven. Na inwerkingtreding van deze nieuwe wet kunnen burgemeesters, wethouders, gemeenteraadsleden en wellicht ook het College van procureurs-generaal niet net doen alsof de werkelijkheid niet veranderd is. Dit debat dient om alle verwarring die gezaaid is, weg te nemen en heel duidelijk te krijgen dat deze wet gehandhaafd wordt en wie daarvoor verantwoordelijk is. Daarover bestaan immers ook misverstanden.
De minister van Justitie heeft als adviseur van de initiatiefnemers Ten Hoopen, Slob en ondergetekende op diverse momenten in de Eerste en Tweede Kamer duidelijke taal gesproken. Zo zei minister Hirsch Ballin op 14 oktober in de Tweede Kamer: "Maar het uitgangspunt is, zoals ik ook in de eerste termijn duidelijk heb gezegd, dat als wij een verbod instellen, de lijn uiteraard is dat het gehandhaafd moet worden". Ook zei de minister dat het Openbaar Ministerie dit in eigen verantwoordelijkheid doet, dat er driehoeksoverleg is over de prioriteitsstelling en dat het Openbaar Ministerie niet gebonden is aan gemeentelijke beoordelingen. Het is belangrijk om dit hier te vermelden. Tot slot zei de minister: "Als de wetgever in een initiatiefwetsvoorstel nota bene tot de conclusie komt dat iets strafbaar moet worden gesteld, dan zal het Openbaar Ministerie dat uiteraard ook de vereiste prioriteit geven".
Vandaag wil de VVD-fractie duidelijkheid over de volgende zaken. Ten eerste. Heeft de woordvoerder van het College van procureurs-generaal daadwerkelijk namens dit college gezegd dat "het Openbaar Ministerie zijn vervolgingsbeleid jegens krakers niet verandert, ondanks de nieuwe antikraakwet"? In de brief die de minister ons net heeft gestuurd, staat dat dit niet het geval is. Ik wil dat hier bevestigd hebben. Ik wil ook weten hoe de woordvoerder tot dit soort conclusies en uitspraken kan komen en wat hieraan gebeurt. Dit leidt immers tot enorm veel verwarring in de maatschappij en daar zijn wij niet bij gebaat.
Ten tweede. Treedt de nieuwe antikraakwet op 1 oktober 2010 in werking of eerder? Daar was nog onduidelijkheid over bij de behandeling in de Eerste Kamer.
Ten derde. Is de minister van Justitie het met de VVD-fractie eens dat burgemeesters, wethouders, gemeenteraadsleden en andere rechtshandhavers een volstrekt verkeerd signaal naar de burger afgeven als zij zeggen te vinden dat een democratisch tot stand gekomen wet niet gehandhaafd of slecht gehandhaafd moet worden? Is de minister van Justitie net als de VVD-fractie van mening dat deze burgemeesters, wethouders en gemeenteraadsleden hiermee aanschurken tegen de rechtsstaat? Kan de minister van Justitie in dit huis van de democratie eens uitleggen wat dit betekent voor diezelfde rechtsstaat nadat er uitgebreid is gedebatteerd in deze twee Kamers van de Staten-Generaal over een wet die vervolgens bij meerderheid is aangenomen?
Tot slot wil ik de leiders en de woordvoerders van de partijen in deze Kamer die moties aannemen om deze wet niet of slecht te handhaven vragen om aan hun collega's in het land de oproep te doen om zich te houden aan een met meerderheid aangenomen wet en de handhaving daarvan in acht te nemen. Het kan toch niet zo zijn dat deze partijen het adagium van het boek Animal Farm hanteren, namelijk "some are more equal than others", en zich hiermee boven de rechtsstaat plaatsen?
Voorzitter, ik had het eigenlijk aan het begin moeten doen, maar nu zou ik mevrouw Helder graag willen feliciteren met haar prachtige maidenspeech, die mij als initiatiefnemer van het wetsvoorstel uiteraard uit het hart gegrepen is. Ik zou haar heel veel succes willen wensen met haar carrière in deze Kamer.
De heer Jansen (SP):
Mevrouw Van der Burg kwam met een citaat van George Orwell. Je moet sommige wetten niet méér handhaven dan andere, zo zei zij. Doet zij echter niet precies het omgekeerde? Eist zij met andere woorden niet dat juist deze wet extra wordt gehandhaafd, nog meer dan andere wetten, terwijl het misschien zo is dat de maatschappelijke ellende, veroorzaakt door het niet handhaven van andere wetten, nog veel groter is?
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Nee. Als een wet na uitgebreide Kamerdebatten met een meerderheid in beide Kamers der Staten-Generaal is aangenomen, eis ik gewoon dat partijen die wet uitvoeren zoals die bedoeld is. Ik wil niet dat er moties worden aangenomen waarin wordt gezegd dat je de wet maar naast je neer moet leggen en dat er niet gehandhaafd moet worden. Wat voor signaal is dat aan de burger, mijnheer Jansen? Moet de burger dan ook denken: die wet bevalt mij niet en dus ga ik mij er maar niet aan houden?
De heer Jansen (SP):
Dat vind ik niet. Dat hebben wij al gezegd tegen de heer Slob. Ik constateer echter dat het College van procureurs-generaal en allerlei lokale driehoeken zeggen: natuurlijk, iedere wet moet worden uitgevoerd; bij het stellen van prioriteiten gaan wij echter ook uit van onze capaciteit en van andere noden die er bij de politie, de officier van justitie en de rechtbank zijn. Ik begrijp nu dus dat de VVD-fractie bij nader inzien toch zegt: zij hebben eigenlijk groot gelijk dat zij op een verstandige manier met schaarse capaciteit omgaan.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Dat hebben wij tijdens de gehele behandeling van het wetsvoorstel gezegd. Er is uiteraard altijd een afweging van de zwaarte van gevallen. Dat weten wij allemaal; zo zitten wetgeving en handhaving in elkaar. Ik sprak de heer Jansen er echter onder andere op aan dat hij tegenover gemeenteraadsleden en wethouders die dit soort wetten niet willen handhaven, het standpunt inneemt dat dit niet kan in een democratie.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
De burgemeester maakt deel uit van de lokale driehoek en legt verantwoording af aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan er dus voor kiezen om een lagere prioriteit toe te kennen aan de handhaving van deze wet. Dat mogen gemeenteraden doen. Me dunkt dat wij het daarover eens zijn. Dat is ook wat die gemeenteraden hebben gedaan.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Nee, daarover zijn wij het niet eens. Daarom heb ik hier ook een aantal citaten voorgelezen. De minister heeft gezegd dat het Openbaar Ministerie daarin een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft, die niet gebonden is aan lokale verordeningen. Dat betekent dus dat de gemeenteraad het niet voor het vertellen heeft. Ik dank mevrouw Voortman voor haar vraag, want nu weten die gemeenteraden dat gelijk. Zij gaan er niet over. De burgemeester is in de driehoeksrelatie bij die afweging betrokken. Als de burgemeester zegt dat hij er geen behoefte aan heeft omdat zijn gemeenteraad vindt dat die wet niet gehandhaafd moet worden, is het echter niet zo dat het niet gaat gebeuren. Het gaat wel gebeuren, en daarvan hoor ik graag een bevestiging van deze minister.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Voortman, die haar maidenspeech zal houden. Wij zullen ademloos naar u luisteren deze keer, mevrouw Voortman.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Voorzitter. Mijn voorganger Van Gent had bij de behandeling van dit wetsvoorstel een bekentenis te doen, namelijk dat zij ooit had gekraakt. Die bekentenis kan ik hier vandaag niet doen, want ik heb geen ervaring met kraken. Maar de kraakbeweging en het bestrijden van leegstand hebben in mijn tijd als gemeenteraadslid altijd mijn warme belangstelling gehad. Daarom vind ik het mooi dat ik hierover mijn maidenspeech kan houden.
Zoals men weet, heeft GroenLinks tegen de antikraakwet gestemd. Kraken is namelijk nooit het probleem geweest. Het probleem is de leegstand. Kraken is altijd een middel geweest om leegstand aan te tonen en te bestrijden. Daarnaast heeft kraken een bewezen maatschappelijke relevantie, gezien de mooie initiatieven die dankzij de kraakbeweging tot stand zijn gekomen. Maar kraken of niet kraken, dat is niet de vraag vandaag.
De woordvoerder van de ChristenUnie zei afgelopen dinsdag: zo gaan wij niet om met democratisch tot stand gekomen wetgeving. De manier waarop deze wetgeving tot stand is gekomen, is er juist de oorzaak van dat wij hier amper één maand na aanname alweer staan. Dat verdient dus een kritische beschouwing.
De Raad van State had vooraf al veel kritiek op deze wet. Hij had op zowel de techniek als de bedoeling van de wet stevige kritiek. Oftewel: ook de Raad van State vond eigenlijk dat de wet rammelt.
De indieners hebben deze kritiek destijds niet ter harte genomen. Nu staan wij hier vanwege een uitspraak van het College van procureurs-generaal. Zij zouden hebben aangegeven niet te willen ontruimen voor leegstand. Dit is een legitieme reactie. Zij bepalen immers de prioriteiten van het beleid van handhaving. Hier prioriteit aan geven zou leiden tot leegstand, terwijl de wet dit juist pretendeert te bestrijden. Wij kunnen ons dus wel wat voorstellen bij deze uitspraak, als die gedaan zou zijn. We hebben over een en ander vanmiddag een brief van de minister mogen ontvangen. Graag hoor ik van de minister welke prioriteit hij toekent aan de uitvoering van de antikraakwet en welke gevolgen dit voor bijvoorbeeld politie en OM met zich mee zal brengen.
Ook uit andere hoeken komt forse kritiek. De Raad van Kerken vreest voor de effecten van de wet, net als de VNG, de G4 en de politiekorpsen. Zij missen instrumenten om leegstand daadwerkelijk te kunnen aanpakken en worden opgezadeld met een plicht tot ontruimen zonder extra handhavingscapaciteit. Het is als een kabinet dat bij aanvang al demissionair is.
De indieners zagen dit zelf in zekere zin al wel aankomen. Ik citeer wat uitspraken van de heer Slob tijdens de behandeling van de wet. "Uiteindelijk zal men in de driehoek zelf de afweging moeten maken met betrekking tot de gewenste inzet". Verder zegt de heer Slob: "De wijze waarop de wet wordt opgepakt, is een kwestie van prioritering. Ik heb al gezegd dat de gemeenteraad hierin een rol speelt". GroenLinks maakt hieruit op dat ook de indieners erkennen dat de driehoek zelf een afweging maakt en dus ook kan besluiten om aan deze wet een lagere prioriteit toe te kennen.
Dit is voor GroenLinks een geval van "zie je wel". De antikraakwet was bij aanname al een dode letter. Hij lost een probleem op dat er niet is en laat de echte problematiek, van leegstand, liggen. Maar voor GroenLinks blijft het niet bij gelijk hebben. Wij willen ook heel graag gelijk krijgen en echte oplossingen om leegstand te bestrijden realiseren. Ik zie hiervoor een meerderheid in deze Kamer. Ik reken dan ook op steun voor toekomstige initiatieven van GroenLinks op het echt bestrijden van leegstand.
(applaus)
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Voortman. Ik mag u als eerste feliciteren. Ik weet zeker dat ook velen op afstand hiernaar geluisterd hebben. Het is altijd mooi om iemand zo'n verhaal voor het eerst te horen houden. Zeer veel complimenten daarvoor.
Ik geef het woord aan de heer Van der Staaij van de SGP, die geen maidenspeech zal houden.
De heer Van der Staaij (SGP):
Voorzitter. Het is mij een genoegen om mevrouw Voortman van harte geluk te wensen met haar heldere maidenspeech. Het was niet onduidelijk wat haar stellingname was. Deze was geheel in lijn met het geluid dat eerder door mevrouw Van Gent hier vertolkt werd. Ik heb wel een verschil gehoord. Dat is dat mevrouw Voortman geen kraakverleden heeft. Dat zien wij eerlijk gezegd als vooruitgang.
Dit onderwerp staat in een traditie van belangstelling van mevrouw Voortman. Het is mij namelijk niet ontgaan dat zij op 1 juni, om één minuut voor half negen des morgens, op Twitter al haar mening kenbaar maakte over de behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel bij de Eerste Kamer. Dit is voor haar daarom een mooi onderwerp om een maidenspeech over te houden. Ik stop nu gauw, anders wordt dit verhaal nog langer dan mijn eigenlijke bijdrage.
De SGP-fractie heeft met overtuiging ja gezegd tegen de antikraakwet. Dit is een belangrijke stap vooruit in de bescherming van het eigendomsrecht. Hoezeer burgers zich ook kunnen storen aan een leegstaand pand, dat is nog geen reden om het recht in eigen hand te nemen. Daar ligt een taak voor gemeenten. Zij hebben lokale beleidsvrijheid om woningnood aan te pakken en leegstand te bestrijden. Maar eigenrichting en kraken zijn daartoe niet de middelen. Een parlementaire meerderheid heeft zich achter het initiatiefvoorstel van collega's Van der Burg, Slob en Ten Hoopen geschaard. Ook de Eerste Kamer heeft zich daarachter gesteld. Het gaat hierbij dus om een wét.
Er zijn signalen dat het Openbaar Ministerie het kraakverbod niet daadwerkelijk zou willen handhaven. De minister heeft in een brief al laten weten dat het hierbij om een misverstand gaat. Dat roept bij ons wel de vraag op hoe het misverstand heeft kunnen ontstaan.
Ten aanzien van gemeenten is het goed dat in de brief nog eens wordt beklemtoond dat hierover geen lokale beleidsvrijheid bestaat in het wel of niet willen handhaven van het kraakverbod. Strafrechtelijke handhaving is, na alle overleg en afstemming die er moet zijn, uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Is daadwerkelijk gewaarborgd dat hier geen nieuw gedoogbeleid zal ontstaan? De minister heeft gezegd dat de inzet is om tot handhaving te komen, maar hij wijst zelf ook terecht naar goede verdeling van de beschikbare capaciteit aan de ene kant en prioriteitstelling aan de andere kant. Dat is op zichzelf allemaal terecht, maar hoe is gewaarborgd dat uiteindelijk de beperktheid in capaciteit en eventueel een lagere prioriteit in de praktijk toch tot een de facto gedoogbeleid zullen leiden? Is nu echt in een daadwerkelijk handhavingsbeleid voorzien?
De heer Jansen (SP):
Voorzitter. Ook van mij zijn er complimenten voor degenen die hun maidenspeech al hebben gehouden. Ik wacht ook met belangstelling de andere twee bijdragen af. Ik vind het ook fijn dat niet alleen de minister van Justitie, maar ook de minister van BZK aanwezig is vanmiddag. Ik schat zomaar in dat hij ook uit één mond gaat spreken; dat is altijd mooi meegenomen.
De voorstanders van de wet kraken en leegstand -- dat was een meerderheid in deze Kamer en in de Eerste Kamer -- lopen te hoop tegen de officiers van justitie, de burgemeesters en de politiecommissarissen die niet van plan zijn om het ontruimen van alle kraakpanden, ongeacht de context van de situatie, als topprioriteit te bestempelen. Ze kregen daarbij rugdekking van het College van procureurs-generaal. Ik geef die overheidsdienaren, die midden in de lokale praktijk zitten, groot gelijk. De SP heeft bij de behandeling van het wetsvoorstel al voorspeld dat dit zou gebeuren. De strafbaarstelling van kraken als zodanig lost namelijk een niet-bestaand probleem op. In heel Nederland zijn nog ongeveer 300 panden gekraakt, met hooguit 2000 krakers, en dat aantal is al jaren dalende. Ter vergelijking: het aantal kraakwachten bedraagt ongeveer 50.000.
De lijn van het bevoegd gezag is dat er wordt ontruimd, en volgens mij ook met prioriteit, in geval van overlast of crimineel gedrag en als de eigenaar aantoonbaar met het pand aan de slag wil. Natuurlijk moeten aso's en gewelddadige elementen worden opgepakt en vervolgd, maar dat gebeurt ook nu al. Die lijn kan de SP-fractie van harte ondersteunen. In de overige situaties had en heeft ontruiming wat ons betreft geen hoge prioriteit. De politie, het Openbaar Ministerie en de rechtbanken hebben het namelijk al druk zat met het aanpakken van overlast en criminaliteit waar echt veel mensen last van hebben: woninginbraken, autokraken, vandalisme en irritant en crimineel gedrag op straat in de woonbuurten. Onlangs liet de politie weten dat zij in 2009 in maar 70% van de aangiftes die een onderzoek rechtvaardigen daadwerkelijk in actie is gekomen. Er bleven 150.000 zaken liggen door capaciteitstekort. En dan wil een aantal fundamentalistische Kamerleden van VVD, CDA, ChristenUnie en PVV het bevoegd gezag dwingen om een deel van deze te schaarse capaciteit nog vrij te maken voor het ontruimen van kraakpanden waarvan de buurt geen enkele overlast ondervindt. In veel gevallen is de buurt zelfs blij dat langdurige leegstand of sloop is voorkomen.
De heer Slob (ChristenUnie):
Ik teken bezwaar aan tegen het gebruik van het woord "fundamentalistisch", in deze zin uitgesproken. Ik vind dat echt beneden peil. We mogen met elkaar een verschil van mening hebben over de aanpak van het leegstandsbeleid, maar ik vind het niet passen bij het niveau dat ik van de heer Jansen ben gewend om dat in deze bewoordingen te doen.
De heer Jansen (SP):
Er is altijd een zekere mate van "wie de broek past, trekke hem aan". Ik heb deze tekst geschreven voordat het debat begon. Ik constateer dat een aantal woordvoerders al een beetje gas terugneemt tijdens het debat. Dat waardeer ik. Als namelijk uiteindelijk de conclusie is, en dat verwacht ik, dat de lokale driehoek van bevoegd gezag zelf het best de afweging maken binnen de context die de ministers van Justitie en BZK in hun wijsheid landelijk geven, dan is alles met een sisser afgelopen.
Als de afweging is dat kraken als zodanig niet in alle gevallen een heel hoge prioriteit heeft en men die strafbaarstelling -- die er is, dat erken ik ten volle -- niet ten koste van andere zaken aan wil wenden, lijkt me dat een redelijke afweging van de lokale driehoek.
De heer Slob (ChristenUnie):
Ik hoor dat u weer wat op uw woorden aan het terugkomen bent. Het gaat uiteindelijk om een heel fundamentele zaak, los van de inhoud van dit wetsvoorstel. Er is door zowel de Tweede als de Eerste Kamer een wetsvoorstel aanvaard. Dat voorstel wordt dus wet en dan moet het ook uitgevoerd worden. Dat mag je ook verwachten. Als er in de samenleving door een van de verantwoordelijken voor de handhaving van deze wet -- en niet de minste: het college van procureurs-generaal -- de indruk wordt gewekt dat die wet aan de kant wordt gezet, is het toch niet meer dan logisch dat wij als parlementariërs de minister naar de Kamer roepen om hem erop te wijzen dat dit niet kan? Het is een ondergraving van onze democratische rechtsstaat als wij dat zouden laten lopen.
De heer Jansen (SP):
Zo heb ik destijds de uitspraak van het college van procureurs-generaal niet gelezen. Ik zie de brief van de minister als een verduidelijking van wat het college toen al zei. "Het OM zal conform hetgeen hierover is gewisseld tijdens de behandeling van het wetsvoorstel het algemeen kraakverbod op reguliere wijze handhaven, dat wil zeggen, met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel en de beschikbare capaciteit van politie en justitie."
De heer Slob (ChristenUnie):
Dat vroeg ik niet. U kapittelt degenen die dit debat hebben aangevraagd. U noemt hen zelfs fundamentalistisch. Als een wet is aangenomen en vervolgens in de samenleving blijkt dat een heel belangrijke speler in de handhaving zegt dit niet te gaan doen, dan zou het toch raar zijn als het parlement op zijn handen gaat zitten? Dan hoor je in beweging te komen. Dat kunt u toch niet op deze manier afdoen in de richting van degenen die in beweging zijn gekomen en nu het debat met de minister voeren? Natuurlijk ben ik ook blij met die brief, want daaruit spreekt andere taal dan uit wat ik via de media te horen heb gekregen.
De heer Jansen (SP):
Volgens mij heeft het college van procureurs-generaal niet gezegd wat de heer Slob te berde brengt, maar misschien kan de minister dat bevestigen. Het college van procureurs-generaal heeft gezegd dat het aan kraken als zodanig geen topprioriteit toekent voor de opsporing en handhaving. Er zijn gewoon andere prioriteiten die op de maatschappelijke ladder net iets belangrijker zijn dan dit probleem of probleempje, zowel in onze ogen als in die van de Nederlandse bevolking.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
In de krant stond exact het volgende. Een woordvoerder van het college van procureurs-generaal zei dat "het Openbaar Ministerie zijn vervolgingsbeleid jegens krakers niet verandert, ondanks de nieuwe anti-kraakwet". Dat was de reden voor dit debat.
