Financiële begrippenlijst
ABS Asset-backed securities
Verzamelterm voor allerlei financiële producten die gebaseerd zijn op bestaande pakketten leningen, hypotheken of obligaties.
Achtergestelde lening
Lening waarvan de terugbetaling in geval van faillissement pas plaatsvindt nadat gewone en andere leningen zijn afbetaald. De risico’s zijn groter dan van een gewone lening en de rente is meestal iets hoger.
Activa
Bezittingen. Staan aan de debetzijde van de balans (‘het linker rijtje”) vermeld.
Alt-A
Aanduiding voor de kredietwaardigheid van een lener in de VS. Bekend van de Amerikaanse hypotheekportefeuille van ING. Voor Alt-A leningen worden minder strenge eisen gesteld en minder inkomensgegevens geëist.
Bad bank
Engels-Amerikaanse term voor een speciaal opgerichte bank die de slechte leningen en bezittingen van de bestaande banken overneemt, saneert en weer verkoopt.
Bankenboek
Bevat de niet direct verhandelbare vorderingen als hypotheken in tegenstelling tot het handelsboek dat de direct verhandelbare activa, zoals bijvoorbeeld effecten bevat.
Bazel 1 en 2
De Bazel-I- en –II akkoorden zijn een verzameling standaarden en regels voor het toezicht op banken die in 1988 resp. 2006 werden overeengekomen door de centrale banken van de deelnemende landen. Deze afspraken zijn in de jaren daarna omgezet in Europese (en Nederlandse), en Amerikaanse regelgeving. Met deze regels kan onder meer worden bepaald hoeveel kapitaal een bank moet hebben.
CDO (Collateralised Debt Obligations)
Verschillende soorten obligaties die zijn gebaseerd op een pakket hypotheken of leningen. De soorten hebben een verschillend risicoprofiel. De minst risicovolle levert het laagste rendement op, de meest risicovolle het hoogste rendement.
CDO 2 (cdo squared)
Constructie waarmee het rendement en risico op een cdo opnieuw versneden en verhandeld kan worden. Ingewikkelder dan een cdo, met nog minder zicht op de kwaliteit van de oorspronkelijke leningen of hypotheken. Zie ook kredietderivaten.
CDS (Credit default swap)
Overeenkomst tussen partijen waarbij het kredietrisico van een derde partij tegen betaling van een premie geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen. Is dus een verzekering tegen het risico van wanbetaling. Met een CDS verdwijnt het risico van de balans van de verkopende partij, hoewel de lening zelf er nog wel op staat.
Conduit
Constructie om een bundel hypotheken of andere leningen buiten de balans van de bank te plaatsen, zodat er kapitaal vrijkomt en/of het risico niet meer volledig bij de bank ligt. Een conduit kan zelf aandelen uitgeven.
Conjunctuur
Golfbeweging in economische activiteiten. Een hoogconjunctuur wordt gekenmerkt door economische groei en lage werkloosheid, een laagconjunctuur door economische neergang (recessie).
Corporate bank
Bank die de bedrijfsactiviteiten richt op (grote) ondernemingen.
Countercyclisch
De conjuncturele beweging dempend, tegen de conjunctuur ingaand.
Credit rating
Het geven van een oordeel over de kredietwaardigheid van een bedrijf, een bank, een andersoortige instelling, financiële producten of een land. De instellingen die credit ratings afgeven, zoals Standard & Poor’s, Fitch Ratings en Moody’s, heten credit rating agencies.
Deleverage
Verminderen van de schulden die banken en investeringsfondsen ooit zijn aangegaan om gebruik te kunnen maken van hefboomwerking (‘leverage”)
Deposito
Geldbedrag dat aan een bank wordt toevertrouwd voor een bepaalde periode tegen een bepaalde rentevergoeding.
Depositogarantiestelsel
Een garantieregeling voor spaartegoeden (deposito’s). In Nederland tot een bedrag van € 100 000 per persoon per bank in het geval een bank failliet gaat. Geldt alleen voor tegoeden bij banken die een vergunning hebben van DNB.
Derivaten
Verhandelbare financiële contracten waarvan de waarde afhankelijk is van onderliggende activa, referentieprijzen of indexcijfers. Voorbeelden zijn opties, termijncontracten, rente- en valutaswaps en credit default swaps.
Eigen vermogen
Het door de aandeelhouders in de onderneming geïnvesteerde vermogen, vermeerderd met reserves.
Exposure
Blootstelling aan bepaalde risico’s.