Er zijn collega's van de heer Jansen op lokaal niveau die moties indienen dat de wet niet moet worden uitgevoerd en gehandhaafd. Neemt hij daar afstand van in deze Kamer? Vindt hij dat partijen nadat een wet is aangenomen, kunnen zeggen dat die niet gehandhaafd zou moeten worden?
De heer Jansen (SP):
De wet geldt voor iedereen en dat geldt voor alle wetten in gelijke mate. Ik maak geen onderscheid tussen wetten. Ik zou graag zien dat collega's dat ook niet doen. Ik zou graag zien dat ze zich net zo druk maken om het niet handhaven van andere wetten. Dat is namelijk aan de orde van de dag. Afgelopen jaar heeft de politie 150.000 van de 500.000 aangiften waarmee iets zou moeten gebeuren, inclusief geweldsmisdrijven, moeten laten liggen. Nu zegt mevrouw Van der Burg dat de politie zijn tijd moet besteden aan kraakpanden, terwijl daar niets aan de hand is, er geen sprake is van overlast en de buren zeggen dat ze blij zijn dat er mensen wonen. Dat is een schande.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Ik stelde een heel duidelijke vraag en u gaat daaromheen. De VVD heeft er nooit toe opgeroepen een aangenomen wet niet uit te voeren, ook niet als wij het er niet mee eens waren. Wat is uw stellingname? U weet donders goed dat in deze wet ook een heel groot deel zit dat gericht is op de aanpak van leegstand. Daar zou door de gemeenten ook eens heel goed naar gekeken moeten worden, want daar kunnen ze veel meer mee dan blijkt uit de verhalen die zij nu houden.
De heer Jansen (SP):
Dat is mooi. Ik hoop dat de gemeenteraadsfractie van de VVD in Vlaardingen goed heeft meegeluisterd naar deze wijze woorden van mevrouw Van der Burg. De SP-fractie hier en alle lokale volksvertegenwoordigers van de SP in gemeenten en provincies zijn van mening dat kraken gepaard gaand met overlast, vandalisme en geweld een topprioriteit heeft om te worden aangepakt. Datzelfde geldt voor panden die gekraakt zijn en waarvoor een nuttige bestemming is en waarmee de eigenaar iets wil.
Maar ik bestrijd dat situaties waarin geen sprake is van overlast -- daar gingen die moties over -- een prioriteit zouden moeten zijn.
De voorzitter:
Ik wil proberen om het in twee stappen te doen. Ik heb u allemaal uw medewerking gevraagd. Maar vooruit, een heel korte interruptie.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Voorzitter, dank u wel voor uw clementie.
Ik constateer dat de heer Jansen in dit opzicht geen afstand neemt van zijn lokale bestuurders. Dat is te betreuren, want wij zijn er ook voor om een aangenomen wetsvoorstel gehandhaafd te krijgen.
De heer Koopmans (CDA):
Begrijpt de heer Jansen dat als hij de CDA-fractie, die strijdt voor de handhaving van alle wetten, dus ook de Wet kraken en leegstand, bestempelt als "fundamentalistisch", zij, inclusief ondergetekende, die titel met ere zal dragen?
De heer Jansen (SP):
Veel succes ermee, mijnheer Koopmans. Ik denk dat u een probleem hebt om dit uit te leggen aan uw eigen achterban.
De voorzitter:
Via de voorzitter spreken, mijnheer Jansen. Ik heb geen probleem. Voorlopig.
De heer Jansen (SP):
Dat is heel fijn, voorzitter. Houden zo.
De voorzitter:
Dat hoop ik ook.
De heer Jansen (SP):
Ik denk dat de heer Koopmans een probleem heeft om dit uit te leggen aan zijn eigen achterban. Ik denk dat de Nederlandse bevolking onderscheid maakt tussen de zaken waar de politie haar tijd aan moet besteden, net als de lokale driehoek en het College van procureurs-generaal. Er wordt verschillend gedacht over schaarste bij de politie, maar de meeste fracties in deze Kamer willen dat er een schepje bovenop wordt gedaan. Er is sprake van schaarste. Dit betekent altijd dat je keuzes moet maken. Ik constateer gewoon dat u keuzes maakt die naar mijn mening een groot deel van de Nederlandse bevolking niet zullen bevallen. Ik heb daar straks nog een onderbouwing van. Die krijgt u van mij cadeau.
Voorzitter. Kan de minister van BZK een overzicht geven van het aantal misdrijven uit mijn eerder genoemde rijtje waar de politie op dit moment geen capaciteit voor heeft om ze op te lossen? Is de minister van BZK met de SP-fractie van mening dat de politie prioriteit moet geven aan crimineel en overlastgevend gedrag, dat de meeste maatschappelijke schade aanricht? Kan de minister van BZK aangeven hoeveel extra politiecapaciteit er nodig is als voortaan alle kraakpanden binnen drie maanden na kraak ontruimd moeten worden? Kan de minister van Justitie ons vertellen wat dit betekent voor de capaciteit van het OM en de rechterlijke macht? Als die capaciteit er niet is, welke andere politie- en justitietaken moeten dan opgeschort worden als mijn fundamentalistische collega's -- ik herhaal: mijn fundamentalistische collega's -- hun zin krijgen? Onderschrijft de minister dat de aanpak van mijn geachte collega's een hoog luchtfietserijgehalte heeft?
De SP-fractie is iets praktischer dan degenen die hier een grote mond opzetten over law and order. Afgelopen jaar heeft de SP een enquête gehouden waar 10.000 politiemensen aan meegedaan hebben. Dat lijkt mij een aardig representatieve steekproef. Die 10.000 dienders hebben alle mogelijke suggesties gedaan voor verbeteringen van de effectiviteit van het politieapparaat. Maar het ontruimen van alle kraakpanden als topprioriteit kwam daar niet in voor. Hebben mijn geachte collega's oor voor deze praktijkmensen of vinden zij hun eigen hersenspinsels belangrijker dan de mening van de mensen die echt met de voeten in de klei staan?
Voorzitter. Ik heb voldoende exemplaren van het boekje meegenomen voor alle woordvoerders.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik pak zelf ook een exemplaar. Het boekje wordt ter inzage gelegd.
Het woord is aan de heer Verhoeven van de VVD-fractie, die zijn maidenspeech zal houden.
De heer Verhoeven (D66):
Van de D66-fractie. Dit is bijna historisch, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
Van D66! Wat erg is dit! O, als ik vandaag nog één fout maak, dan …Vreselijk!
De heer Verhoeven (D66):
Mevrouw de voorzitter. Allereerst natuurlijk mijn oprechte bewondering voor mijn collega's mevrouw Helder en mevrouw Voortman voor de fantastische manier waarop zij hun maidenspeech gehouden hebben. Ik hoop dat ik over een kleine vier minuten begrijp hoe zij die tot een goed einde hebben kunnen brengen.
Collega Slob maakt zich zorgen over de uitvoering van de Kraakwet. Zoals bekend, was en is D66 tegenstander van deze wet om een aantal reden. De wet overdrijft kraken als een probleem. De wet ontkent de positieve aspecten van kraken. De wet stelt kraken zelfs standaard strafbaar en kent daarbij een maximale strafmaat van twee jaar. Die verhoging is tot stand gekomen door koehandel in de Kamer in samenwerking met de PVV-fractie.
- Ten slotte pakt de wet leegstand helemaal niet aan, terwijl het probleem juist leegstand is. Kortom, de Kraakwet is een lege huls. Het echte probleem waar we hier mee te kampen hebben, is de omvangrijke leegstand, maar de prikkels voor ongebruikt en onbenut eigendom blijven met deze wet onverminderd in stand. Dit terwijl in Nederland alleen al zes miljoen vierkante meter kantoorruimte leegstaat.
Mevrouw Van Gent (GroenLinks):
Het is wat!
De heer Verhoeven (D66):
Ja, inderdaad mevrouw Van Gent, dat is één op de zeven kantoren oftewel duizend voetbalvelden. Om de kern van dit probleem op te lossen, komt mijn fractie binnenkort met doelgerichte voorstellen, maar nu gaat het om de weeffouten in deze Kraakwet. Door deze wet beslist het Openbaar Ministerie voortaan over ontruiming van krakers. Het is de vraag of de politie daar prioriteit aan kan, wil en moet geven. Volgens mijn fractie is dit niet het geval. Door deze wet moeten de gemeenten bovendien leegstand gaan bestrijden via een leegstandverordening, een meldregister, een eigenarengesprek plus leegstandbeschikking, een bindende voordracht en ten slotte een dwangsomprocedure. Ga er maar aan staan. Tegelijkertijd kan de nieuwe wet hiertoe niet verplichten. De wet biedt betrokken organisaties, politie, gemeenten en het Openbaar Ministerie terecht speelruimte, die ze gelukkig ook benutten. Op deze mogelijkheid heeft D66 bij monde van mijn collega Boris van der Ham in de Tweede Kamer en bij monde van iemand anders in de Eerste Kamer constant gewezen.
In grote steden is genoeg te doen, ook zonder overbodig werk. Niet voor niets waren de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de G4 niet enthousiast over deze wet, net als de Raad van State, nota bene het hoogste adviesorgaan van het kabinet. Dan spreek ik nog niet eens over het al aangehaalde College van procureurs-generaal. Mijn fractie ziet derhalve dat de wetindieners krijgen waar ze om gevraagd hebben. Daarom is het terecht dat de minister de wet zoals bedoeld handhaaft.
Graag stel ik de minister een aantal vragen. Vindt de minister ook dat de geloofwaardigheid van de wetgever door dit debat in het geding komt? Steunt de minister de terechte opstelling van Openbaar Ministerie, politie en gemeenten in dezen? Tot slot: kan de minister garanderen dat de huidige speelruimte in de wet in stand blijft?
Mevrouw de voorzitter. Dank u wel.
(applaus)
De voorzitter:
Dan is aan mij de eer om u als eerste geluk te wensen met dit uitgesproken D66-geluid dat u vandaag in deze zaal hebt laten horen. Iedereen kon meteen horen dat u van deze club bent. Van harte gelukgewenst. Straks is er gelegenheid om u te feliciteren.
Dan gaan wij nu luisteren naar de heer Recourt van de PvdA-fractie, die gisteren zijn maidenspeech gehouden heeft. Ik wil niemand uitlokken, maar er mag geïnterrumpeerd worden.
De heer Recourt (PvdA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik complimenteer de heer Verhoeven met zijn maidenspeech. Het was een helder geluid.
Mevrouw de voorzitter. Met de snelle aanstaande inwerkingtreding van de Wet kraken en leegstand -- naar ik vrees overigens vooral de wet kraken en minder de bestrijding van leegstand -- zal kraken nu echt verboden zijn. Het was al verboden, maar in de praktijk was er een juridisch gelegitimeerde werkwijze ontstaan die kraken onder voorwaarden toestond. De PvdA heeft zich verzet tegen de totstandkoming van de Kraakwet, maar nu deze een feit is, zullen wij ons verzet uiteraard niet voortzetten. Zo werkt de democratie. Iedereen dient zich aan de wet te houden. De overheid dient de wet te handhaven. De wet is de wet. Die kan niet opzij worden gezet omdat men het daar niet mee eens is. Laat dat duidelijk zijn, zeg ik vooral tegen de VVD-fractie.
Nu de praktijk. Wij hebben het in ons land zo geregeld dat in de lokale driehoeken wordt bepaald waar de schaarse politiecapaciteit op wordt ingezet. Het Openbaar Ministerie bepaalt welke strafbare feiten worden vervolgd op grond van het opportuniteitsbeginsel. Uit eigen ervaring weet ik dat ook voor de inwerkingtreding van de Kraakwet -- in ieder geval in Amsterdam, want daar heb ik mijn ervaring op gedaan -- met regelmaat jaarlijks ontruimingsdagen gepland stonden. Dan werden kraakpanden ontruimd door de ME.
Dat zal vermoedelijk ook in andere grote steden het geval zijn geweest. Deze dagen vergen een zeer grote politionele inzet. ME betekent gewoon altijd veel agenten. Het is niet meer dan wijs en verstandig om die inzet kritisch te gebruiken. Het een doen is immers het ander laten. Ik zou het zelf bijvoorbeeld zeer onverstandig vinden om geen agenten met een keppeltje in te zetten tegen antisemitisme, omdat de politiecapaciteit nodig is om de woningen van speculanten te ontruimen. Wij steunen die driehoeken die prioriteit leggen bij het aanpakken van overlast in de wijken. Gebruikmaking van de kraakwet kan hen hierbij steun geven. Laat de driehoeken die keuzes maken; zij weten hoe de situatie ter plaatse is.
Kort en goed, het kan niet zo zijn dat overheden weigeren wetgeving uit te voeren. Als de berichtgeving in de media klopt, in die zin dat principieel geen uitvoering aan de wet wordt gegeven, is dat onaanvaardbaar. Maar laat de driehoeken gewoon hun werk doen en op grond van hun kennis van de stad passende keuzes maken, bijvoorbeeld om periodiek panden te ontruimen waar overlast wordt veroorzaakt of waarvan de eigenaar niets te verwijten valt. Dit is en blijft noodzakelijk. De kraakwet maakt dit juridisch een stuk eenvoudiger en dat is winst. Het is verlies als er gehandhaafd moet worden uit principe, koste wat het kost. Zo zit het systeem gelukkig niet in elkaar. Ook mijn collega's zouden vermoedelijk niet willen dat een woninginbraak niet kan worden opgelost omdat een vastgoedspeculant zijn woningen lang leeg heeft laten staan.
Ik vraag de minister dan ook of voor zover hem bekend het ontruimingsbeleid in de grote steden zal wijzigen na invoering van de kraakwet. Zijn er steden bekend die na invoering zullen stoppen met ontruimen? Is het de minister bekend dat er in gemeenten om principiële redenen niet meer tot ontruiming van gekraakte panden zal worden overgegaan?
Ik heb geen vragen over de rol van het Openbaar Ministerie. Voor zover daarover al onduidelijkheid was, is deze weggenomen met de brief die we deze middag hebben gekregen.
De heer Koopmans (CDA):
Voorzitter. Mevrouw Voortman heeft niet gekraakt, mevrouw Helder kraakt de woorden van het Openbaar Ministerie en de heer Verhoeven kraakt de wet die in beide Kamers der Staten-Generaal is aangenomen af. Alle drie gefeliciteerd met hun maidenspeech. Het moge duidelijk zijn dat er in de komende jaren in deze Kamer nog veel met elkaar te spreken is.
We gaan niet ontruimen voor leegstand, waren de woorden van een woordvoerder van het College van procureurs-generaal. Lijkt dat niet een beetje op: we ruimen geen hennepplantages meer op, omdat mensen toch blijven blowen, of we beboeten geen hardrijders meer, omdat er nog steeds snelle auto's worden verkocht in dit land?
We zijn blij dat de minister van Justitie een duidelijke brief heeft geschreven en heeft gezegd dat er sprake is van een misverstand. We zijn ervan overtuigd dat het nog wel van belang is om te spreken over de uitvoering en de handhaving van deze wet. Artikel VIII van de wet luidt als volgt: "Deze wet wordt aangehaald als: Wet kraken en leegstand. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden." Dat zijn de laatste woorden van deze wet. Dat lijken bijna rituele woorden, maar als ik ze nog een keer voorlees, denk ik dat het heel goed is dat een wet als deze en dat alle wetten zo eindigen. Het is wel van belang ingevolge dat wat we in de Grondwet hebben bepaald, als beide Kamers der Staten-Generaal en de regering instemmen met een wet, dat daarna aan die wet ook handhaving wordt gegeven.
Het gaat er dus om met elkaar te spreken over hoe dat gaat in dit land. Op twee plekken kan er prioriteitstelling aan de orde zijn: bij het College van procureurs-generaal en bij de lokale driehoek. De minister is er duidelijk over dat er bij het college sprake van is dat er gehandhaafd zal worden, dat er planmatig gewerkt zal worden, en dat er dus geen algemene houding is dat we niet gaan ontruimen voor leegstand, wat een soort eigenstandige afweging zou zijn van het College van procureurs-generaal. De CDA-fractie is daar blij om.
De heer Jansen (SP):
Daar ben ik ook blij om. De heer Koopmans zei dat hij blij is met de verduidelijkende brief van de minister. Ik ga ervan uit dat hij het daarmee integraal eens is. In die brief staat: "met inachtneming van het objectiviteitsbeginsel en de beschikbare capaciteit van politie en justitie". Kortom: de heer Koopmans is er ook blij mee dat in de lokale driehoek een afweging gemaakt kan worden over de vraag wat de grootste problemen zijn en waar de mensen mee zitten, zodat daar de schaarse capaciteit op ingezet kan worden.
De heer Koopmans (CDA):
Ik zou nog blijer zijn als er nog meer capaciteit was, zodat wij op nog meer wetten nog meer handhaving kunnen toestaan en prioriteren. Er is altijd sprake van het opportuniteitsbeginsel. Dat is een rechtsbeginsel in ons systeem van wetshandhaving. Dat poets ik niet weg, zelfs al zou ik dat hier willen ontkennen. Er is sprake van een lokale bevoegdheid. Ik zeg tegen de heer Jansen dat het gaat om de vraag op welke wijze daar invulling aan wordt gegeven. Is het mogelijk dat een gemeenteraad zoals die van Utrecht in een motie aan het college van B en W van Utrecht schrijft dat "het college terughoudend moet zijn met de uitvoering door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige praktijk"? Die vraag stel ik ook aan de minister. Mag je een burgemeester, die ook valt onder hetgeen onder artikel 8 in de wet staat, in zijn gesprek met de lokale driehoek met iets dergelijks opzadelen? Dat vraag ik mij af. Ik vraag de minister wat hij ervan vindt dat de gemeenteraden van Utrecht en Groningen scherpe opmerkingen maken over het niet willen uitvoeren van de wet. Het is prima als er sprake is van nadenken met elkaar over prioriteitstelling, want dat is altijd aan de orde in de lokale driehoek. Dat moet ook, dat kan niet anders.
De heer Jansen (SP):
Volksvertegenwoordigers mogen heel veel, of zij nou in de Kamer zitten of lokaal actief zijn. Dat weet de heer Koopmans als geen ander. In dit geval adviseert de gemeenteraad van Utrecht aan het college van B en W, in het bijzonder de burgemeester, om terughoudend te zijn. Dat is in wezen een afweging van de vraag waarvoor de schaarse capaciteit ingezet moet worden. Dat is toch niets anders dan hetgeen de lokale driehoeken, die ook met hun beide benen in de klei staan, doen? Daarvan zegt de heer Koopmans dat het prima is als dit zo blijft.
De heer Koopmans (CDA):
Ik heb moeite met de opmerking "terughoudend te zijn met de uitvoering door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige praktijk". Daarmee zegt men eigenlijk tegen de burgemeester dat hij zich niet aan de wet moet houden, omdat die wet hun niet bevalt. Dat kan niet. De gemeenteraad kan alles, die kan ook verordonneren dat er beter weer komt, maar het gaat om de vraag of dit past binnen de regels van de rechtsstaat en hetgeen wij met elkaar in wet- en regelgeving en de Grondwet hebben afgesproken. De gemeenteraad van Utrecht en de gemeenteraad van Groningen, die daar overigens een iets omfloerstere redenering voor heeft, moeten opletten dat zij niet streven naar het niet-uitvoeren van de wet, omdat die hun niet bevalt. Een prioriteitstelling is altijd aan de orde. Daar kan niemand omheen.
De heer Recourt (PvdA):
Weet de heer Koopmans wat de huidige praktijk is in Utrecht? Weet hij op welke punten die niet bevalt en verbeterd moet worden? Alleen als hij dat weet, kan hij inschatten hoe de opmerking van de gemeenteraad in Utrecht geduid moet worden.
De heer Koopmans (CDA):
Ik heb daarover twee dingen te zeggen. Ten eerste weet ik wat de inhoud is van de wet die per 1 oktober 2010 van kracht wordt. Dat hebben wij met elkaar besloten. Die wet moet gehandhaafd worden. Ten tweede weet ik dat de gemeenteraad van Utrecht eigenlijk beter had kunnen opschrijven dat het college versneld zou moeten komen met een leegstandverordening. Dat is jammer aan dit soort uitspraken van gemeenteraden. Dat is een ander instrument dat in de wet is opgenomen en juist een positieve bijdrage kan leveren, zonder dat het Openbaar Ministerie of de politie daarin een belangrijke rol heeft. Dat zou veel belangrijker zijn. Een dergelijke uitspraak ligt er nog niet, maar er ligt een uitspraak van de gemeenteraad waarin staat: deze wet bevalt ons niet en doe er maar niet te veel aan. Het eerste is veel belangrijker en het tweede moet een gemeentebestuur zijn burgemeester niet aandoen.
De heer Recourt (PvdA):
Weliswaar is de Kraakwet pas in werking per oktober, maar het is niet zo dat er nu niets mag. Er wordt al jaren opgetreden. U herhaalde wat u eerder zei. Dus nogmaals mijn vraag: wat is het feitelijke probleem in Utrecht dan?
De heer Koopmans (CDA):
Deze wet geldt voor het hele grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Er is geen uitzondering voor Utrecht gemaakt. En dus geldt die wet ook in Utrecht. En dat de problemen in Utrecht inderdaad anders zijn dan in Vaals en in Ulestraten, dat is allemaal prima. Maar de wet is voor heel Nederland van kracht. Juist de leegstandverordening geeft gemeenten zelf de bevoegdheid om eigen beleid te maken. Het is gewoon goed dat dat gebeurt.
De voorzitter:
Mijnheer Koopmans, ik verzoek u om iets beknopter te antwoorden.
De heer Koopmans (CDA):
Ik neem in mijn antwoorden mijn hele inbreng mee.
De voorzitter:
Dat is geweldig. Maar die was vier minuten!
De heer Koopmans (CDA):
Er staat nog 1.25 minuten.
De voorzitter:
Dat weet ik. Ik probeerde een grapje te maken, maar dat lukte niet.
De heer Koopmans (CDA):
Ik ook.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Voortman voor een interruptie.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
De heer Koopmans eindigde net zijn reactie op de interruptie van de Partij van de Arbeid met de opmerking dat gemeenten ruimte hebben om hun eigen beleid te maken en hun eigen prioriteiten te stellen. Maar dan zeg ik: wat is nu eigenlijk het probleem? Dan zijn we het volgens mij in wezen eens dat gemeenten wel degelijk een eigen prioriteit mogen stellen.
De heer Koopmans (CDA):
Nee, ze mogen een eigen leegstandverordening maken. Het is ook goed dat dat gebeurt. Ik zou dus tegen die gemeenteraden willen zeggen: als u dat belangrijk vindt, zorgt u er dan voor dat uw college dat beleid formuleert, maar ga niet uw burgemeester opzadelen met een opdracht die buiten de grenzen van de handhaving van de wet ligt. Dat is immers niet verstandig Ik vraag dus ook aan de minister, zeker ook in zijn hoedanigheid als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, hoe hij zal communiceren met die gemeentebesturen en met die burgemeesters die met dit soort dienstopdrachtjes worden opgezadeld.
De heer Verhoeven (D66):
Kan de heer Koopmans uitleggen wat hij bedoelt met "opzadelen"? Hij doet alsof wij burgemeesters of colleges van burgemeester en wethouders opzadelen met iets, terwijl zij daar zelf voor kiezen. Dat is me nog steeds niet duidelijk.
De heer Koopmans (CDA):
Wij hebben door middel van het aannemen van de wet burgemeesters niet alleen de bevoegdheid maar ook de taak gegeven om die wet uit te voeren. En gemeenteraden, die van Utrecht en die van Groningen, nemen nu moties aan -- dat zijn natuurlijk uitspraken, dat is geen wet -- waardoor burgemeesters worden opgezadeld met een opdracht die in de ogen van de CDA-fractie buiten de grenzen van de wet valt. Het is dus van belang om met de minister van Justitie -- en ook met de minister van Binnenlandse Zaken -- te spreken over de wijze waarop hij aankijkt tegen dat soort opdrachten. Hoe zou daar volgens hem over moeten worden gecommuniceerd, al of niet via de lokale vertegenwoordigers van het openbaar ministerie in de lokale driehoek.
De heer Verhoeven (D66):
Wat wij dan in ieder geval delen, is dat het zeer interessant is om te vernemen wat de minister vindt van deze omgang met de wet door de burgemeesters en de colleges van burgemeester en wethouders.
De heer Koopmans (CDA):
Dan zijn wij het dus met elkaar eens. Ik wil ook tegen de heer Verhoeven zeggen dat het niet aan gemeenteraden is om wetten die beide Kamers der Staten-Generaal en de regering hebben ondertekend, die dus van kracht zijn, via moties buiten werking te stellen.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering, zodat wij onze felicitaties kunnen overbrengen aan mevrouw Voortman en de heer Verhoeven.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Minister Hirsch Ballin:
: Voorzitter. Allereerst sluit ik mij aan bij de gelukwensen die u al hebt gericht aan de drie "maagdensprekers" van vanmiddag: mevrouw Helder, mevrouw Voortman en de heer Verhoeven. Ik verheug mij op een verdere gedachtewisseling met hen. Ik ervaar het als een voorrecht dat ik de eerste mag zijn die dat van regeringszijde doet.
De discussie van vanmiddag heeft twee hoofdpunten. Het eerste punt betreft helderheid over de lijn in het vervolgingsbeleid; daarover heb ik de Kamer geschreven. Ik heb daar ook onmiddellijk over gesproken met het College van procureurs-generaal in de eerste overlegvergadering die zich voordeed. De reactie was: hier is een misverstand ontstaan. Het College van procureurs-generaal wil uiteraard niets anders dan wat ik in deze Kamer en in de Eerste Kamer heb uitgesproken.
Het tweede punt is dat van de goede staatsrechtelijke verhoudingen. Dat wil ik graag onderstrepen naar aanleiding van wat er is gezegd over de gemeenteraden en de betekenis van initiatiefwetgeving. Ik zal zelf niet weer in discussie gaan over een aangenomen wetsvoorstel. Ik heb de initiatiefnemers mogen begeleiden als adviseur van de regering voor de Kamer. Ik heb inlichtingen gegeven over de opvatting van het kabinet en over wat er gedaan zal worden ter uitvoering van het wetsvoorstel zodra het wordt aangenomen. Het is aangenomen. Binnenkort zal in de ministerraad de bekrachtiging aan de orde komen. Ik zal samen met mijn collega voor Wonen, Wijken en Integratie voorstellen om tot bekrachtiging over te gaan zodat de wet, die na bekrachtiging en contraseign tot stand komt, op 1 oktober in werking kan treden. Daarmee heb ik aangegeven wat mijn verhouding is tot het wetsvoorstel, dat binnenkort dus als wet in het Staatsblad zal verschijnen.
Ik doe niet de discussie over de wetgeving over. Ik heb vanmiddag enkele opmerkingen beluisterd die in die richting wezen. Uiteraard wil ik niemand het recht ontzeggen om opmerkingen te maken over de vraag of men de wet die nu tot stand zal komen verstandig of onverstandig vindt, maar als een initiatiefvoorstel wet is geworden, is het de taak van de regering om die wet uit te voeren. Zo simpel is het in de staatsrechtelijke verhoudingen in ons land.
Dan is er nog een ander staatsrechtelijk punt. Gisteravond, toen de gedachtewisseling werd gevoerd over de rellen die zich in Culemborg hebben voorgedaan, ben ik opgekomen voor het recht van de gemeenteraad van Culemborg. Ik heb gezegd: wij moeten niet de discussie voeren die thuishoort in de gemeenteraad van Culemborg; dat is niet in overeenstemming met de decentralisatie die deel uitmaakt van de staatsrechtelijke verhoudingen in ons land. Het werkt echter ook de andere kant op: gemeenteraden hebben niet tot taak om te beslissen over het opsporings- en vervolgingsbeleid, over de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Natuurlijk mogen zij de burgemeester, als degene die een inbreng levert in de lokale of regionale driehoek, iets meegeven over de aspecten van het beleid die behoren tot zijn bijzondere verantwoordelijkheid, zoals de openbare orde of de plaatselijke verhoudingen. Dat vind ik ook wenselijk, sterker nog: zeer wenselijk. Ik heb vanmiddag nog in een ander verband gezegd hoe belangrijk het is dat de samenwerking tussen Justitie, Binnenlandse Zaken en de gemeenten op het terrein van de criminaliteitsbestrijding echt wortel heeft geschoten en hoeveel effectiever wij daardoor zijn geworden in goed samenspel. Het is echter wel een samenspel met onderscheiden verantwoordelijkheden.
Een gemeenteraad heeft niet tot taak om uitspraken te doen over het beleid van het Openbaar Ministerie. De politieke verantwoordelijkheid voor het beleid van het Openbaar Ministerie legt de minister van Justitie af in uw Kamer. Ik denk dat het goed is om deze staatsrechtelijke kaders voorop te stellen.
Dat gedaan hebbende, kan ik relatief kort zijn over de punten die verder vanmiddag zijn aangesneden. Ik heb al gemeld wat de reactie was toen ik het collega van procureurs-generaal bevroeg over de berichten die in de krant zijn gekomen. Daarmee is hopelijk ook duidelijk dat wij dit misverstand nu als gesloten kunnen beschouwen. Dat betekent meteen ook -- zo zeg ik naar aanleiding van de vragen van de heer Verhoeven -- dat de beleidslijn van kracht blijft die ik met uw Kamer en met de Eerste Kamer heb gedeeld ten aanzien van de inzet voor de handhaving van deze wet. De vragen over specifieke gemeenteraden heb ik, naar ik meen, beantwoord door de staatsrechtelijke verhoudingen te onderstrepen en waar nodig te verduidelijken.
De heer Jansen vroeg of ik een overzicht kan geven van de misdrijven waaraan geen prioriteit wordt gegeven. Ik stel op dat punt graag voorop dat de strafbaarstellingen niet worden afgeschaft door er geen prioriteit aan te geven. Zeker, er zijn bepaalde soorten criminaliteit die wegens het grote maatschappelijke gewicht en de ingrijpendheid van de gevolgen voor mensen, een zeer, zeer hoge prioriteit hebben. Het gaat dan om moord, doodslag, verkrachting en mensenhandel, om er maar enkele te noemen. Er zijn ook misdrijven die zo ontwrichtend zijn voor de samenleving als geheel -- ik noem ernstige vormen van vermogenscriminaliteit, witwassen, alles wat leidt tot het opbouwen van machtsposities in de samenleving die onze democratische rechtsorde ondermijnen -- dat zij daartoe behoren. Het is echter niet zo en het mag ook niet zo zijn dat het Openbaar Ministerie zonder dat de wet gewijzigd is, besluit om een strafbepaling tot een dode letter te maken.
De heer Jansen (SP):
Dat zou ik ook zeker niet willen. De context van mijn vraag naar de aantallen was het bericht van 2 juni dat 150.000 zaken niet in behandeling worden genomen waarvan de politie zelf zegt dat zij er eigenlijk achteraan zou moeten gaan. Daaronder zijn zelfs gewelds- en zedendelicten. Dat zijn wat mij betreft misdrijven die in de hogere categorie vallen. Wij gaan daar niet primair over; ik ga er al helemaal niet over. Is de minister het echter met mij eens dat het heel logisch is dat het college van procureurs-generaal en de lokale driehoeken in zo'n situatie zeggen dat weliswaar in de wet staat dat alle gevallen van kraken strafbaar zijn, maar dat zij daarin toch een bepaalde gradatie aanbrengen? Is het niet logisch dat zij gevallen die gepaard gaan met vandalisme, geweld en overlast hoog op het lijstje zetten en dat de rest in de rij komt te staan? Vindt de minister dat net zo logisch als de SP-fractie?
Minister Hirsch Ballin:
Ik kan mij voorstellen dat de heer Jansen deze vraag stelt. Hij moet zich echter wel realiseren wat de consequentie zou zijn van zo'n benadering ten aanzien van bepaalde delictsoorten. Ik begrijp het gevoel wel dat erachter zit. Ik krijg ook wel eens reacties in de trant van "waarom maakt de politie werk van 10 kilometer te hard rijden, terwijl..." enzovoort. Nog afgezien van het feit dat dit soort snelheidsovertredingen in hoge mate in een steeds meer administratief ingerichte procedure worden afgehandeld, ben je, als je zegt dat je niets meer doet aan bepaalde delicten die hoe dan ook ten achter staan bij de zeer ernstige misdrijven waarvan ieder redelijk mens van oordeel is dat ze een zeer hoge prioriteit moeten hebben, in feite bezig om die strafbepalingen te ontkrachten.
Daarom moet je, ook als het gaat om delicten die niet tot de zwaarste categorie behoren -- ik heb zojuist enkele voorbeelden gegeven, en ik begrijp dat de heer Jansen die ook overtuigend vindt -- wel een zekere handhaving aanhouden. Anders ben je in feite bezig met aan de samenleving te berichten dat die strafbepalingen zijn afgeschaft.
De heer Jansen (SP):
Ik constateer dat er een zekere mate van handhaving is, want van de paar honderd kraakpanden die er nog zijn, worden er elk jaar minimaal enkele tientallen ontruimd, en misschien wel meer. Daarin wordt dus een prioritering bepaald. Naar analogie van de snelheidsovertredingen merk ik op dat de politie incidenteel en onverwacht controleert, en zich daarbij concentreert op plaatsen waar snelheidsovertredingen gevaar opleveren. Kortom, er wordt een afweging gemaakt van de ernst van het delict. Dan is het toch ook logisch dat de tientallen kraakgevallen die gepaard gaan met geweld, vandalisme et cetera, hoog op de lijst staan, maar de rest niet?
Minister Hirsch Ballin:
Er is wel een verschil tussen de snelheidsovertredingen en de strafbepalingen van dit wetsvoorstel. Het gaat om een strafbaarstelling als misdrijf. De snelheidsovertreding heb ik als voorbeeld gegeven om te laten zien dat er ook voor delicten die in de systematiek van het strafrecht overtredingen zijn en geen misdrijven, een zekere handhaving moet blijven bestaan, omdat je anders de strafbepaling helemaal ontkracht. In dit geval hebben wij te maken met een zwaardere categorie in het strafrecht dan de overtreding, namelijk een misdrijf. Bovendien gaat het om een uitspraak, die in een initiatiefwet wordt gedaan, dat het wenselijk wordt gevonden dat er handhavend wordt opgetreden. Ik handhaaf hier dus ook wat ik in de Tweede Kamer en in de Eerste Kamer heb gezegd, namelijk dat er een afweging moet plaatsvinden, waarbij lokale gezichtspunten een rol kunnen spelen. Er moet zeker ook een evenwichtig opsporings- en vervolgingsbeleid zijn. Dat is niet ongewoon. Er kan echter geen sprake van zijn dat voor een deel van de gevallen, laat staan het geheel, waarop deze wet betrekking heeft, door het Openbaar Ministerie zou kunnen worden gezegd: interessant dat die wet is aangenomen, maar er wordt niet handhavend opgetreden. Daarom heb ik gereageerd zoals ik zojuist heb gedaan.
De heer Verhoeven (D66):
Mevrouw de voorzitter. Het is een bijzondere dag, in het bijzonder voor mij, zowel omdat de indruk is gewekt dat ik misschien van de VVD zou zijn als omdat iemand beweerde dat ik misschien een mevrouw zou zijn. Ik zal daar heel ruimdenkend mee omgaan.
Ik wil een scherpe afbakening waar het gaat om de decentrale ruimte voor gemeenten. Ik kom daar even op terug, omdat de minister mij zojuist wist te helpen met zijn voorbeelden wat de strafmaat betreft. Kan de minister een voorbeeld noemen van een bestaande wet, waarbij de decentrale verantwoordelijkheid van gemeenten op een vergelijkbare wijze uitpakt als in deze aan te nemen kraakwet het geval is?
Minister Hirsch Ballin:
De eerste opmerking trek ik mij natuurlijk aan. Ik herhaal daarom graag mijn gelukwensen aan mevrouw Voortman en nu aan de heer Verhoeven, zonder mevrouw Helder uit het oog te verliezen, ten aanzien van wie vanmiddag nog geen enkel misverstand is gerezen.
Dan kom ik nu op de vraag van het kraken en de afwegingen die daarbij een rol spelen, in verhouding tot de leegstand. De wet heeft inderdaad twee onderdelen. Een daarvan heeft tot doel het bestrijden van de leegstand. Het andere onderdeel heeft betrekking op de strafrechtelijke handhaving van het kraakverbod. Dit is mede ingegeven door een ontwikkeling in de jurisprudentie, die een einde maakte aan de strafrechtelijke ontruimingen. Ik wil de discussie over de wet niet overdoen, dus daarom maak ik deze opmerking.
De heer Verhoeven (D66):
Voorzitter ...
De voorzitter:
U zult zich vast op dit debat hebben voorbereid, maar veel hebben wij al behandeld in de Kamer. Het is goed gebruik dat wij onszelf in dit huis niet herhalen.
Tot slot, mijnheer Verhoeven.
De heer Verhoeven (D66):
Ik neem uw advies graag ter harte en laat het hierbij.
De heer Koopmans (CDA):
De minister heeft een kraakheldere uiteenzetting gegeven over de taakverdeling binnen de Nederlandse rechtsstaat. Blijft over de vraag hoe, in de ogen van de minister van Binnenlandse Zaken, maar ook in de ogen van de minister van Justitie, een burgemeester moet omgaan met uitspraken van een gemeenteraad, die eigenlijk net buiten de kaders vallen.
Hoe kijkt de minister daartegen aan? Hoe moet een burgemeester die per motie een dergelijke opdracht krijgt, daar in de lokale of regionale driehoek mee omgaan? Hoe zou in de ogen van de minister de officier van justitie daarmee moeten omgaan?
Minister Hirsch Ballin:
Het is altijd goed als in discussies in gemeenteraden het bevoegdhedenkader en de staatsrechtelijke verhoudingen in het oog worden gehouden. Ik heb al gezegd dat ik de inbreng van de burgemeesters zeer op prijs stel waar het de gemeentelijke verantwoordelijkheden betreft. Daar is echter tegelijkertijd een beperking in gelegen.
De heer Koopmans (CDA):
Dat is mooi. Dan weten de burgemeesters nu ook dat zij allerlei moties toegestuurd kunnen krijgen, maar dat ze toch binnen de kaders van de rechtsstaat op dat punt moeten blijven staan. Ik ben toch benieuwd hoe de minister communiceert met de officier van justitie. Hoe dienen zij om te gaan met burgemeesters met een wat ruimere opvatting op dat gebied, die opdrachten vanuit de gemeenteraad interpreteren op een wijze die de vraag doet rijzen of dat nog wel recht doet aan wat er in de wet is bepaald?
Minister Hirsch Ballin:
Ik begrijp de vraag van de heer Koopmans heel goed. Daarmee omgaan betekent altijd helderheid betrachten, ook over waar de verhouding ligt tussen de bevoegdheid van de officier van justitie en die van de burgemeester. Er is uiteraard ook deskundige inbreng van de korpschef, die als vertegenwoordiger van de politie inzicht kan geven in capaciteiten en in wat er verder speelt. Het bevoegd gezag bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is het OM en dat stemt in de driehoek af met de andere twee hoeken van de driehoek. Dat is het kader en ik denk dat dit ook volstrekt helder is voor iedere officier van Justitie. De heer Koopmans vroeg hoe ik dat ga bespreken met het OM. Over het misverstand hebben we dus gesproken en wat ik net zei, is voor iedere officier van justitie zo elementair dat ik niet de indruk wil wekken dat ik twijfel heb aan het besef van de taken en verantwoordelijkheden van de officier van justitie door het nog ter sprake te brengen. Ik denk dat ik daarmee de vragen heb beantwoord.
Mevrouw Helder vroeg of er een relatie is met de duur van de leegstand. Ik wil niet uitsluiten dat dit in de afweging, in het overleg waar ik het net over heb gehad, een rol speelt, maar het is niet een punt geworden in de manier waarop dit wettelijk is geregeld. De wet is het referentiekader voor het beleid en pas tegen de achtergrond van de wet komt aan de orde het relatieve gewicht dat moet worden toegekend aan een concrete zaak.
Daarmee heb ik, naar ik hoop, ook de vraag van mevrouw Voortman beantwoord over de gevolgen voor OM en politie. In de driehoek komen ook altijd capaciteitsvragen aan de orde. Dat heb ik ook in de Eerste Kamer nog eens onderstreept in antwoord op vragen daarover. Dan kun je niet bij voorbaat zeggen om welke hoeveelheden het gaat. Daar werd een vraag over gesteld vanmiddag. Ik antwoord daarop niet anders dan ik ook in de Eerste Kamer heb gedaan. Er wordt aanvankelijk een zekere toename van de druk op de capaciteit verwacht, mede doordat er wellicht wat in te halen valt na de belemmering die er was ontstaan ten aanzien van de strafrechtelijke ontruiming, maar dat zal hopelijk op een gegeven moment weer in balans komen. Dat zijn de inschattingen die ik in de Eerste Kamer heb gegeven en die ik hier graag herhaal.