Fair value-waardering
Boekhoudmethode waarbij de waarde van een goed of een financieel product gewaardeerd wordt op de (veronderstelde) marktwaarde in plaats van bijvoorbeeld op de oorspronkelijke (historische) prijs.
FDIC (Federal Deposit Insurance Corporation)
Amerikaanse overheidsinstelling die de spaartegoeden van particulieren tot 100.000 dollar garandeert en die bijspringt of ingrijpt als banken in moeilijkheden verkeren.
FED
Het Federal Reserve System in de VS overkoepelt de 12 federale banken in Amerika en is te vergelijken met de Europese centrale bank. De Fed is verantwoordelijk voor de geldpolitiek (rentestand, geldhoeveelheid), voor de stabiliteit van het financiële systeem en voor het toezicht op banken en andere instellingen. Het bestuur van de Fed, de Federal reserve board, wordt thans geleid door Ben Bernanke en vóór hem door Alan Greenspan.
Futures
Op een beurs verhandelbare gestandaardiseerde termijncontracten. Anders dan bij opties heeft zowel de verkoper als de koper een verplichting
en wordt er geen premie betaald.
Gestructureerde producten
Producten die zijn samengesteld uit activa als hypotheken, maar ook auto- of creditcardleningen en bedrijfskredieten of de kredietrisico’s op die leningen. Financiële instellingen voegen die samen tot een pakket en zetten die pakketten uit op de financiële markten als verhandelbare eenheden.
Handelsboek (ook wel handelsportefeuille genoemd)
Omvat posities in effecten, derivaten en andere financiële producten die door een financiële instelling worden aangehouden voor handelsdoeleinden, en die in principe direct verhandelbaar zijn.
Hedgefondsen
Verzamelnaam voor beleggingsfondsen die met een bepaalde strategie proberen beleggingsrisico’s af te dekken (‘hedgen’). Hedgefondsen werken vaak met geleend geld (hefboomwerking).
Hefboomwerking (leverage)
Investeren met relatief weinig eigen vermogen en zoveel mogelijk goedkoop geleend geld.
IFRS
International Financial Reporting Standards. Internationale normen voor financiële verslaglegging. Ze worden opgesteld door de International Accounting Standards Board (IASB).
Investeringsbank
(Deel van een) bank die bedrijven adviseert en zo nodig financiert bij overnames, adviseert bij de uitgifte van (nieuwe) effecten, een eventuele emissie overneemt en plaatst bij beleggers, en die voor eigen rekening en risico in effecten handelt.
Kapitaalbuffer (en -reserve)
Minimumomvang van het eigen kapitaal dat aangehouden moet worden tegenover het uitstaande risico.
Kredietderivaten
Het bundelen en doorverkopen van het risico van wanbetaling door debiteuren (CDS). In 1997 werd er voor 10 miljard dollar aan kredietderivaten verkocht. Aan het einde van 2007 was er voor circa 62000 miljard dollar aan kredietderivaten verhandeld.
Kredietrisico
In de bankwereld gebruikt om het risico aan te geven dat banken verlies lijden op leningen aan particulieren, bedrijven en andere organisaties.
Liquiditeit
De contanten of direct opvraagbare tegoeden waarover een bank beschikt om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
Macroprudentieel toezicht
Toezicht gericht op de stabiliteit van het financiële systeem als geheel.
Marktrisico
Heeft betrekking op de risico’s in het handelsboek en op de grondstoffen en valutarisico’s binnen het totale bedrijf.
Microprudentieel toezicht
Toezicht gericht op de soliditeit van individuele financiële instellingen
Off balance
De financiering van een transactie of project wordt buiten de balans van een bank gebracht.
Onderhandse kapitaalmarkt
Partijen onderhandelen direct met elkaar over prijzen en voorwaarden van leningen, zonder tussenkomst van banken of andere instellingen.
Operationeel risico
De kans op verliezen door ontoereikende of falende interne processen, mensen of systemen, of door externe oorzaken.
Opties
Een op een beurs verhandelbaar recht om een bepaalde onderliggende waarde (aandeel, obligatie) gedurende een bepaalde periode tegen een bepaalde prijs te mogen kopen of verkopen.
Originate-to-distribute
De praktijk van het doorgeven van verstrekte kredieten. Ook wel: verstrekken-verpakken-verkopen.
Passiva
Totaal van het vermogen van een bedrijf of organisatie, zowel het eigen als het vreemd vermogen. Staat aan de creditzijde van een balans.
Possibility of Default (PD)
De kans dat een debiteur niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.