Ik denk dat ik hiermee ook de vraag van de heer Van der Staaij heb beantwoord. Nee, geen nieuw gedoogbeleid.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Voorzitter. Ik lees in de brief van de minister: "handhavend optreden is steeds de inzet, waarbij meer gewicht aan handhaving toekomt indien de eigenaar bijvoorbeeld gehinderd wordt". Dan staat er iets over de bestemming en als er sprake is van overlast of vernielingen: "op deze wijze kan worden gewaarborgd dat de handhaving van het algemeen kraakverbod in de prioriteitsstelling evenwichtig is ten opzichte van de handhaving van andere strafrechtelijke normen". Betekent dit dat wat de minister betreft, er ook een onderscheid aangebracht kan worden in verschillende situaties? Betekent dit dat er geen plicht tot ontruiming hoeft te zijn als het bijvoorbeeld gaat om kraakpanden die tot genoegen van buren, bewoners en gemeente bestaan? Is er sprake van een onderscheid?
Minister Hirsch Ballin:
Ik heb inderdaad gesproken over een prioriteitstelling, zowel in deze Kamer als in de Eerste Kamer. Ik heb dat vanmiddag opnieuw gedaan. Daarbij spelen verschillende factoren een rol, zoals overlast. In de afgelopen jaren zijn in toenemende mate klachten geweest over bepaalde kraakpanden die door nieuwe gebruikers van het vrije personenverkeer binnen de Europese Unie met een zodanige intensiteit werden bewoond dat dit tot maatschappelijke problemen leidde. Dat is een voorbeeld van een situatie die met andere factoren te maken heeft dan mevrouw Voortman net noemde en die aanleiding kan geven tot strafrechtelijk optreden.
Ik wil nogmaals echt onderstrepen dat het niet zo is dat via een soort nadere regeling die geen mens in de wet leest een deel van de tot stand gekomen wet weer buiten gebruik wordt gesteld. Als er in een concreet geval discussie ontstaat over het al dan niet handhavend optreden -- dat kan natuurlijk gebeuren, net als bij alle andere delicten op grond van het opportuniteitsprincipe dat wij kennen in onze rechtsorde -- is er altijd nog artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, op grond waarvan kan worden geklaagd bij het gerechtshof over het uitblijven van strafvervolging.
De voorzitter:
Ik zie dat er behoefte is aan een tweede termijn.
De heer Slob (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik spreek mede namens de heren Koopmans en Van der Staaij. Dit is mijn maidenspeech namens hen. Ik heb dat nog nooit eerder zo gedaan.
Ik wil allereerst de collega's Helder, Voortman en Verhoeven complimenteren met hun maidenspeeches. Er is terecht al geconstateerd dat die volledig in lijn waren met de wijze waarop hun voorgangers zich bij de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel hebben opgesteld. De heer Verhoeven, die al een heel bijzondere dag meemaakt, deed in zijn maidenspeech ook wel aan uitlokking toen hij het woord "koehandel" in de mond nam. Ik wil hem zeggen dat als je een wetsvoorstel behandelt in de kamer, je als initiatiefnemers luistert naar de inbreng van de Kamer in eerste termijn en op basis daarvan met een wijziging komt, dat een heel normale parlementaire gang van zaken is. Dat heeft helemaal niets met koehandel te maken. Zo is het gegaan en niet anders. Daar kunnen de Handelingen op nageslagen worden.
Ik dank de minister voor zijn bijdrage. Ik denk dat het goed is dat wij dit hier hebben uitgesproken. In de brief heeft hij geschreven dat de uitspraken die de woordvoerder van het College van procureurs-generaal heeft gedaan een indruk hebben gewekt die niet juist was. Hij heeft daarbij nu het woord "misverstand" gebruikt. Ik heb zelf in mijn eerste termijn gevraagd of de woordvoerder namens zichzelf heeft gesproken of dat de uitspraak weer wordt teruggenomen. Laten wij daar niet te veel over muggenziften. Het waren zeer ongelukkig gekozen bewoordingen die een onduidelijkheid hebben gecreëerd die niet had mogen ontstaan. Ik zeg de minister na, namelijk dat wij deze zaak nu gesloten moeten verklaren.
Dat betekent dat wij er nu vanuit kunnen gaan dat de beleidslijn die met betrekking tot het strafrechtelijke onderdeel en ten aanzien van het leegstandsaspect van het wetsvoorstel zoals wij die hebben gesproken verder moeten worden uitgevoerd. Dat staat nu op papier en dat moet in de praktijk worden gebracht. Wij wisten dat dit best enige tijd zou gaan vragen. Wij hebben uitgesproken dat die tijd er ook voor is. Dat er iets moet veranderen in Nederland en dat een meerderheid van het parlement dat heeft uitgesproken, mag klip-en-klaar zijn.
Wij merken wel dat de weerstanden zoals die er nu komen, moeten worden overwonnen. Dat betekent dat er overleg zal moeten zijn. Met name het grote misverstand dat het leegstandsonderdeel van de wet helemaal niets voorstelt en dat je er niets mee zou kunnen, moet worden weggenomen. Dat is echt in strijd met de wet en de wijze waarop er extra instrumentarium voor gemeenten beschikbaar komt, met name vanwege de kantoorpanden. Voor de categorie "niet zijnde woningen" was helemaal niets geregeld en nu wel. Dit moet opgepakt worden. Wij vragen het kabinet om dit ter hand te nemen, om gesprekken te voeren met betrokken partijen en afspraken met hen te maken. Daartoe dien ik een motie in, want wij willen daar als parlement graag bij betrokken blijven.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de initiatiefwet Kraken en Leegstand inmiddels door beide Kamers der Staten-Generaal is aanvaard en met ingang van 1 oktober 2010 van kracht zal zijn;
overwegende dat alle bij de uitvoering van deze wet betrokken partijen, zoals het Openbaar Ministerie, de politie en Nederlandse gemeenten waar men met kraken te maken heeft, vanaf dat moment een verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van deze wet;
tevens overwegende dat het in een democratische rechtsstaat van belang is om eenmaal tot stand gekomen wet- en regelgeving op een geloofwaardige wijze te handhaven;
verzoekt de regering, afspraken te maken met de bij de uitvoering van deze wet betrokken partijen gericht op een zorgvuldige uitvoering en handhaving van de wet en zich daarbij nadrukkelijk te richten op zowel het strafrechtelijke onderdeel van de wet (artikel 138 Wetboek van Strafrecht), als de (aangepaste) Leegstandswet;
verzoekt de regering, de Kamer over deze afspraken voor 1 oktober 2010 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Slob, Van der Burg, Koopmans, Van der Staaij en Helder.
Zij krijgt nr. 29 (31560).
De heer Jansen (SP):
In grote lijnen kan volgens mij iedereen in deze zaal met deze uitspraak instemmen. De vraag is echter of ik deze motie moet lezen als dat u vindt dat de uitvoering van het strafrechtelijk deel van de Wet kraken en leegstand hoger op de prioriteitenlijst moet komen dan het College van procureurs-generaal en de lokale driehoeken wensen? Of is het een meer algemene oproep in de zin van dat de wet, als die er is, naar eer en geweten moet worden uitgevoerd?
De heer Slob (ChristenUnie):
Mede vanwege de misverstanden die zijn ontstaan, moet klip en klaar zijn dat wij vinden dat het strafrechtelijk onderdeel verder dient te worden opgepakt. De Kamer kan zich daarover uitspreken en ik hoop dat er meer fracties voor zullen zijn dan de fracties die hun handtekening hebben gezet. Dit alles begint bij het College van procureurs-generaal, maar een en ander zal verder moeten doorwerken in de rest van Nederland. Helder is dat men daar eigen afwegingen moet maken. Dat hebben we niet alleen vanmiddag met elkaar besproken, maar ook eerder. We spreken dus krachtig uit dat wij pleiten voor een doorwerking.
Voor het leegstandsdeel wensen wij vurig dat ook de gemeentes die nog met de hakken in het zand staan, beseffen dat er een aanvullend instrumentarium komt dat, indien zij een en ander daadwerkelijk willen oppakken, behulpzaam kan zijn bij het strakker en meer gericht inhoud geven aan het leegstandsbeleid.
De heer Jansen (SP):
Ik waardeer het zeer dat de heer Slob die woorden spreekt. De kwalificatie "fundamentalistisch" die ik vanmiddag aan de bijdrage van de ChristenUnie-fractie heb gegeven, komt hiermee zeker te vervallen. Ik begrijp van de heer Slob dat hij nogmaals onderstreept dat een wet gehandhaafd moet worden, maar dat het maken van afwegingen ter vaststelling van de prioriteiten bij het College van procureurs-generaal en de lokale driehoeken thuishoort. Is dat correct?
De heer Slob (ChristenUnie):
Ik dank de heer Jansen voor het feit dat hij de woorden die hij in de mond nam ten aanzien van mijn fractie en andere fracties, heeft ingetrokken. Ik vond die woorden namelijk echt ongepast en naar mijn idee past het niet bij hem om dergelijke uitlatingen te doen.
Wij willen dat het kabinet de uitvoering van de wet in die zin stimuleert dat het niet een wet wordt die één keer in het Staatsblad komt en dat daarmee verder niets gebeurt. Die wet moet ook in de praktijk handen en voeten krijgen. Daarvoor is overleg nodig. Dat blijkt ook uit de weerstanden die er zijn. Voorop staat dat in dat overleg duidelijkheid moet worden gegeven over de nieuwe mogelijkheden die er zijn om de problemen aan te pakken waaraan volgens ons allemaal iets moet gebeuren. Ik doel met name op het leegstandsprobleem in Nederland. Daarbij dien je te respecteren dat overheden verschillende verantwoordelijkheden hebben en dat ze verschillende afwegingen dienen te maken. Dat is naar ons oordeel inherent aan een dergelijk overleg.
De heer Verhoeven (D66):
Ik handhaaf het woord "koehandel" zonder enige twijfel. Het is immers niet zo negatief bedoeld. De heer Slob heeft dat ook duidelijk gemaakt. Ik heb net ook een andere zware term gebruikt, namelijk "lege huls". Daarmee doel ik op het feit dat de D66-fractie vindt dat deze wet op het punt van de leegstand te weinig doet. Is de heer Slob bereid om naast deze maatregelen in de toekomst te denken aan maatregelen op andere schaalniveaus met de intentie, die leegstand daadwerkelijk aan te pakken, samen met onder andere mijn fractie?
De heer Slob (ChristenUnie):
Ik bied mijn excuses aan voor het feit dat ik de woorden "lege huls" niet heb meegekregen in het debat. Die komen hard aan, ook omdat het onterecht is om die te gebruiken. Als de heer Verhoeven zich het wetsvoorstel echt eigen maakt -- ik kan mij namelijk voorstellen dat hij het nog niet helemaal eigen heeft gemaakt en dat neem ik hem niet kwalijk -- zal hij constateren dat er een aanvulling is gekomen met betrekking tot een categorie waarvoor nog niets geregeld was. Ik doel op de categorie "niet zijnde woningen". In zijn inbreng legde de heer Verhoeven terecht de vinger op het feit dat een enorme oppervlakte leeg komt te staan. Daaraan moet dus iets worden gedaan. Met dit wetsvoorstel hebben gemeentes nu de mogelijkheid om ook voor deze categorie in beweging te komen en een actief leegstandsbeleid te voeren. Daar horen ook de winkels bij. Voor gewone woningen hadden zij die mogelijkheid al. Laten ze het dan oppakken!
Het zou fijn zijn als de heer Verhoeven, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor wat er binnen D66 gebeurt -- daarbij neemt hij als Kamerlid nu een belangrijke positie in -- in overleg gaat met alle wethouders van D66 in gemeenten die er toe doen en waarin dit onderwerp speelt. Wellicht kan hij hun duidelijk maken dat dit geen lege huls is, maar dat ze dit moeten oppakken. Misschien verzint men nog wel meer activiteiten om iets aan de leegstand te doen. Ik ben benieuwd waarmee de fractie van D66 in de komende tijd gaat komen. Wij staan ervoor open. Alles wat je immers maar kunt doen, moet je ook doen. Gemeenten moeten echter niet zeggen: we laten dit liggen, omdat we het eigenlijk wel gemakkelijk vinden dat anderen, namelijk krakers, voor ons dat probleem oplossen en in zo'n pand gaan zitten. Ik zeg er nogmaals bij dat krakers dit soms met heel goede bedoelingen doen. Dat hebben wij ook uitgesproken bij de behandeling van het wetsvoorstel. Wij willen echter een democratisch gelegitimeerd leegstandsbeleid. Als gemeenten het oppakken op de wijze die wij nu hebben vormgegeven in het wetsvoorstel, zou het heel goed kunnen dat alle goede doelen die door de voorganger van de heer Verhoeven in de Tweede Kamer zijn genoemd, op deze wijze een bestemming krijgen.
De heer Verhoeven (D66):
Ik dank de heer Slob voor zijn reactie. Ik reken op zijn steun in de toekomst. Ik geef hem nog mee dat het bij D66 echt traditie is om wetten van voorgangers heel goed te spellen, zeker bij een maidenspeech. Dat betekent echter niet automatisch dat je het met de hele inhoud van zo'n wet eens bent.
De heer Slob (ChristenUnie):
Van het laatste neem ik kennis. Dat is een fijne kennisgeving. Over het eerste zeg ik: wij wachten uiteraard eerst af waarmee de heer Verhoeven komt. Als het echt inhoud heeft en als steun verantwoord is, dan zullen wij het zeker niet laten om die steun te geven.
De voorzitter:
Ik kijk of anderen een bijdrage in tweede termijn willen leveren. Ik ga het lijstje af. Mevrouw Helder, wilt u spreken? Dat is het geval. Het woord is aan mevrouw Helder. Voor de nieuwkomers zeg ik dat de spreektijd een derde is van de spreektijd in eerste termijn, dus ruim een minuut.
Mevrouw Helder (PVV):
Voorzitter. Ik dank de minister voor de antwoorden, ook voor het antwoord op een vraag die niet van mij was, maar van een collega. Ik heb echter op enkele vragen van mij geen antwoord gekregen. Is de minister het eens met de gemeenten Amsterdam en Utrecht. Zij stellen dat handhaving te veel mankracht zou vergen. Als hij het daarmee eens is, hoe denkt hij dit dan zo snel mogelijk op te lossen?
Verder ben ik blij dat de minister duidelijk te kennen heeft gegeven dat er geen nieuw gedoogbeleid zal ontstaan. Toch wil ik het volgende even aanstippen. De kern van de nieuwe wet is dat kraken gewoon strafbaar is, vanaf dag één. De gemeenten die hebben gepleit voor terughoudendheid bij de uitvoering van deze wet, hebben dat gemotiveerd met de stelling dat kraken ook voordelen heeft gehad. Dat neem je niet zomaar weg. Dat is een andere motivering dan nu naar voren is gekomen. Daarom steun ik de motie van de heer Slob.
Mijn laatste mededeling is, dat ik de term "koehandel" nog steeds verwerpelijk vind. De heer Verhoeven had kunnen zien dat de heer De Roon goede argumenten heeft aangevoerd op basis waarvan de strafmaat is verhoogd.
De heer Verhoeven (D66):
De term koehandel betekent dat je allebei stapjes naar elkaar toe zet, totdat je er samen uitkomt. Dat is hierbij letterlijk gebeurd. Dat heb ik gelezen toen ik alles bestudeerde wat er bij de totstandkoming van deze wet is gepubliceerd. De indieners van de wet hebben gekozen voor verhoging van de strafmaat toen bleek dat de PVV alleen dan steun zou geven aan dit voorstel. Dat is wat wij verstaan onder koehandel. Laten wij dus niet zo gevoelig doen over deze term. Die dekt in dit geval precies wat er is gebeurd.
De voorzitter:
Waarvan akte, zou ik zeggen. Volgens mij hebt u uw punt nu beiden gemaakt.
Mevrouw Van der Burg (VVD):
Voorzitter. Ook ik dank de minister voor de beantwoording. Ik dank hem ook voor het feit dat hij nogmaals heel duidelijk heeft gemaakt wat de positie van de minister zelf in dezen is, maar ook die van het OM. Hij heeft het misverstand weggenomen dat procureurs-generaal ruimte zouden laten voor gedogen.
Ik dank de minister van Justitie ook voor het feit dat hij nog even heel keurig heeft uitgelegd wat de rol van de diverse partijen is, en dus ook welke de rol van de gemeenteraden in dezen is.
Hij zei letterlijk: zij hebben niet tot taak om te beslissen over het vervolgingsbeleid.
Verder wil ik de woordvoerder van de PvdA, de heer Recourt, danken voor zijn heldere stellingname. Ik weet dat de PvdA het in deze Kamer en ook in de Eerste Kamer niet eens was met het wetsvoorstel en daar ook tegen heeft gestemd. De heer Recourt heeft echter heel duidelijk gemaakt dat wanneer een wet wordt aangenomen door een meerderheid, je die wet hebt te handhaven en je je daaraan hebt te houden. Dank daarvoor. Daarmee constateer ik dat hij niet behoort tot degenen die zeggen dat zij meer gelijk zijn dan anderen -- zoals George Orwell al zei -- wat wel blijft gelden voor D66, GroenLinks en de SP.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Voorzitter. Ik kan het heel kort houden. De minister geeft aan dat er factoren zijn die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging in het kader van de antikraakwet. Die factoren zijn overlast, geweld en maatschappelijke problemen. Bij uitblijven van strafrechtelijke vervolging geeft de minister aan dat er ook nog de weg naar het gerechtshof is. Constateer ik dan terecht dat in geval van het uitblijven van overlast, geweld en maatschappelijke problemen, er wat de minister betreft geen sprake hoeft te zijn van strafrechtelijke vervolging?
De heer Recourt (PvdA):
Voorzitter. Wij waren tegen de wet en zijn er nog steeds niet blij mee, maar wet is wet. De wet is aangenomen en moet dus worden gehandhaafd. Hoe de wet wordt gehandhaafd, bepalen de lokale driehoeken op grond van de lokale situatie. Niets nieuws onder de zon, het was al bekend; het is nu bevestigd in dit debat. Dat is dan de winst van dit debat. De uitleg van de voorliggende motie begrijp ik dan ook zo dat de minister wordt gevraagd om in lijn met wat ik zojuist zei -- de wet moet worden gehandhaafd en de lokale driehoeken bepalen de prioriteit -- met zijn apparaat te gaan praten met de officieren van justitie. Als dat de uitleg is, lijkt me dat heel logisch. Ik moet het echter nog wel in de fractie bespreken.
Minister Hirsch Ballin:
: Voorzitter. Dank voor de reacties in tweede termijn. Ik heb de indruk dat we eigenlijk een punt hebben bereikt waarbij er van en aan alle kanten helderheid is. Dat klonk ook in de manier waarop er door alle sprekers, uiteraard met behoud van hun uitgangspunten, is gereageerd op wat ik in mijn antwoord in eerste termijn al heb gezegd.
Naar aanleiding van de vraag van mevrouw Voortman, die ook in de bijdrage van mevrouw Helder naar voren kwam, onderstreep ik nogmaals dat overeind staat wat ik zojuist heb gezegd over de noodzaak tot prioriteitsstelling. Deze geldt altijd bij de strafrechtelijke handhaving, maar komt er niet op neer dat juist de door het initiatiefwetsvoorstel, dat binnenkort initiatiefwet zal zijn, gecreëerde strafbaarstelling weer geheel of gedeeltelijk wordt teruggenomen. Daar kan uiteraard geen sprake van zijn. Daarom zullen we dit dus ook op de gewone vereiste, gewone ordelijk manier behandelen.
De vraag die besloten ligt in de motie die is voorgesteld door de heer Slob, mevrouw Van der Burg, de heer Koopmans, de heer Van der Staaij en mevrouw Helder is om afspraken te maken met de bij de uitvoering van deze wet betrokken partijen, gericht op een zorgvuldige uitvoering en handhaving, enzovoort.
Uiteraard is de doelstelling van het kabinet een zorgvuldige uitvoering en handhaving van de wet. Gelet op de ondertekening van de motie, is het in hoge mate waarschijnlijk dat deze wordt aangenomen. Ik denk dat het het beste is als ik op de motie reageer in termen van hoe mijn collega en ik er uitvoering aan kunnen geven indien ze wordt aangenomen.
Ik plaats wel een voetnoot bij het woord "afspraken". Ik neem aan dat het niemands bedoeling is, zeker niet van de indieners van de motie, dat we via afspraken toch weer de verantwoordelijkheid voor het opsporings- en vervolgingsbeleid uit handen geven. Ik neem dus aan dat met "afspraken" wordt bedoeld om te komen tot een afstemming tussen de benadering van de centrale overheid, in dit verband uiteraard in het bijzonder de verantwoordelijkheid die de minister van Justitie -- ik heb het over het ambt, dus ik objectiveer het -- draagt voor het opsporings- en vervolgingsbeleid en de verantwoordelijkheid die afzonderlijke burgemeesters dragen.
Als ik de motie zo mag interpreteren dat het woord "afspraken" niet bedoelt dat ik net weer doorkruis wat we hebben gezegd over goede staatsrechtelijke verhoudingen, maar dat ermee wordt bedoeld om te komen tot afstemming, lijkt het mij het beste dat ik dit aan de orde stel in het Strategische Beraad Veiligheid, waarin de VNG aanwezig is, het Korpsbeheerdersberaad en het openbaar ministerie. Een overleg dat gevoerd wordt door de ministers van BZK en Justitie leent zich bij uitstek voor deze afstemming. Ik zal de Kamer uiteraard graag verslag doen van wat zo'n gesprek oplevert.
Hetzelfde zal gelden voor mijn collega voor Wonen, Wijken en Integratie waar het gaat om zijn overleg met de VNG over kwesties van volkshuisvesting, waar het deel dat op de leegstand betrekking heeft, aan de orde kan komen.
De heer Slob (ChristenUnie):
Ik kan mij volledig vinden in de uitleg die de minister geeft. Waar het om gaat, en dat staat ook in de motie, is dat er een zorgvuldige uitvoering en handhaving van de wet gaat komen. Dat moet bevorderd worden. Daar ligt ook een taak voor de regering.
Mevrouw Voortman (GroenLinks):
Vat ik het debat goed samen als ik zeg dat met het ingaan van deze wet kraken strafbaar is, maar dat nog valt te bezien of dat tot strafvervolging leidt, omdat dat varieert per lokale driehoek?
Minister Hirsch Ballin:
Het samenvatten van een debat van twee uren in twaalf woorden is een heel ambitieuze onderneming, zeker wanneer mevrouw Voortman zegt dat nog valt te bezien of tot strafvervolging wordt overgegaan. Zeker in een schriftelijke weergave kan de kordaatheid die wellicht doorklonk in de woorden van mevrouw Voortman toen zij het had over vervolging, weer naar de achtergrond verdwijnen. Dat is niet de bedoeling van wat ik heb gezegd. Ik zou het dus liever houden bij wat ik heb gezegd vanmiddag en mij niet willen overgeven aan deze poging tot een zeer korte samenvatting van deze middag.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn beantwoording.
De beraadslaging wordt gesloten.
De vergadering wordt enkele minuten geschorst.
Groeiend antisemitisme
Aan de orde is het spoeddebat over het snel groeiende antisemitisme in Nederland.
De heer Van der Staaij (SGP):
Mevrouw de voorzitter. Een rabbijn die een Hitlergroet krijgt. Joodse medeburgers die op straat worden bespuugd of belaagd. Synagogen die met verf besmeurd worden. Een sabbatviering die afgelast wordt door de dreiging van geweld. Dat is beschamend en onaanvaardbaar. Je zou zeggen: wie vindt dat niet? Maar intussen gebeurt het wel. Het zijn geen verhalen uit de Tweede Wereldoorlog, nee het zijn afschuwelijke ervaringen in Nederland anno 2010, in Amsterdam, in Sneek, in Enschede of waar dan ook. Ook op de elektronische snelweg wemelt het van antisemitische taal. De laatste tijd is hier weer het nodige over naar buiten gekomen. Wij hoorden het tijdens een werkbezoek aan de joodse gemeenschap in Amsterdam. Indringend kwam het onlangs ook in de media naar voren. We zagen een rabbijn die ons met de neus op de harde feiten drukte. Eerder was er al een verontrustend krantenartikel onder de veelzeggende titel "Antisemitisme is meer dan een incident, het is normaal".
Antisemitisme, wij kunnen en wij mogen er niet aan wennen. Wij mogen er nooit aan wennen. Het is een kwaad dat bestreden moet worden voor het ons overweldigt. Het is schrijnend dat joodse medeburgers hun keppeltje moeten verstoppen om veilig over straat te gaan. Het is de omgekeerde wereld als synagogen om veiligheidsredenen de deuren moeten sluiten. Het is onacceptabel dat joodse scholen in vestingen moeten veranderen om geweld buiten de deur te houden. Nogmaals, het is niet normaal en dat mag het ook nooit worden.
Tegen deze achtergrond pleit de SGP-fractie voor een krachtig offensief en een concreet actieprogramma tegen antisemitisme. Mijn kernvraag aan het kabinet is de volgende: hoe gaat de minister zich sterk maken voor een krachtiger bestrijding van antisemitisme ook zonder het te laten verwateren in een algemeen breed beleid voor het tegengaan van discriminatie? Graag ga ik daar nog wat nader op in.
Allereerst is de vraag: weten wij voldoende wat er aan de hand is? In mijn eerdere schriftelijke vragen over onder meer CIDI-rappportages werd verbetering van de informatiepositie van de politie beloofd. Is de registratie nu wel op orde? Meten is toch weten? De CIDI-rapportage die wij vanmiddag kregen, liet ook zien dat het niet alleen om een gevoel van onveiligheid gaat, maar dat er ook daadwerkelijk een sterke stijging is van het aantal incidenten dat gemeld is. In 2009 ging het vergeleken met 2008 zelfs om een stijging van 55%.
Weten wij voldoende wat er aan de hand is? Ik noem een recente casus. Als er kort nadat Israël negatief in het nieuws is geweest een synagoge met verf wordt besmeurd, mag dit niet als een eenvoudig graffiti-incident worden beschouwd. Kunnen wij daarvan op aan? Graag pleit ik ook voor geregeld contact met de joodse gemeenschap om de trends goed in beeld te hebben en te houden. Anders lopen wij het risico dat, wanneer er een lager aantal aangiftes wordt gedaan, te gemakkelijk geconcludeerd wordt dat het de goede kant opgaat. In de praktijk horen wij juist dat aangiftes soms achterwege blijven omdat het rond maken van een aanklacht veel tijd en energie kost, maar vaak nergens toe leidt. Klopt het, zo vraag ik de minister in vervolg hierop, dat maar weinig met succes strafrechtelijk wordt opgetreden tegen antisemitische incidenten? Zijn daar specifieke cijfers van? De strafrechtelijke aanpak moet herkenbare prioriteit krijgen. Een duidelijk lik-op-stukbeleid is onmisbaar. Scheldkanonnades moeten onmiddellijk beantwoord worden met een stevige straf. De normen moeten meer dan ooit helder bevestigd worden door gezaghebbend optreden. Voor zover het probleem nu is dat succesvolle vervolging afketst op bewijsproblemen, zou een onorthodoxe aanpak, zoals onder anderen recent bepleit door collega Marcouch, ingezet moeten worden; lokagenten, undercoveragenten of verborgen camera's. Welke mogelijkheden ziet de minister hier concreet voor?
Bij een daadkrachtige aanpak hoort verder ook een stevige inzet op het voorkomen van antisemitisme. Is nu gewaarborgd dat in al het onderwijs voldoende stil wordt gestaan bij de verschrikkingen van de Holocaust? Is het werkelijk waar dat leraren het soms niet aandurven om de Holocaust ter sprake te brengen? Dat kan toch niet? Een jaar of zeven geleden kwam in het nieuws dat de toenemende anti-joodse houding van allochtone Amsterdamse scholieren het gemeentebestuur van Amsterdam vervulde met "brede afschuw, verontwaardiging en verontrusting".
Is er in de achterliggende jaren echt wat verbeterd? Welke specifieke inzet mogen wij, ook in het kader van het integratiebeleid, van het kabinet verwachten?
Ik pleit ervoor dat het kabinet met een concreet actieprogramma komt om antisemitisme daadkrachtig te bestrijden, met aandacht voor de justitiële aanpak, onderwijs, integratiebeleid en de internationale inzet. Ik hoor graag de reactie van de minister daarop.
De heer De Roon (PVV):
Voorzitter. Het antisemitisme tiert welig deze dagen. Uit de vandaag beschikbaar gekomen cijfers van het CIDI blijkt dat nog een keer. Hoewel het incidenten lijken te zijn die in aantal toenemen, betreft het hier toch echt een structureel probleem. Joodse burgers worden nageroepen, uitgescholden, bespuugd en belaagd. Zelfs de Hitlergroet wordt in het voorbijgaan aan hen gebracht. Er is een schuilsynagoge in Amsterdam en -- misschien iets minder bekend -- er moeten honderdduizenden euro's worden uitgegeven om joodse scholen in onze hoofdstad en de kinderen die daar les krijgen te beveiligen tegen antisemieten. Niet alleen op straat worden joodse burgers bedreigd; bijna de helft van alle strafbare uitingen op het internet zijn gericht tegen joden.
De aanpak van deze kwalijke ontwikkeling moet in de eerste plaats gericht zijn op het aanpakken van de daders. De manier waarop dat tot nu toe gebeurt, is duidelijk niet effectief. De PVV eist dat onze joodse medeburgers in ons land kunnen leven zonder doelwit te moeten zijn van misdrijven. Wij mogen, nee, wij moeten verlangen van de regering dat een grote inspanning wordt gedaan om de daders op te sporen en aan te pakken. De pakkans moet worden vergroot, maar vooral de afhandeling van zaken tegen de daders moet snel en doeltreffend zijn. Wij denken aan meer inzet van agenten in burger in de omgeving van plaatsen als joodse scholen, synagogen enzovoort. Ook moet snelrecht of supersnelrecht worden toegepast. Ten slotte moeten er stevige straffen worden geëist, ontmoedigende straffen. Wat wil de regering doen om bij opsporing en strafrechtelijke aanpak van deze misdrijven tot betere resultaten te komen? Heeft de minister, in zijn hoedanigheid van minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister van Justitie, daarvoor een plan de campagne?
Maar met alleen een intensievere strafrechtstoepassing zijn wij er natuurlijk niet. De PVV hoopt dat men niet de illusie heeft dat hiermee het probleem wordt opgelost, want dat zou slechts symptoombestrijding zijn. Het echte probleem, de bron van de opleving van dit antisemitisme, moet onder ogen worden gezien. Er is namelijk sprake van een structureel probleem. Bijna 20% van de geschiedenisdocenten in de Randstad maakt tegenwoordig mee dat hij of zij de Holocaust niet of nauwelijks kan behandelen in de klas doordat leerlingen dit onmogelijk maken. Deze docenten geven aan dat het bijna altijd gaat om islamitische jongeren. Het bespugen, beschimpen en aanvallen van joden in Amsterdam gebeurt, aldus de slachtoffers, ook bijna altijd door Marokkanen. Ook is het aantal gemelde incidenten in Amsterdamse wijken waar de islamitische gemeenschap het grootst is, significant hoger dan in wijken waar de invloed van de islam nauwelijks merkbaar is.
Kijkt de PVV hiervan op? Nee, daar kijken wij niet van op, absoluut niet zelfs. Wij menen dat de bron van het toenemend antisemitisme, wat deze groep betreft, gelegen is in de islam. De islam leert immers dat joden vervloekt zijn, dat je als moslim geen vriendschap mag sluiten met joden en dat het de wens is van Allah dat joden worden gedood. Dit zijn de ideeën die wij terugvinden in de Koran en de Hadith, de basis van de islamitische levensbeschouwing. Onder anderen veel Marokkaanse jongeren krijgen dus vanuit hun opvoeding of de omgang met hun Marokkaanse vrienden op straat mee dat jodenhaat eigenlijk niet zo erg en misschien wel goed is. Het is immers onderdeel van de levensbeschouwing.
Ik vraag de minister daarom het volgende. Deelt hij mijn mening dat het toenemend antisemitisme in ons land een structureel probleem is en deelt hij mijn visie op de oorzaak daarvan? Hoe gaat de regering dit structurele probleem aanpakken? Ik hoop op een uitvoerig antwoord van de minister.
De heer Çörüz (CDA):
Voorzitter. Iedereen heeft het recht om zich veilig en beschermd te voelen, ongeacht geloof en etnische afkomst. Antisemitisme past hier niet in en is daarom onaanvaardbaar. Het ontwricht de samenleving. Daarom moeten we alles in het werk stellen om dit te voorkomen en te stoppen.
Klopt het zorgelijke beeld dat er niet alleen een toename van het aantal incidenten van antisemitisme is, maar dat deze ook qua aard ernstiger worden? Wat is de omvang van antisemitisme in Nederland? Wie maken zich daar schuldig aan? Hoe staat het met de vervolgingsrichtlijnen? Hoe reageert de rechterlijke macht daarop? Het CDA wil een betere registratie door de politie, want daar begint het. Maar voor zover ik weet, splitst de politie de gegevens niet uit naar antisemitische zaken, antihomozaken of anti-islamzaken. Juist doordat dit niet gedaan wordt en het algemeen genoteerd wordt, hebben we geen goed beeld. Dat zou verbeterd kunnen worden. Klopt het dat alle politiekorpsen in hun politieregio een contactpersoon voor discriminatiezaken zouden moeten hebben? Collega Van der Staaij wees er al op dat antisemitisme gewoon lijkt te worden. Hierin mogen we absoluut niet berusten. We herkennen, zien en horen vaak nog de zangkoren in stadions. Gelukkig worden die tegenwoordig consequenter aangepakt met een stadionverbod of het stilleggen van een wedstrijd. Zo hoort het ook.
Ik wil terugkeren naar de bron, waarop de aanpak zich zou moeten concentreren. Antisemitisch gedrag is in feite een gebrek aan respect, waarden en normen, een gebrek aan kennis van het verleden. De rol van ouders moet daarbij nadrukkelijk in beeld, net als de rol van onderwijs, sportclubs en moskeeën. Met name die jongeren, veelal van Marokkaanse afkomst, moeten daarop worden aangesproken. Maar niet alleen zij, ook hooligans. Laten we dat benoemen en aanpakken. Naast lokadvertenties, lokfietsen en lokoma's lijkt de inzet van lokagenten een probaat middel te zijn. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Wij denken dat dit kan helpen. Als ik goed geïnformeerd ben, is er tot op heden niemand op heterdaad betrapt. Dat is triest. Daarin zouden deze lokagenten een rol kunnen spelen. Lik-op-stukbeleid is nodig om antisemitisme in een vroeg stadium aan te pakken. Heropvoeden, straffen en plukken zijn zaken die strafrechtelijk kunnen worden ingekaderd.
Ik kom op het punt van de aangiftebereidheid. Er zou anoniem aangifte gedaan moeten kunnen worden. Net zoals we recentelijk hebben bepleit dat bijvoorbeeld directies van ziekenhuizen namens hun personeel aangifte kunnen doen, kan bijvoorbeeld het CIDI de aangifte doorzetten. Dat kan gebeuren als men de zaak niet vertrouwt of als men bang is. Men kan het melden bij het CIDI. Je zou de lijn kunnen doortrekken dat het CIDI die rol op zich neemt, net zoals dat bij ziekenhuizen het geval is. Wat vindt de minister van dat idee?
Het is een plicht aan ons allen om alert te zijn. Burgers kunnen wat ons betreft veel actiever meewerken. Iedereen heeft tegenwoordig een mobieltje. Je kunt met zo'n mobieltje bijvoorbeeld foto's maken en die aanbieden aan de politie, een getuigeverklaring.
De opvoeding is heel cruciaal. Daar moet het beginnen. Wat doet de regering en, met name, wat doen lokalen daaraan? Het is immers met name een lokale verantwoordelijkheid. Oud-minister van BZK Guusje Ter Horst roemde altijd de lokale aanpak van radicalisering. Zelfs in Europa werd die verspreid. Ik zou zeggen: pak dit goed op.
Tot slot wil ik een punt niet ongenoemd laten. Het gaat om een project in de Diamantbuurt waarbij met foto's wordt gewerkt. Het richt zich ook op onwetende allochtone ouders. Er is bijvoorbeeld een foto van David die is afgevoerd en vergast. Erbij is vermeld dat tegenwoordig Mohammed op die plek woont. Die confronterende beelden kunnen heel goed werken. Ouders die niet willen kunnen wat ons betreft rekenen op bijvoorbeeld ots, ondertoezichtstelling, van hun kinderen die jonger dan twaalf jaar zijn. Wij mogen niet dulden dat onwillige ouders hiermee wegkomen.
De heer Van Raak (SP):
Voorzitter. Een tijd terug ging ik op bezoek bij een synagoge om een joods feest mee te vieren. Thuis zette ik alvast mijn keppeltje op, dat ik eerder had gekregen, en daarmee nam ik plaats in de tram op weg naar Amsterdam-Zuid. Ineens keek iedereen mij aan, sommige mensen vijandig, sommige mensen verwonderd, maar iedereen keek mij aan. Dat was een ongemakkelijk gevoel. Veel Nederlanders, in ieder geval veel Amsterdammers, kunnen moeilijk omgaan met mensen die een religieus symbool dragen. Het is voor hen vreemd, vervreemdend. Het Sociaal en Cultureel Planbureau berichtte vandaag dat steeds meer mensen in Nederland homoseksualiteit accepteren, dit niet meer als vreemd beschouwen. Maar een kleine groep mensen toont juist meer afkeer van homoseksuelen. Laag opgeleide Turkse en Marokkaanse jongeren, maar ook mensen met een orthodox-islamitische of orthodox-protestantse achtergrond.
In algemene zin lijken we in Nederland steeds toleranter te worden tegenover religieuze en seksuele minderheden en andere minderheden, maar blijkbaar moeten mensen zich niet al te veel tonen. Je moet blijkbaar niet al te opzichtig met je keppeltje in de tram gaan zitten. Mannen moeten elkaar ook niet al te opzichtig in het openbaar zoenen. Een kleine groep mensen is juist minder tolerant geworden. Sommigen schromen niet om verbaal en zelfs fysiek geweld te plegen. Bij veel synagogen staat een politieauto voor de deur.
Het Parool berichtte onlangs dat joodse kinderen van basisschool Rosj Pina door islamitische kinderen werden bedreigd en belaagd tijdens de Amsterdamse avondvierdaagse. Leerlingen van de joodse school Cheider zeggen regelmatig te worden uitgescholden, bespuugd en bedreigd. Eerder bleek dat in de grote steden een op de vijf geschiedenisdocenten amper nog de Holocaust ter sprake durft te brengen, omdat dit gevoelig zou liggen bij leerlingen met een islamitische achtergrond. Klopt het dat vooral Marokkaanse Nederlanders zich schuldig maken aan verbaal en fysiek geweld? Klopt het ook dat als de spanningen tussen Israël en de Palestijnen toenemen, ook het aantal incidenten in Nederland toeneemt? Geweld tegen homoseksuelen lijkt toe te nemen, ook in Amsterdam. Daar werd vorig jaar 82 keer melding gedaan van fysiek geweld. Een op de tien homoseksuele mannen werd uitgescholden. Voor vrouwen gelden soortgelijke cijfers. Het Openbaar Ministerie en het COC in Amsterdam hebben volgens mij goede afspraken gemaakt over de aanpak van homofoob geweld. Die moeten ervoor zorgen dat het Openbaar Ministerie beter wordt geïnformeerd, dat zaken sneller worden afgehandeld, het geweld beter wordt geregistreerd en dat het gemakkelijker wordt om aangifte te doen. Is het altijd mogelijk om anoniem aangifte te doen? Is het mogelijk om deze aanpak van het COC en het Openbaar Ministerie in Amsterdam ook toe te passen op andere groepen, bijvoorbeeld voor joodse of islamitische landgenoten die worden bedreigd.
Wij staan hier vandaag voor een groot probleem, een probleem van alle tijden. Hoeveel ruimte hebben minderheden in dit land: religieuze minderheden, seksuele minderheden, alle minderheden? Hoe gaan wij met elkaar om in dit land? Vaak weet de politie wie de slachtoffers zijn, maar ook wie de daders zijn. Dat gaat meestal om een kleine maar harde kern, die mensen blijvend lastig valt. Denk maar aan de voorbeelden in Utrecht, waar tot twee maal toe homoseksuelen de wijk werden uitgepest. Ook hier gaat het vaak om Marokkaanse jongeren. Ik hoor graag van de minister hoe hij verklaart dat juist deze groep voor zoveel problemen zorgt. Is het een religieus probleem? Dat kan ik me bijna niet voorstellen. Is het een cultureel probleem? Daar kan ik me van alles bij voorstellen. Of is het een kwestie van opvoeding? Wat is de analyse van de minister? In ieder geval moeten mensen beschermd worden als zij blijvend slachtoffer zijn van geweld. Dat kan misschien door straffen te verhogen, in ieder geval door voorlichting te geven op scholen. We kunnen een voorbeeld nemen aan homoseksuele jongeren, die het lef hebben om een klas binnen te stappen en te zeggen: ik ben homoseksueel; zullen we het erover hebben? Soms levert dat verbijsterend goede resultaten op. Zouden moskeeën hierbij een rol kunnen spelen? Ik ben benieuwd naar de opvatting van de minister, want wie intolerantie accepteert, verklaart minderheden vogelvrij en dat kunnen wij in dit land niet accepteren.