Private equity funds
Investeerders (niet-beursgenoteerde fondsen, vandaar private equity) die een (meerderheids)belang in een bedrijf nemen of een bedrijf geheel overnemen, om vervolgens als actieve aandeelhouder op te treden. Voorbeelden in Nederland: Maxeda bij Vroom & Dreesmann, Apax bij Perscombinatie
Procycliciteit
De conjuncturele cyclus versterkend.
Regulatory capture
Het fenomeen dat een toezichthouder zich teveel laat leiden door de belangen van degenen waarop deze toezicht houdt en daardoor niet of onvoldoende onafhankelijk in het publieke belang kan optreden.
Retail bank
Bank voor particulieren.
Securitisatie
Een financiële techniek waarbij activa (bijvoorbeeld afgesloten hypotheken, bedrijfsobligaties, autoleningen) tot pakketjes worden samengevoegd en verkocht als effecten. Meestal worden deze pakketten niet via een aandelenbeurs gekocht en verkocht, maar rechtstreeks tussen aanbieder en afnemer verhandeld.
Short selling
Aandelen verkopen die men (nog) niet bezit. Short selling kan gedekt of ongedekt zijn. Bij de gedekte variant verkopen beleggers tegen een van te voren vastgestelde (hoge) prijs de aandelen die ze van de eigenaars, bijvoorbeeld pensioenfondsen, hebben geleend. Hierbij wordt gehoopt dat een koersverlies optreedt, zodat ze de aandelen goedkoop kunnen terugkopen, waarna zij de winst opstrijken. De verkoop van aandelen zonder deze in bezit te hebben heet «ongedekt» short gaan of naked short selling.
Solvabiliteit
De mate waarin een bedrijf, financiële instelling of persoon op lange termijn in staat is aan financiële verplichtingen te voldoen.
Special Purpose Vehicle (SPV)
Aparte juridische eenheid, opgericht om bepaalde projecten of activiteiten van een onderneming uit te voeren en om de daarbij behorende activa en hun financiering onder te kunnen brengen op een aparte balans.
Structured investment vehicle (SIV)
Beleggingsfonds dat goedkoop geld leent voor een korte looptijd en het investeert in hoger renderende leningen met een langere looptijd. Levert geld op zolang de korte rente laag genoeg is en er steeds genoeg geleend kan worden. Vanaf de zomer van 2007 werd dat laatste steeds moeilijker. Veel SIV’s hebben de kredietcrisis niet overleefd.
Stresstest
Het inventariseren van de mogelijke effecten van uitzonderlijke, maar aannemelijke gebeurtenissen op de financiële conditie van een instelling of systeem.
Subprime
Subprime is een Amerikaanse term voor hypotheekleningen en andere leningen die aan wellicht minder kredietwaardige personen worden verstrekt. Het risico van betalingsachterstanden is daardoor groter, maar de geldverstrekker kan er a) meer aan verdienen dan aan traditionele leningen en hypotheken en b) geld uitlenen aan groepen mensen die door anderen niet als klant worden geaccepteerd. Via securitisatie van de leningportefeuille kan het risico vervolgens worden gedeeld met of verplaatst naar anderen.
Twin Peaks-model
Het toezicht op de soliditeit van financiële instellingen en op de stabiliteit van het financiële stelsel (prudentieel toezicht) wordt door de ene instantie gedaan (in Nederland: de Nederlandsche Bank) en het toezicht op de gedragingen van de instellingen door een andere (in Nederland: de Autoriteit Financiële Markten).
Value at risk
Wordt gebruikt voor het bepalen van de risico’s en hun omvang die banken in Nederland lopen met hun handelsportefeuille (zie daar).
Valutarisico
Het risico dat men loopt als het gaat om veranderingenin de waarde van vreemde valuta die men bezit of in de toekomst gaat bezitten.
Valutaswap
Een ruil in de valutahandel waarbij twee partijen tegen een contante koers een bepaald bedrag ruilen en tegelijkertijd afspreken om op termijn terug te ruilen tegen een vooraf afgesproken koers.
Voorziening
Het deel van het vermogen van een bedrijf dat met een duidelijk en speciaal doel opzij is gezet om in de toekomst aan bepaalde financiële verplichtingen te hunnen voldoen. Voorzieningen worden tot het vreemde vermogen gerekend.
Vordering
Term voor recht hebben op een bepaald bedrag dat door een ander moet worden betaald aan de rechthebbende.
Wanbetaling
Het niet of niet op tijd betalen van een schuld. In het Engels: default.
Contact
- Contact met de Tweede Kamer
- Adres en route
- Veelgestelde vragen
- Bezoek de Tweede Kamer
- Overzicht politieke websites