Helemaal tot slot. De heer Marcouch heeft een aantal voorstellen gedaan in de media, maar we hebben hier een parlementaire democratie en geen mediademocratie. Ik vind het opvallend dat de heer Marcouch allerlei voorstellen doet in de media, maar ze niet hier in de Kamer presenteert en verdedigt. Daar hebben we een Kamer voor. Mevrouw Arib kan het misschien nog wel veel beter. Ik vond dit opmerkelijk en ik hoop niet dat het een nieuwe gewoonte gaat worden.
De heer Teeven (VVD):
Voorzitter. Op 4 mei was ik op bezoek bij de joodse basisschool Rosj Pina en de joodse middelbare school Maimonides in Amsterdam, waarover collega Van Raak al even heeft gesproken. Het is wel schokkend als je de verhalen van die kinderen hoort, zowel op de basisschool als op de middelbare school. Inderdaad waren zij tijdens de Avondvierdaagse belaagd, maar nog erger, ook bedreigd en bedreigd met geweld. Dan gaat het niet alleen om uitingen maar ook om bedreiging met geweld en opmerkingen zoals: we weten je te vinden, we weten waar je woont en we zoeken je op.
Als je daarnaar luistert, is het niet moeilijk om te constateren dat het gezicht van discriminatie en antisemitisme een ugly face is. Ik noem in dit verband pogingen tot brandstichting in synagogen in Arnhem en Amsterdam in 2008, bedreigingen met geweld en geweld op de openbare weg tegen joden die openlijk voor hun geloof uitkomen, vernielingen van eigendommen van joodse instellingen en burgers van vermoede Joodse afkomst. Ik noem maar weer eens het vuurwerkincident uit 2009, toen een Joodse weduwe dat allemaal door de brievenbus kreeg. In 2010 werd een rabbijn van de fiets af getrokken. Ik noem het afgelasten van de sabbatviering in Weesp na bedreigingen met geweld en de schuilsynagoge in Amsterdam-West, waarover collega De Roon al sprak, die van buiten onherkenbaar is gemaakt. Er zijn incidenten en vernielingen rond gebouwen, via de telefoon, op school, in de werksfeer en op begraafplaatsen.
Al dit soort gedrag, of beter gezegd: wangedrag, moet op geen enkele wijze worden getolereerd. De VVD-fractie vindt dat dit soort gedrag de fundamentele vrijheden van mensen in een rechtstaat raakt. Wij stellen de minister dan ook de vraag of op basis van de cijfers van politie en justitie een daadwerkelijke toename van dit soort bedreigingen, geweld en vernielingen te zien is. Het CIDI heeft hierover cijfers verstrekt, maar ik hoor graag een toelichting van de minister op dit punt. Beperkt dit zich voornamelijk tot Amsterdam of betreft het ook andere delen van Nederland? Zijn de plegers vaak of nagenoeg altijd mensen van Marokkaanse afkomst of ligt het toch breder?
Goedpraten, meebuigen, wegkijken of ontkennen kan nooit het antwoord zijn op dit soort wangedrag, laat staan een afgrijselijke stilte. Vooropstaat dat het gaat om het stellen van duidelijke voorbeelden door het opsporen en vervolgen van daders. Preventie en maatregelen op school kunnen nooit alleen voldoende antwoord zijn. De VVD-fractie maakt zich grote zorgen over de toename van het antisemitisme. Volgens het CIDI waren er in 1999 20 incidenten en in 2008 maar liefst 108. Over de eerste maanden van 2009 zijn er alweer heel schokkende cijfers. Ook hier is weer de vraag of deze overeenkomen met de officiële cijfers van politie en justitie die de minister bij zich zou moeten hebben.
Bij real life incidenten zijn het nagenoeg altijd allochtonen van Marokkaanse afkomst, terwijl de discriminatie via internet vooral afkomstig lijkt te zijn uit autochtone, rechts-extremistische hoek. Herkent de minister zich in dit door het CIDI geschetste beeld? Zo niet, wat is dan zijn beeld na vier jaar regeren?
Slachtoffers van criminaliteit staan bij de VVD altijd voorop. Het is bij uitstek de taak van de overheid om mensen tegen geweld en vernielingen te beschermen. Dat geldt trouwens ook voor de beveiliging van subjecten en objecten die door het antisemitisme in de knel komen. Ik doel dan bijvoorbeeld op de joodse scholen in Amsterdam-Zuid. De Staat moet waken tegen geweld tegen bevolkingsgroepen. Anderen zeiden al voor mij dat lik-op-stukbeleid het enige antwoord is op dit soort wangedrag.
Ik spoor de minister dan ook vandaag aan om dit nog eens onder de aandacht te brengen van politie en Openbaar Ministerie, met name in Amsterdam. Ik vraag hem ook of hij kan zeggen welk percentage van de aangiften inzake antisemitisme in Amsterdam daadwerkelijk leidt tot vervolging. Wat zijn de sepotcijfers en wat is daarvan de reden?
Ik rond af met een enkele opmerking over preventie. De Holocaust moet in ieder geval ter sprake komen bij het geven van geschiedenislessen. Het is voor de VVD onaanvaardbaar dat de verschrikkingen van de Holocaust niet onder de aandacht van jongeren zouden worden gebracht.
De heer Dibi (GroenLinks):
Voorzitter. Ik zeg allereerst hoe eervol het oprecht voelt om hier als vers herkozen Kamerlid het woord namens mijn partij te mogen voeren. Ik wens alle oude en nieuwe gezichten heel veel succes. Voorzitter, ik ben ook blij dat wij weer onder uw toeziend oog het woord mogen voeren en het debat mogen aangaan.
Dan down tot business. Het CIDI registreerde alleen al in de eerste maand van 2009 evenveel antisemitische incidenten als in het hele jaar daarvoor. En dan nog te bedenken dat dit waarschijnlijk het topje van de ijsberg is, want lang niet iedereen doet aangifte of durft dat te doen. De cijfers zijn veelzeggend, maar de voorbeelden -- er zijn al een aantal genoemd -- completeren een gitzwart beeld. Mensen verbergen hun keppeltje uit angst voor belediging en molest of gaan naar een schuilsynagoge.
Het is on-Nederlands dat religieuze opvattingen niet in vrijheid kunnen worden beleden. GroenLinks wil stevige maatregelen, die ook effectief zijn. Wij hoeven niet per se op zoek naar het zoveelste nieuwe voorstel, maar wij moeten voornamelijk inzetten op de dingen die wij al tot onze beschikking hebben. Dan spreek ik niet over een jaarlijkse keppeltjesdag, want als het aan mij ligt is het iedere dag keppeltjesdag. Iedereen moet altijd vrij zijn om een keppeltje te dragen.
Volgens de rapportage van de Monitor Racisme & Extremisme zijn er drie effectieve middelen: educatie, repressie en deradicaliseringsbeleid. Mijn vragen aan de minister gaan over de eerste twee middelen. Ik kom allereerst op educatie. Vorig jaar maart kreeg ik in antwoord op schriftelijke vragen aan de toenmalige minister van Justitie en de toenmalige minister voor Wonen, Wijken en Integratie -- de mogelijke nieuwe burgemeester van Amsterdam -- de toezegging dat zou worden nagegaan hoe wij ervoor kunnen zorgen dat jongeren op middelbare scholen zich verdiepen in elkaars geschiedenis. Het betreft met name zware thema's als de Holocaust en de Nakba, omdat het in dit geval vaak gaat over de import van het Midden-Oostenconflict. Vaak als de spanningen in Israël en Palestina toenemen, zie je hier dat geweld, beledigingen en scheldpartijen oplaaien. Hoe staat het met de uitvoering van die toezegging?
Niet alleen antisemitische incidenten nemen toe, ook homodiscriminatie en -geweld blijft zorgwekkend. Laten wij islamofobe incidenten niet vergeten. Dat brengt mij op het tweede punt: repressie. Enkele weken geleden heeft mijn politiek leider voorgesteld om een nieuw gekwalificeerd geweldsdelict te introduceren. Mijn fractie wil dat de straf voor geweldsdelicten tegen minderheidsgroepen met een derde wordt verhoogd. Het betreft geweld tegen mensen vanwege hun geloof, zoals tegen joden, hun seksuele voorkeur, etniciteit, handicap of leeftijd. Als het qua tijd allemaal lukt, streef ik ernaar om het desbetreffende initiatief bij de eerstvolgende behandeling van de justitiebegroting te presenteren. Voor nu ben ik benieuwd naar de reactie van de minister op dit initiatief. Is dit een mooi signaal richting de strafwetgever waarmee de overheid tot uitdrukking brengt hoe vreselijk het is als dit soort zaken op basis van iemands identiteit plaatsvinden?
Ik eindig met de gulden regel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Wat mij bijzonder steekt aan voornamelijk de oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse jongeren in gevallen van geweld en belediging van joodse Nederlanders, is dat dit zelf een minderheidsgroep is. Die minderheidsgroep doet vaak kond van onrecht dat hun wordt aangedaan, soms ingebeeld en soms terecht. Die minderheidsgroep beantwoordt dat onrecht met onrecht tegen een andere minderheidsgroep. Dit is ook een boodschap richting de PVV, want laten wij antisemitisme niet aangrijpen om islamofobie aan te wakkeren. Ik hoop dat iedereen de gulden regel iets meer ter harte neemt. Ik kijk uit naar de reactie van de minister.
Nog een korte vraag: is de politie in Nederland extra alert rondom synagoges en plekken waar joodse Nederlanders samenkomen als de spanningen in het Midden-Oosten oplaaien? Wordt er dan nagedacht over meer toezicht of wat dan ook? Hoe kijkt de minister hier tegenaan?
Mevrouw Arib (PvdA):
Voorzitter. Het antisemitisme blijkt weer de kop op te steken. Bij de meldpunten voor racisme en discriminatie komen jaarlijks tientallen meldingen van antisemitisme binnen. Het CIDI spreekt van een stijgende lijn. Volgens de gegevens die wij via de mail hebben gekregen, is er vergeleken met 2007 sprake van een stijging met 106 gevallen. Tot juni 2010 zijn er 70 incidenten gemeld.
Waar het eigenlijk om gaat, is het volgende. Natuurlijk zijn die cijfers belangrijk -- daar zal ik straks ook iets over zeggen -- maar cijfers zeggen weinig over de problematiek waar wij het vandaag over hebben. Zo blijkt dat slachtoffers lang niet altijd melding maken van intimidatie, bedreigingen en geweld, ook verbaal geweld, in verband met discriminatie. Laat staan dat zij aangifte doen! De joodse gemeenschap in Nederland vermijdt grotendeels aanvaringen door zo min mogelijk op te vallen, een muts over een keppeltje te dragen en ook bewust bepaalde wijken te mijden. Binnen de joodse gemeenschap heerst een gevoel van onveiligheid in het dagelijkse leven. Zo hoorde ik van een fractiegenote dat er tijdens de recente herdenking van de kindertransporten in kamp Vught op zondag 6 juni buiten het hek door jongeren op een brommer de Hitlergroet werd geschreeuwd terwijl de rabbijn het gebed voor de doden uitsprak. Dat was schokkend en zij kreeg er kippenvel van. Dit is niet de samenleving die wij willen.
Agressie, pesterijen, bedreigingen, intimidatie en geweld tegen joden horen niet thuis in onze samenleving en dienen op alle mogelijke manieren te worden bestreden. Dit soort zaken kan men niet als eenmalige incidenten beschouwen. Antisemitisme is niet een probleem dat alleen de joodse gemeenschap raakt, maar de samenleving in haar geheel. Het bestrijden van discriminatie achten wij van fundamenteel belang in onze democratische rechtsstaat. De effectuering van sociale grondrechten is een verantwoordelijkheid van alle overheden die deel uitmaken van het Nederlandse staatsbestel. Het is de taak van de overheid om burgers in dit soort situaties adequaat bij te staan en te beschermen.
Voorzitter. Ik heb nog een aantal vragen. Er zijn al de nodige opmerkingen gemaakt over registratie. Het blijkt toch dat wij vanuit verschillende instanties verschillende gegevens krijgen. De vraag is of antisemitisme als zodanig ook wordt geregistreerd. Ik zou heel graag zien dat er een uniforme registratie plaatsvindt, zodat wij ook inzicht hebben in de omvang en de aard van de problematiek. Ik hoor graag een reactie van de minister hierop.
Met alleen melden en registreren zijn wij er nog niet. Het is ook belangrijk dat slachtoffers van antisemitisme aangifte doen en dat wanneer slachtoffers aangifte doen, politie en justitie actief de daders opsporen en vervolgen. Ik vraag me af of politiekorpsen voldoende alert zijn op de toename van antisemitisme en of zij deze problematiek adequaat kunnen aanpakken. Het blijkt dat het vrij lastig is om de bewijslast rond te krijgen. Daarover heeft mijn fractie ook schriftelijke vragen gesteld. Zij heeft gevraagd of de opsporingsmiddelen die wij nu hebben afdoende zijn en of wij niet moeten overgaan tot onorthodoxe manieren om die bewijslast rond te krijgen. In dat verband is ook het voorstel vanuit de PvdA gedaan om met undercoverteams te gaan werken. De antwoorden van de minister vond ik vrijblijvend. Hij zegt dat het eigenlijk nu al kan en dat de huidige opsporingsmethoden afdoende zijn, omdat per geval zal worden bekeken of het wel of niet via een undercoveragent kan gebeuren.
De heer Teeven (VVD):
Ik vond de antwoorden van de minister wel vrij duidelijk en helder. Volgens mij kon hij niet veel anders antwoorden. Maar de vragen die de PvdA-fractie stelde, waren wat minder duidelijk. Begrijp ik nu dat de PvdA-fractie in de toekomst, als het om delicten van belediging en belaging gaat, gewoon een veel ruimere inzet van zwaardere opsporingsmiddelen wil? Dat heb ik de heren Marcouch en Recourt eigenlijk horen bepleiten de afgelopen dagen.
Mevrouw Arib (PvdA):
Wij hebben hier al eerder voor gepleit in een discussie over discriminatie op de arbeidsmarkt. Dat debat werd toen niet met deze minister maar met minister Donner gevoerd. Minister Donner heeft toen gezegd dat hij die middelen te zwaar vond als hij die afzette tegen de gebeurtenissen. Dat wilde hij niet. Wij hebben er toen zelfs een motie over ingediend, maar hij wilde dat niet. Mijn fractie vindt de psychische en fysieke gevolgen van intimidatie, bedreiging en agressie, soms gepaard gaande met fysiek geweld, vergaand. Daarom keuren wij dat soort middelen niet af.
Daarom vraag ik de minister of het nu inderdaad al gebeurt. Volgens de minister is dat niet het probleem en zijn de huidige opsporingsmiddelen afdoende. Ik wil graag weten of dat werkelijk zo is. Als dat werkelijk zo is, wil ik graag weten wat er met de in de afgelopen periode gedane aangiftes -- ik weet niet of het zo ver is gekomen -- is gebeurd. De minister zegt dat wij wat opsporen en vervolgen betreft binnen de huidige wetgeving al heel veel kunnen, maar zijn de daders opgepakt? Alleen door het actief opsporen en vervolgen van daders voelen slachtoffers zich serieus genomen en voelen zij zich beschermd. Zij zullen dan eerder bereid zijn om in de toekomst aangifte te doen. Het gaat hier om het vertrouwen in de rechtsstaat. Kan de minister zeggen hoeveel aangiftes van antisemitisme er de afgelopen jaren zijn gedaan en wat hiermee is gebeurd?
Het voorbeeld van het gesprek tussen het COC en het OM is al gegeven. Deze twee hebben afspraken gemaakt om actiever op te treden en te zorgen voor een betere aanpak van homofoob geweld. Ik zou graag willen dat het OM hetzelfde soort afspraken maakt met de joodse gemeenschap en haar organisaties om tot een effectieve aanpak te komen.
Er is al gezegd dat Marokkaanse jongeren vaak betrokken zijn bij dit soort incidenten. Ik vind dat repressief moet worden opgetreden en dat strafrecht moet worden ingezet, maar daarmee hebben we het probleem voor de lange termijn niet opgelost. Daarom vind ik het van belang dat op school -- dat is ook door een aantal collega's genoemd -- in de geschiedenisles aandacht wordt besteed aan de gevolgen van de Holocaust en wat deze met mensen heeft gedaan, wat haat zaaien kan betekenen voor de samenleving en de mensen in de samenleving. Ik hoor graag van de minister of hij bereid is om met zijn collega van OCW te overleggen over een manier om binnen de onderwijsprogramma's structureel aandacht te schenken aan dit probleem.
De heer Van Raak (SP):
Dat zijn goede plannen, die ik van harte ondersteun.
De heer Marcouch heeft in aanloop naar dit debat allerlei voorstellen gedaan in de media over lokjoden en keppeltjesdagen. Ik heb mevrouw Arib daar niet over gehoord. Zijn dit nu voorstellen van de Partij van de Arbeid of zijn dit privévoorstellen van de heer Marcouch? Wij hebben een parlementaire democratie, geen mediademocratie. Wordt dit nu de nieuwe lijn van de Partij van de Arbeid, dat een woordvoerder allerlei voorstellen doet in de media en niet in de Kamer? In de Kamer kunnen wij voorstellen met elkaar bespreken en kunnen wij ze wegen om zo tot oplossingen te komen. Niemand wordt er echter beter van als er allerlei plannetjes worden gelanceerd en ballonnetjes worden opgelaten in de media. Waar zijn de voorstellen gebleven: zijn zij nu van tafel of zal mevrouw Arib ze hier alsnog indienen?
Mevrouw Arib (PvdA):
Als de heer Van Raak goed geluisterd had, had hij gehoord dat die voorstellen hier ook terugkomen. De heer Marcouch en collega Recourt pleiten in hun artikel voor undercoveragenten. De een noemt het zus en de ander noemt het zo, maar het gaat erom dat het op dit moment heel lastig is om de bewijslast rond te krijgen. Er zijn allerlei voorbeelden uit het verleden van agenten die undercover gaan om de daders van geweld tegen homo's of ouderen te kunnen oppakken. Om dat voorstel gaat het. Dat voorstel heb ik nu ook gedaan. Dat is niet alleen in de media gebeurd, want mijn collega's hebben daarover ook schriftelijke vragen gesteld.
De heer Van Raak (SP):
Het gaat erom dat wij hierover kunnen discussiëren.
Mevrouw Arib (PvdA):
U wilt met de heer Marcouch zelf in gesprek?
De heer Van Raak (SP):
Natuurlijk, als hij de voorstellen doet, wil ik met hem debatteren! Dit is een goed voorstel. Mijn opmerking zou zijn: "dat kan", maar ik vind dat wij dat vooral aan de politiekorpsen zelf moeten overlaten. Wij gaan ons nu bemoeien met de opsporing. Moet de Tweede Kamer dit nu voorschrijven of moeten wij zeggen: hier kunnen de politiekorpsen gebruik van maken in de specifieke omstandigheden waarin zij moeten opereren?
Een ander punt betreft het invoeren van keppeltjesdagen. Zal mevrouw Arib daartoe nu ook een voorstel doen?
Mevrouw Arib (PvdA):
Ik begrijp dat de SP wil bepalen wie namens wie het woord voert. De heer Marcouch is lid van onze fractie en ik spreek hier namens de PvdA-fractie, dus ook namens de heer Marcouch. Dat mag duidelijk zijn. Het voorstel voor undercoveragenten heb ik voldoende uitgelegd en ik heb er zelfs een motie over; in die zin spreken wij dus met één mond.
De heer Marcouch is stadsdeelvoorzitter van Slotervaart geweest, dat weet de heer Van Raak ook heel goed. Hij heeft van dichtbij meegemaakt hoe vervelend en naar sommige jongeren zich gedragen naar de joodse gemeenschap. Hij is ook gemeenteraadslid, nog wel. In dat verband heeft hij ook het recht om voorstellen te doen. Hij heeft dit voorstel niet in de Kamer gedaan -- dat klopt -- maar hij heeft het gisteren als gemeenteraadslid voor de PvdA als plan gepresenteerd.
De heer Van Raak (SP):
Fantastisch!
Mevrouw Arib (PvdA):
Ik ben benieuwd wat de gemeenteraad met het plan zal doen.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Voorzitter. Mijn fractie is nooit zo heel enthousiast over spoeddebatten, maar vandaag zie ik de noodzaak, ook gezien de cijfers die wij vandaag van het CIDI hebben gekregen. In Amsterdam durven Joden zich niet meer met een keppeltje op straat te vertonen. Ik ben ook geschrokken van de beelden die mijn zoon mijn gisteren liet zien op YouTube. Hele scheldparades, maar ook doodwensen aan Joden, alles geregistreerd op YouTube. Mijn zoon vroeg mij dan ook hoe het kan dat dit allemaal op YouTube staat en dat dit allemaal zo maar kan worden gezegd. Ik geef die vraag dan maar gewoon door aan de minister; dat is het voordeel als je volksvertegenwoordiger bent. Hoe kan het dat deze jongeren dit soort verwensingen allemaal openlijk op YouTube kunnen zetten? Is het niet voer voor justitie om daar iets mee te doen?
Het is onacceptabel wanneer Joden niet meer in vrijheid hun geloof kunnen belijden en zich gedwongen weten om samen te komen in een gebedshuis dat niet als een synagoge herkenbaar is. Dit 65 jaar na de Jodenvervolging en de Holocaust van de Tweede Wereldoorlog. Het CIDI maakte de cijfers vandaag bekend. Ik zie net een beantwoording van de minister waarin weer andere cijfers worden bekendgemaakt. Daar zie ik een spanning in. In hoeverre zijn de cijfers die de minister vandaag hanteert, specifiek in het registreren van antisemitische uitingen? Worden antisemitische uitingen nog steeds door de politie geregistreerd? Wij kregen signalen dat dit niet het geval is. Ik weet dat het CIDI heeft geprobeerd om deze cijfers op te vragen bij de politie in Amsterdam en ze niet heeft gekregen. Wat is de stand van zaken op dat vlak?
Er is ook reden om aan te nemen dat het echte getal van antisemitische incidenten nog veel hoger is dan bijvoorbeeld uit de cijfers van het CIDI blijkt, omdat veel Joden geen aangifte doen. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat de aangiftebereidheid toeneemt en dat er daadwerkelijk wat met de aangiften wordt gedaan? Ik kom dan ook tot de volgende drie vragen. Is de minister bereid om met politie en justitie te praten als het gaat om de specifieke registratie van de meldingen van antisemitische gedragingen? Is hij bereid om een onderzoek in te stellen naar de mate waarin antisemitisme voorkomt en hoe hiertegen wordt opgetreden door zowel politie als justitie? Is de minister bereid om de mogelijkheden tot aangifte te vereenvoudigen door het bijvoorbeeld digitaal en/of anoniem mogelijk te maken?
Er is ook gesproken over de verklede politieagenten; ik zal de term niet meer noemen die veelvuldig in de media voorkomt, omdat ik die eerlijk gezegd nogal onsmakelijk vind. Ik ben wel benieuwd naar de juridische haalbaarheid van dit soort methoden, gezien ook de eerdere situaties die wij hebben gehad met de lokfietsen, de lokhomo's et cetera. In hoeverre is het inzetten van deze methode juridisch haalbaar? Ik heb ook begrepen dat beveiliging van Joodse instellingen zoals synagogen en scholen nu door de Joodse gemeenschap zelf wordt betaald. Is hier niet ook een taak weggelegd voor de overheid als het gaat om de handhaving van de openbare orde, zeker als het gaat om de veilige toegang tot scholen? Ik hoor graag de reactie van de minister hierop. Wordt deze beveiliging wel actief aangeboden door de minister wanneer wel sprake is van bedreiging of wanneer zich incidenten hebben voorgedaan?
Tot slot heeft de fractie van de ChristenUnie inmiddels een initiatiefwetsvoorstel ingediend om het ontkennen van genocide, waaronder de Holocaust, strafbaar te stellen. Hiermee kan ook ontkenning van de Holocaust op het internet strafrechtelijk worden vervolgd. Ik roep mijn collega's dan ook bij dezen op om dit initiatiefwetsvoorstel te steunen, zodat deze vorm van antisemitisme in ieder geval effectief kan worden aangepakt.
Minister Hirsch Ballin:
: Voorzitter. Indachtig de oproep die u vanmiddag aan het begin van de vergadering deed, zal ik herhalingen proberen te voorkomen. Dat geldt in het bijzonder ten opzichte van de schriftelijke antwoorden die de Kamer vandaag heeft ontvangen op de vragen die waren gesteld door leden van uw Kamer.
Ik ben ook ingegaan op de meldingen die worden gedaan. De heer Voordewind verwees naar een bericht dat is uitgegeven door CIDI over een stijging van het aantal antisemitische incidenten. Er zijn meldingen en meldingen; dat moeten wij onder ogen zien. Het is zeker van belang dat CIDI meldt wat er bij hen binnenkomt, maar dat zijn geen aangiften. Het zijn geen meldingen die bij politie en justitie binnenkomen. Ik zou aan iedereen willen vragen om het niet te laten bij het onder de aandacht brengen van zoiets ernstigs bij een organisatie die zich ten doel stelt om daartegen op te komen, maar gewoon ook aangifte te doen. Dat geldt uiteraard ook voor de bijdrage die CIDI daaraan ongetwijfeld graag zal leveren. Natuurlijk is het ook van belang dat er gebruik kan worden gemaakt van een beschermde vorm van aangifte, als daaraan behoefte bestaat. Ik wil dat graag nogmaals onderstrepen. Dat is nodig om daadwerkelijk strafrechtelijk te kunnen optreden en een en ander in het kader van ons beleid te kunnen beoordelen.
De heer Van der Staaij (SGP):
Ik begrijp de oproep van de minister en steun deze van harte, maar in de praktijk krijgen wij bij werkbezoeken te horen: je moet heel veel energie en tijd eraan besteden, maar het levert in de praktijk eigenlijk weinig op in de zin dat er concrete veroordelingen komen. Is de minister met mij van mening dat het juist voor het stimuleren van de aangiftebereidheid heel belangrijk zou zijn dat er ook een aantal duidelijke voorbeelden zijn van lik-op-stukbeleid, die laten zien dat het ook zin heeft om aangifte de doen?
Minister Hirsch Ballin:
Zeker, het belang daarvan onderken ik ten volle. De heer Van der Staaij heeft vanmiddag als eerste het woord gevoerd. Daarom wil ik beginnen met te zeggen dat ik mij volledig aansluit bij wat hij heeft gezegd over de ernst van het fenomeen van geweld en discriminerende en beledigende uitingen uit antisemitische motieven. Daar hoort bij dat er ook rekening wordt gehouden met de situatie van de aangever. Ik wil graag onderstrepen dat er bij het behandelen van discriminatiezaken een procedure wordt gevolgd met aparte discriminatieofficieren bij de verschillende regioparketten. Juist hate crimes kunnen via internet worden gemeld. Dat is een bijdrage aan het verlagen van de drempel. Natuurlijk zijn er situaties waarin er geen herkenbare, identificeerbare verdachte is. Dan houdt het op wat betreft de vervolging. Dan nog blijft het van belang dat het voorval bekend wordt bij de politie. Dit blijft voor de politie van belang bij het zichtbaar maken van de situaties waarin zich de problemen voordoen. Het kan bijvoorbeeld leiden tot verhoogde aandacht, surveillance en dergelijke. Ook dan geldt deze oproep ten volle.
Bij deze gelegenheid wil ik graag het belang onderstrepen het bestrijden van en optreden tegen discriminatie. Wij moeten dit voortdurend uitdragen en onderstrepen, en waar nodig handhavend optreden, ter verzekering van het gelijke respect dat iedere mens toekomt. In de geest van artikel 1 van onze Grondwet, de uitgangspunten van ons staatsbestel, wil ik graag nogmaals onderstrepen dat wij moeten optreden tegen alle vormen van discriminatie, of die zich nu richt tegen Joodse slachtoffers, moslimslachtoffers of homoslachtoffers: allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Het staat in steen gebeiteld onder uw vergaderzaal. Als je naar het raam loopt, kun je het zien, maar het moet vooral in onze hoofden en harten gebeiteld staan. Er moet ook worden opgetreden tegen discriminatie wegens seksuele gerichtheid. Ik hecht eraan, dat wij dit voor ogen houden en dat dit in ons beleid bij het optreden tegen geweld uit discriminerende motieven naar voren komt. Vandaar de verhoging van de strafeis als een commuun delict, bijvoorbeeld geweldpleging of bedreiging, met een discriminatoir motief is gepleegd.
De doorlooptijden worden gemonitord. Er zijn regionale discriminatie-overleggen. Dat is de manier waarop wij moeten werken. Ik ben in mijn antwoorden op de vragen die gesteld zijn ook ingegaan op de gedachte om te werken met lokagenten. Ik ben het eens met de opmerking die zo-even werd gemaakt over de soms bepaald aanstootgevende terminologie die daaromheen is gebruikt. Bij de inzet van opsporingsmiddelen moeten wij alle eisen in acht nemen die daarvoor in ons rechtsstelsel gelden. Ik ben blij dat de heer Teeven, die spreekt vanuit zijn eigen deskundigheid, dat erkende. Zo moeten we daar tegenaan kijken. Ik heb dus niet onmiddellijk gezegd: dit gaan we op grote schaal toepassen of iets dergelijks. We moeten altijd in het oog houden dat bij dit soort bijzondere opsporingsmiddelen de noodzaak aantoonbaar moet zijn.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik ben het met de minister uiteraard eens dat het in zijn algemeenheid om discriminatie moet gaan. Kan de minister ingaan op de vraag of er binnen de bredere groep van discriminatie door de politie wel of niet op antisemitische uitingen wordt geregistreerd?
Minister Hirsch Ballin:
Ik heb u in mijn antwoord op Kamervragen melding gemaakt van wat er geregistreerd kon worden op dit punt. Ik ben eerder ingegaan op de mogelijkheid -- dat heb ik in mijn antwoord ook nadrukkelijk vermeld -- dat er ook meldingen kunnen zijn die bij de politie verschijnen als geweldsmelding, als dreigingsmelding en die dus ook als zodanig worden geregistreerd, zonder dat daarbij een antisemitische, een homofobe, een xenofobe of een islamofobe achtergrond wordt aangetekend. Daarom is het van belang dat naast deze registraties er ook wordt gewerkt met de gegevens van het antidiscriminatiebureau. Het gaat dus om informatie uit verschillende bronnen.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
De minister verwijst in zijn beantwoording naar een registratie bij de politie op belediging van seksuele en religieuze minderheden. Dat betekent dat de politie uiteindelijk wel moet registreren. Ik begrijp uit het antwoord van de minister dat hij zegt: dat kan voorkomen, in combinatie met geweld, maar wij registreren daar niet specifiek op. Dan ben ik een beetje in verwarring.
Minister Hirsch Ballin:
Ik heb het in de vaste commissie voor Justitie bij herhaling toegelicht. Met de volledige toepassing van de nieuwe automatiseringssystemen bij politie en OM wordt de categorie geleidelijk aan minder waarin we wel het misdrijf noteren, maar niet het motief dat onder dat misdrijf zit. Dat vereist een verfijning in de registratie en een goede toepassing daarvan. Daarom heb ik bij de cijfers in antwoord op Kamervragen uitdrukkelijk aangetekend dat ik moet aannemen dat er feitelijk meer gevallen zijn dan in de registratie naar voren komen. Ik vond het ook van belang om dat erbij aan te tekenen, omdat er anders ten onrechte de indruk zou kunnen worden gewekt dat het in mijn ogen om een zeer beperkt aantal gevallen gaat. Die indruk heb ik niet en die heb ik ook niet willen wekken.
Mevrouw Arib (PvdA):
De minister herhaalt wat hij in zijn antwoord op de schriftelijke vragen heeft gezegd. De minister zegt daarbij dat de bestaande opsporingsmethoden toereikend zijn en dat er per geval wordt bekeken of je een undercoveragent kunt inzetten. Is dat wel eens gebeurd? Is er wel eens gewerkt met de onorthodoxe methode om een lokagent in te zetten? Dan doel ik met name op antisemitische uitingen.
Minister Hirsch Ballin:
Mij zijn geen gevallen bekend waarin dat gebeurd is. U hebt terecht in mijn antwoorden enige terughoudendheid beluisterd. Ik beluister ook in uw mondelinge bijdrage iets meer terughoudendheid dan bedoeld was in de uitingen gedaan voor de Amsterdamse gemeenteraad, die daar overigens niet over gaat. Opsporingsmiddelen van deze soort worden terughoudend ingezet.
Mevrouw Arib (PvdA):
U zegt in de beantwoording: dit instrument moet eigenlijk proportioneel zijn. Klopt dat?
Minister Hirsch Ballin:
Jazeker. Het is essentieel dat het proportioneel is.
Mevrouw Arib (PvdA):
Vindt hij deze situatie, waarin mensen geïntimideerd worden en fysiek geweld wordt gebruikt, niet ernstig genoeg om tot zo'n methode over te gaan?
Minister Hirsch Ballin:
En of ik het ernstig vind. Ik vind het buitengewoon ernstig als mensen op deze grond op deze manier worden behandeld. Daarom ben ik ook begonnen met adhesie te betuigen aan de zeer klare taal die de heer Van der Staaij aan het begin van het debat heeft gesproken. Proportionaliteit van opsporingsmiddelen moet echter in het concrete geval worden beoordeeld naar aanleiding van een feitelijke situatie of omstandigheid. Dat is wat ik heb willen zeggen.
Naar aanleiding van hetgeen de heer Teeven zei, merk ik nogmaals op dat ik geen specifieke sepots ken. Ik kan wel zeggen -- ik bevestig dat graag -- dat de regel vervolging is bij dit soort delicten.
De heer Dibi (GroenLinks):
Er wordt te weinig vervolgd, over het algemeen, in gevallen van discriminatie. Er wordt in Nederland al meer gewerkt met lokagenten, lokoma's en zelfs lokfietsen. Ik zal het aanstootgevende woord niet gebruiken. Wat zijn de ervaringen tot nu toe? Hebben deze methoden effect? Leiden zij ertoe dat wij meer kunnen gaan vervolgen?
Minister Hirsch Ballin:
Wat betreft de vervolging onderstreep ik nogmaals dat de beleidslijn van het Openbaar Ministerie is de afgelopen jaren is veranderd. Ik heb daar al enige malen met de Kamer over van gedachten gewisseld. Ik twijfel niet aan de steun van de heer Dibi en zijn fractie daarvoor. De regel is dat er vervolgd moet worden. Als het Openbaar Ministerie niet vervolgt, is dat niet omdat het niet wil vervolgen en het niet ernstig vindt. Het kan echter zijn dat er geen herkenbare verdachte is. Dat is iets anders. Ik heb een beroep gedaan, ook hier, op het melden, ook als je niet kunt zeggen dat het die man of die persoon was die er zus en zo uitzag. Dat is van belang voor het identificeren van de situaties. Op plaatsen en in situaties waar zich zoiets concentreert, kunnen andere opsporingsmiddelen worden losgelaten. De suggestie die hier is gedaan, is er daar één van. Dat doen wij ook in andere gevallen. Je kunt echter ook werken met geïntensiveerd cameratoezicht op een bepaalde openbare plaats en op die manier proberen degenen die als verdachten moeten worden aangemerkt in beeld te brengen en herkenbaar te maken.
De heer Dibi (GroenLinks):
Daar gaat de gemeente dan weer wel over, over het cameratoezicht. Ik heb zelf ervaring met undercoveronderzoek. Mijn eerste actie als Tweede Kamerlid was undercoveronderzoek naar discriminatie in de horeca. U wilt niet weten hoeveel voeten het in aarde heeft gehad. Hoewel alles bijna minutieus was vastgelegd, heeft zelfs de aangifte bij de politie niet geleid tot vervolging. Mijn vraag was wat de ervaringen tot nu toe zijn met lokagenten en undercoveronderzoek. Zijn er gegevens op basis waarvan vastgesteld kan worden of die methoden effectief zijn of niet? Mijn fractie is geïnteresseerd in effectieve methoden die ertoe leiden dat daders van discriminatie worden opgepakt en slachtoffers genoegdoening wordt gegeven.
Minister Hirsch Ballin:
Die wens deel ik volledig. Wat betreft een verkeerd deurbeleid in de horeca en dergelijke is gewerkt met uittesten. Ik sta daarvoor open. De heer Dibi moet niet denken dat ik de deur dichtsla voor het toepassen van nieuwe methoden. Je moet echter altijd in het oog houden of het middel gegeven de omstandigheden proportioneel is.
De heer Van der Staaij (SGP):
Ik begrijp dat de minister duidelijk zegt -- dat staat ook in de antwoorden op de schriftelijke vragen -- dat hij onorthodoxe methoden als het inzetten van undercoveragenten niet uitsluit. Mijn vraag is wanneer daar duidelijkheid over komt. In de praktijk rijst de vraag daarnaar wel, is er behoefte aan. Wanneer komt daar duidelijkheid over?
Minister Hirsch Ballin:
In de rechtszaal. Dat behoort tot de dingen waarover duidelijkheid komt in de rechtszaal. Als het Openbaar Ministerie op grond van lokale overwegingen bepaalde opsporingsmiddelen inziet, zal er uiteindelijk door de rechter moeten worden geoordeeld over de toepassing ervan. Kortheidshalve zeg ik maar even dat Tallon-criterium in acht moet worden genomen en de proportionaliteit die daarin begrepen is. Wij moeten niet over de specifieke methoden in specifieke situaties spreken. Ik heb niet uitgesloten dat dit middel wordt toegepast. Een minister van Justitie die een beleid zou voeren waarin hij zegt dat hij wil dat in zoveel percent van de gevallen lokpersonen worden ingezet, in zoveel percent van de gevallen camera's en in zoveel percent van de gevallen informanten, zou echt zijn rol verkeerd begrijpen.
Ik zie dat de heer Teeven aan een vierde mogelijkheid denkt, maar daar hebben we het niet over.
De heer Van der Staaij (SGP):
Ik begrijp dat de minister niet concreet wil zeggen: daar moet deze methode gebruikt worden.
Minister Hirsch Ballin:
Precies!
De heer Van der Staaij (SGP):
We zien nu dat een aantal mensen geen aangifte doet omdat het de ervaring heeft dat daarmee te weinig wordt gedaan en dat het lastig is om het bewijs rond te krijgen in het geval dat het een groep is die maar iets roept. Ondertussen gaat dit echter wel door. Is het dan niet logisch dat de vraag in je opkomt of het goed zou zijn om aan bijzondere opsporingsmethoden te werken, of een andere manier te bedenken?
Minister Hirsch Ballin:
Ja, op een andere manier. Wat dat betreft zijn de heer Van der Staaij en ik het volledig met elkaar eens. Ik zou echt prioriteit willen geven aan het stimuleren van de aangifte- en de meldingsbereidheid. Ik heb een oproep gedaan, na het gewaardeerde bericht van het Cidi over de meldingen die daar binnenkomen, om ook degenen die daar meldingen doen te stimuleren aangifte te doen. Dat moet ook gebeuren in het geval dat er geen identificeerbare verdachte lijkt te zijn. Ik vind het essentieel dat we over de gehele linie zeer consequent optreden. Vandaar de regel om tot vervolging over te gaan en de wens om te werken aan preventiebeleid. Daarover heeft ook de heer Van der Staaij een aantal opmerkingen gemaakt waarmee ik het goeddeels eens ben.
Joodse medeburgers, moslims en homo's worden nageroepen, beledigd, bedreigd en er wordt zelfs geweld tegen hen gebruikt. Daar zitten grondpatronen onder die deels te maken hebben met het feit dat mensen zich niet realiseren dat respect voor iedereen, ongeacht wat hem eigen is, een wederkerig proces is en dat onze gehele samenleving met een gelijk respect voor ieders persoonlijke waardigheid doortrokken moet zijn. Terecht is naar voren gebracht dat dit in het onderwijs aandacht dient te krijgen. Mijn huidige en vroegere collega's van Onderwijs hebben daarover tijdens verschillende gelegenheden "het hunne" gezegd. Het betekent ook dat we ons druk moeten maken over een straatcultuur waarin men het "flink" vindt om mensen wegens dit soort persoonlijke kenmerken, hun kleding of weet ik wat, te beledigen en de voet dwars te zetten. Het is wat mij betreft de hoeksteen van het beleid en het fundamentele recht van iedere burger in Nederland om te leven met wat hem of haar eigen is.
De heer Dibi (GroenLinks):
Dat aanhoudende punt van zorg, namelijk die docenten die aangeven dat zij op een aantal scholen geen les kunnen geven over de Holocaust, intrigeert mij enorm. Ik kan mij namelijk goed herinneren dat wij leraren op de middelbare school vaker de mogelijkheid wilden ontnemen om les te geven over een willekeurig aantal onderwerpen. Er was wel eens een leraar die zei: luister eens! Als je niet wilt luisteren en meedoen, ga je er maar uit. Desnoods word je geschorst. Dan kom je niet meer terug op school. Gebeurt dat nu ook? Dit punt komt immers in het nieuws zo vaak terug. Wat zijn de resultaten? Is er nog steeds sprake van een schrikbarend aantal scholen dat geen les kan geven over de Holocaust? Wat is de precieze omvang?
Minister Hirsch Ballin:
Mijn collega voor Wonen, Wijken en Integratie heeft daarover een brief aan de Tweede Kamer gericht die precies op dit onderwerp betrekking heeft. Dat deed hij overigens mede namens mij. Nee, daarin beantwoordt hij Kamervragen die betrekking hebben op dit onderwerp. Het zijn vragen van de heren Fritsma, Bosma en Wilders. In die antwoorden ging deze minister ook in op een enquête onder docenten geschiedenis. Graag stel ik voorop dat -- dat ligt in het verlengde van datgene wat mijn collega voor Wonen, Wijken en Integratie mede namens de collega's van OCW heeft gezegd -- elk moment waarop een docent niet durft of zich niet in staat voelt om over de Holocaust te spreken, er één te veel is.
Uit de enquêtegegevens blijkt wel dat er sprake is van lagere aantallen dan in sommige berichten naar voren kwam. Ik stel echter nogmaals dat elk geval er één te veel is. Daarom hebben de betrokken collega's extra trainingen aangekondigd voor leraren. Die leren daarin hoe zij dit soort situaties kunnen neutraliseren.
De heer Dibi (GroenLinks):
Ik ken die antwoorden. Misschien moet ik de vraag anders formuleren. Wat is de boodschap van de minister aan leraren die morgen voor de klas staan en dan te maken hebben met een groepje leerlingen dat gewoon niet wil luisteren of de boel verziekt als de leraar spreekt over de Holocaust? Ik vraag de minister het antwoord op deze vraag niet voor te lezen uit de antwoorden op de schriftelijke vragen. Wat is zijn boodschap voor deze docenten, de scholen en deze leerlingen?
Minister Hirsch Ballin:
Die boodschap is tweeledig. In de eerste plaats hoop ik dat ik volstrekt helder ben geweest over het feit dat het ieders taak is om pal te staan voor de basiswaarden van de rechtsstaat en voor gelijk respect voor ieders persoonlijke waardigheid. Wezenlijke stukken van de geschiedenis waarin leerlingen onderwezen moeten worden, mogen niet worden verzwegen, verdoezeld of onbespreekbaar gemaakt. In de tweede plaats stel ik dat men niet moet aarzelen om politie en justitie in te schakelen als hieruit een situatie van bedreiging voortkomt. Ik heb het daarbij niet over situaties die door de schoolleiding de directeur of de rector moeten worden gehandhaafd, maar over de dingen die deze grens overgaan. Er is dus ook op dit punt geen ruimte voor het tolereren van zulke ernstige vormen van intolerantie.
Mevrouw Arib en de heer Çörüz hebben gesproken over de registratie. Ik ben al eerder ingegaan op het werk dat wordt gedaan in het kader van het landelijk discriminatiebeeld en de regionale discriminatieoverleggen. Wij werken aan een verdere verbetering en afstemming van de registratie, zodat de cijfers vergelijkbaar worden. Daarbij werken wij onder andere samen met de antidiscriminatiebureaus het MDI en de Commissie Gelijke Behandeling.
De heer Çörüz heeft er zeer terecht op gewezen dat de belemmeringen om aangifte te doen moeten worden weggenomen. Hij is meer dan eens deelgenoot geweest van de gesprekken die wij hierover hebben gevoerd. Het is een ondraaglijke situatie dat mensen uit angst geen aangifte doen. Ik bevestig daarom graag wat hierover is gezegd.
Tegen de heer Van Raak zeg ik dat ook het COC voor ons een belangrijke gesprekspartner is. De landelijke politiecijfers over 2009 over homofoob geweld heb ik nog niet. Ook voor dit punt geldt echter dat het onverminderd en volledig onze aandacht en inzet moet houden.
De heer Voordewind heeft een vraag gesteld over het initiatiefwetsvoorstel. Het lijkt mij dat het primair aan de initiatiefnemers is om te bepalen wanneer de discussie daarover wordt voortgezet. Ik heb daarover naar aanleiding van de besluitvorming in de JBZ-raad het nodige opgemerkt.
De heer Van Raak (SP):
Volgens mij zijn de afspraken heel succesvol die het COC en het Openbaar Ministerie in Amsterdam hebben gemaakt. Vindt de minister dat ook? Als dat zo is, kan dat model dan wellicht ook voor andere groepen worden gebruikt, bijvoorbeeld voor joodse of islamitische minderheden die fysiek of verbaal worden bedreigd? Kan dat model breder worden toegepast, dus buiten Amsterdam en voor andere groepen?
Minister Hirsch Ballin:
Ik vind dit een heel interessante gedachtegang van de heer Van Raak. Ik hoorde onlangs ook over de mogelijkheid om voor dit soort bedreigingen een themazitting te houden bij de rechtbank. Ook dat vind ik een heel waardevolle gedachte. Daarbij zouden de verschillende vormen van discriminerend bedreigend gedrag op één zitting aan de orde kunnen komen. Dat kan bijdragen aan de klaarheid van de boodschap dat wij voor ieders persoonlijke waardigheid in dit land willen opkomen.
De heer Van Raak (SP):
Is de minister bereid om dit initiatief behalve met woorden, ook met daden breder toepasbaar te maken, dus buiten Amsterdam en voor andere doelgroepen? Gaat de minister daarmee iets doen?
Minister Hirsch Ballin:
Ik zou dat eerst graag bespreken met het Openbaar Ministerie … hatsjie.
De heer Çörüz (CDA):
Gezondheid, minister. Het doen van aangifte is erg belangrijk. Ik steun de suggestie om bijvoorbeeld het CIDI daarbij als aangever te betrekken, zoals ook ziekenhuisdirecties aangifte kunnen doen namens hun medewerkers. Daarover hebben wij gesproken …
Minister Hirsch Ballin:
Hatsjie.
De heer Çörüz (CDA):
Gezondheid. Wat vindt de minister daarvan?
Minister Hirsch Ballin:
De heer Çörüz moet niet denken dat dit een allergische reactie op zijn vragen is. Integendeel, ik vind het een heel sympathieke gedachte. Wij moeten echter uiteraard wel een lijn weten te trekken.
Het CIDI is niet de werkgever van de beschadigde mensen en dat is een ziekenhuisdirectie wel, dus of deze gedachte zondermeer uitvoerbaar is, zou ik moeten bekijken. Ik zie het eigenlijk meer daarin dat een organisatie als het CIDI de mensen kan helpen om de brug te nemen, bijvoorbeeld naar de internetaangifte.
Mevrouw Arib (PvdA):
Het kan zijn dat ik het heb gemist, maar volgens mij is er ook een vraag gesteld over anonieme aangifte. Veel mensen zijn vanwege represailles bang om aangifte te doen. We kennen dit ook van andere slachtoffers van geweld.
Minister Hirsch Ballin:
Ik heb over dit onderwerp een halfjaar geleden een uitgebreide brief aan de Kamer gericht, die ook besproken is in de vaste commissie voor Justitie. We zijn er ongeveer drie uur mee bezig geweest. Misschien vindt mevrouw Arib het goed als ik naar deze brief verwijs.
Mevrouw Arib (PvdA):
Het is prima dat de minister daarnaar verwijst, maar kan ik concluderen dat slachtoffers van antisemitisme anoniem aangifte kunnen doen? Volgens mij zijn er heel veel mensen die meekijken met dit debat maar niet de brief kunnen lezen die de minister noemt. Het zou goed zijn als de conclusie …
Minister Hirsch Ballin:
Maar mevrouw Arib heeft deze brief natuurlijk allang in haar bezit. Uit deze brief blijkt dat er veel mogelijkheden zijn om aangifte te doen wanneer men zich bedreigd voelt. Er zijn echter ook dingen die in acht moeten worden genomen, want je kunt niet alles doen via een anonieme aangifte. Het kan bijvoorbeeld gaan om aangifte zonder dat er een adres bij staat. Er moet echter wel iemand zijn die als getuige kan optreden, eventueel met de bescherming die daarbij past. De gedachte dat iemand kan worden beschuldigd van een strafbaar feit zonder dat er ook maar enig spoor kan worden teruggevolgd naar een echte, levende persoon, moeten we natuurlijk niet volgen. Het staat allemaal tot in de finesses in de brief die ik noemde. Mijn ministerie geeft daar graag alle toelichting op die de mensen nodig hebben, want het moet in concreto ook werken.
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik heb de minister nog een vraag gesteld over de beveiliging van joodse instellingen zoals scholen en synagogen. Is daarbij ook een taak weggelegd voor de overheid?
Minister Hirsch Ballin:
Jazeker. Als er berichten binnenkomen die wijzen op een verhoogde dreiging, wordt daarop ook gereageerd. Er zijn goede afspraken gemaakt met de synagogen en besturen van joodse religieuze gemeenschappen om snel melding te kunnen doen. Het antwoord op de vraag van de heer Voordewind is dus: ja, die afspraken zijn er.
De heer Van der Staaij (SGP):
Voorzitter. Ik wil de minister danken voor de beantwoording.
We kunnen gaan steggelen over cijfers, maar daar is het nu het moment niet voor. Het is echter duidelijk dat in ieder geval het aantal antisemitische incidenten van een verontrustende omvang is. De minister heeft een oproep gedaan om meer te gaan melden en daadwerkelijk aangifte te gaan doen. Ik denk dat dit heel belangrijk is, maar dat het voor de praktijk juist ook belangrijk is dat er duidelijke voorbeelden zijn van een lik-op-stukbeleid, zodat mensen zien dat het helpt en werkt om aangifte te doen.
Ik ben blij dat undercoverpraktijken niet uitgesloten worden door de minister.
Ik ben blij dat uit het debat blijkt dat er brede overeenstemming is over dit onderwerp. Om die ook vast te houden en het niet bij een spoeddebat te laten, wil ik mede namens alle collega's de volgende motie indienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in Nederland sprake is van een verontrustende omvang van antisemitische incidenten en uitingen;
overwegende dat een daadkrachtige en gezaghebbende aanpak van het antisemitisme dringend nodig is;
verzoekt de regering, een concreet actieprogramma bestrijding antisemitisme op te stellen, en de Kamer hierover voor de komende begrotingsbehandelingen te berichten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Staaij, Voordewind, De Roon, Teeven, Arib, Dibi, Van Raak en Çörüz.
Zij krijgt nr. 111 (32123-VI).
De heer Van der Staaij (SGP):
Ter toelichting merk ik nog op dat ook in 2003 al een dergelijk actieprogramma tot stand is gebracht, waarbij is gekeken naar de justitiële aanpak, onderwijs, integratiebeleid en de internationale context. Ik denk dus dat zo'n actieprogramma een nieuwe impuls kan geven aan de bestrijding van antisemitisme op alle fronten.
Mevrouw Arib (PvdA):
Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoord en voor zijn toezegging om zich in overleg met het OM in te zetten voor een strengere aanpak van antisemitisme, analoog aan de aanpak in Amsterdam van geweld tegen homo's.
Ik dank de minister ook voor het feit dat hij erkent dat hij binnen het onderwijs aandacht moet geven aan dit belangrijke vraagstuk. Ik was vergeten te vragen om daar islamitische organisaties bij te betrekken. Ook zij hebben een belangrijke taak om dit soort misstanden binnen de eigen gemeenschap aan de kaak te stellen en om de buurt in te gaan om met ouders en jongeren de confrontatie aan te gaan, omdat dit niet kan.
Ik dien de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het aantal gevallen van antisemitisme sterk toeneemt en steeds vaker gepaard gaan met ernstige bedreiging en geweld;
overwegende dat het huidige instrumentarium van opsporing en vervolging tekort schiet om deze trend te keren;
verzoekt de regering, door middel van "undercover" opsporingsteams antisemitisme op te sporen en effectief te bestrijden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Arib en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 112 (32123-VI).
De heer Voordewind (ChristenUnie):
Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik zie in zijn houding dat hij er zeer gespitst op is om dit probleem goed en daadkrachtig aan te pakken.
Op mijn vragen over de registratie van antisemitische uitingen zei de minister dat dat gebeurt in de bulk, in het thema van discriminatie. Ik kan mij daar het een en ander bij voorstellen. Maar vooral omdat we dit soort verontrustende berichten krijgen, denk ik dat het toch zinnig is om antisemitische uitingen specifiek te registreren.
Ik dien daarom de volgende motie in.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in 2009 het aantal gemelde incidenten ten opzichte van 2008 met 55% is gestegen, van 108 naar 167 incidenten;
constaterende dat de politie geen uitingen van antisemitisme registreert, maar die van discriminatie wel;
van mening dat registratie van meldingen van antisemitische uitingen en bedreigingen kan helpen om een beter inzicht te krijgen in de omvang van de problematiek;
verzoekt de regering, politie en Justitie te verzoeken meldingen van antisemitisme wederom te gaan registreren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Van der Staaij, Arib, De Roon, Dibi en Van Raak.
Zij krijgt nr. 113 (32123-VI).
Minister Hirsch Ballin:
: Voorzitter. Ik dank de heer Van der Staaij voor de zeer compacte reactie die hij mede namens al zijn collega's gaf in tweede termijn. Ik denk dat een breed actieprogramma, zoals zijn motie beoogt, heel goed aansluit bij de algemene uitgangspunten en de achtergrond van waaruit ik zojuist heb gesproken over de antisemitische incidenten, uitingen, dreigingen en zelfs geweld.
Ik heb zo-even naar voren gebracht dat het opkomen voor ieders persoonlijke waardigheid, zonder onderscheid, een hoeksteen vormt van onze rechtstaat zoals ik die wil verdedigen en de afgelopen jaren heb mogen verdedigen, met vele vormen waarin dat handen en voeten heeft gekregen. Ik heb de Kamer een aantal van de ontwikkelingen op het terrein van het strafrechtelijk optreden geschetst, waaronder de strafverhoging, de regel om tot vervolging over te gaan en de bereidheid om daarbij verschillende manieren van opsporing toe te passen.
Maar het is natuurlijk ook iets waarbij aan preventie moet worden gedaan.
Ook hier geldt dat het erop aankomt dat het besef leeft en doorklinkt dat iedere vorm van mensen lelijk bejegenen, discrimineren, bedreigen of met geweld bejegenen even helder wordt bestreden, of dat nu is uit antisemitische of uit homofobe of islamofobe motieven. Dat behoort tot de uitgangspunten van onze rechtsstaat. Als de uitwerking van deze motie bijvoorbeeld leidt tot de conclusie dat er meer aandacht moet zijn voor het onderwijs, moet een en ander ook in dit brede kader geplaatst worden. Dat is het uitgangspunt. Ik heb enkele keren verwezen naar artikel 1 van de Grondwet. Het is goed om ook te verwijzen naar artikel 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie waarin het respect voor ieders persoonlijke waardigheid zonder enig onderscheid voorop wordt gesteld. Wanneer wij dat doen, dan kan het brede actieprogramma waar in de motie om wordt gevraagd, extra zeggingskracht in zichzelf krijgen. Deze motie is tamelijk breed ondersteund. Wanneer zij wordt aanvaard, dan zal ik daar gaarne met met mijn collega's uitvoering aan geven. Ik zal dat doen in de geest die ik zojuist heb verwoord, namelijk de grondslagen van onze rechtsorde. Daarbij zal ik ook een verbinding leggen met het onderwijs en het uitdragen van de kernwaarden van de rechtsstaat.
De heer Van der Staaij (SGP):
Ik vind het prima wat de minister hierover zegt, maar ik wil wel beklemtonen dat het specifiek om de bestrijding van antisemitisme gaat. Het mag niet verwateren -- maar zo bedoelt de minister het ongetwijfeld ook niet -- in heel breed antidiscriminatieverhaal. Hierbij zijn zeer specifieke problemen in beeld. In het debat is de link genoemd met het oplaaiend debat in het Midden-Oosten en de doorwerking daarvan. Er zijn redenen genoeg om een bijzondere focus te hebben op de bestrijding van antisemitisme. In andere overleggen is er ook apart aandacht voor bijvoorbeeld het bestrijden van homofoob geweld.
Minister Hirsch Ballin:
Het gaat zeker niet om verwateren. Om het in termen van vloeistoffen te houden: het ging mij er vooral om, dit in de juiste spirit te doen.
In de motie van mevrouw Arib en de heer Voordewind staat dat het huidige instrumentarium van opsporing en vervolging tekortschiet. Dat is niet het geval. Ik sta natuurlijk open voor alternatieven. Als de indieners dat willen uitspreken, is de motie overbodig. Deze overweging klopt niet. Nog afgezien daarvan, kon het wel eens contraproductief zijn. Dat wil ik mevrouw Arib ook echt meegeven. Ik twijfel helemaal niet aan haar inzet voor de goede zaak. Ik wil haar meegeven dat het mij niet de gelukkigste situatie voor een officier van justitie lijkt als hij in de rechtszaal moet zeggen: ik heb dit opsporingsmiddel ingezet omdat dit mij in een Kameruitspraak werd gevraagd. De officier moet dit professioneel beoordelen zoals dat hoort en toetsen aan de kaders die ik heb geschetst. Deze motie acht ik in een van haar overwegingen feitelijk niet juist. Voor de bereidheid om de opsporingsmiddelen in te zetten die nodig en proportioneel zijn -- gelet op hetgeen ik de Kamer vanmiddag heb geschreven -- is de motie overbodig.
Mevrouw Arib (PvdA):
In mijn inbreng en in interrupties hebben wij gewisseld dat de opsporingsmethoden die de minister toereikend acht, in de praktijk tot nu toe geen zaken naar boven hebben gebracht waarbij de bewijslast rond is en de daders kunnen worden opgepakt. Wij zijn moreel verontwaardigd, maar als het erom gaat, de daders op te pakken, blijkt dit elke keer weer lastig te zijn. Als de minister een andere methode weet, wil ik de motie best aanhouden, maar dat heb ik niet van hem gehoord.
Minister Hirsch Ballin:
Ik zeg u graag toe dat dit ook aandacht zal krijgen in het stuk waar in de eerste motie om is gevraagd. Misschien vindt mevrouw Arib reeds daarin voldoende reden om nu niet te willen doorgaan met deze motie. Ik heb er wel op gewezen dat onder andere een hogere bereidheid tot melden en het doen van aangiften essentieel zijn om dit soort antisemitische misdragingen tegen te gaan.
Mevrouw Arib (PvdA):
Daar ben ik het volledig mee eens, alleen doen mensen minder aangifte of zijn mensen daar minder toe bereid, omdat het moeilijk is om dat te bewijzen. Daarom is het belangrijk dat hier iets aan gedaan wordt. Anders blijven wij in een cirkel draaien.
Minister Hirsch Ballin:
Ik heb die methode ook niet uitgesloten. Ik kan herhalen wat ik net zei met verwijzing naar mijn brief van vanmiddag, maar ik ben blij dat mevrouw Arib wil overwegen om deze motie aan te houden. Dan hoeven wij elkaar op dit punt niet nodeloos in de haren te vliegen. Meer in het algemeen let ik er steeds scherp op dat de goede middelen worden ingezet om ernstige vormen van criminaliteit tegen te gaan. Dat geldt ook voor de bestrijding van mensenhandel. Ik hoop dat de Kamer binnenkort nog toekomt aan een wetsvoorstel dat van belang is om die vorm van criminaliteit tegen te gaan.
De motie-Voordewind c.s. op stuk nr. 113 gaat over het registreren van meldingen. Ik heb een- en andermaal al melding gemaakt van de manier waarop wij die meldingen willen registreren. Dat zal dus gebeuren. Deze motie wordt uitgevoerd, ongeacht of zij wordt ingediend en aangenomen. Wij zijn met die meldingen bezig. Die maken ook deel uit van het verbeterde registratiesysteem. Dat betekent wel dat ik deze motie overbodig moet noemen.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Stemmingen over de moties zal plaatsvinden bij de volgende stemming. Dat zal volgende week dinsdag zijn.
Contact
- Contact met de Tweede Kamer
- Adres en route
- Veelgestelde vragen
- Bezoek de Tweede Kamer
- Overzicht politieke websites
